RECHTBANK ARNHEM Sector strafrecht Meervoudige economische kamer Promis II Parketnummer : 05/980047-05 Data zitting : 9, 10, en 16 juni 2011, 15 september 2011, 24 november 2011, 20 december 2011, 19, 20, 22, 26, 27 en 29 maart 2012, 3, 6, 17, 18 en 19 april 2012, 7 en 10 mei 2012 Datum uitspraak : 24 mei 2012 Tegenspraak In de zaak van de officieren van justitie bij het Functioneel Parket Amsterdam tegen: naam : [verdachte1] geboren op : [geboortedatum] adres : [adres], plaats : [woonplaats] Raadslieden : mr. D. Doorenbos en mr. M. Velthuis, advocaten te Amsterdam. Officieren van justitie : mr. J.H. van de Werff, mr. V.S.Th. Leenders, mr. S. de Vries en mr. L.O. Bakker. 1. De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat: 1. First Curaçao International Bank N.V. (FCIB N.V.), op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 december 2001 tot en met 31 augustus 2006 te Berg en Dal, in de gemeente Groesbeek en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met Transworld Oil Computer Centrum B.V. (TWOCC B.V.), en/of (een) ander(en), althans alleen, als een in Nederland gevestigde onderneming of instelling, (telkens) zonder dat de FCIB N.V. en/of haar mededader(
- s)een vergunning van De Nederlandsche Bank als bedoeld in art. 6 en/of art. 1 Wet toezicht kredietwezen 1992 had(den) ver(ge)kregen, opzettelijk het bedrijf van kredietinstelling heeft/hebben uitgeoefend, immers heeft/hebben de FCIB N.V. (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens) opzettelijk haar/hun bedrijf gemaakt van het ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen en/of beleggingen, welke verkrijging van al dan niet opvorderbare gelden hieruit bestond, dat de FCIB N.V. en/of haar mededader(s), op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 31 december 2001 tot en met 31 augustus 2006 bankrekeningen bij de FCIB N.V. aan (een) rekeninghouder(
- s)ter beschikking heeft/hebben gesteld en/of heeft/hebben uitgegeven waarop de FCIB N.V. en/of haar mededader(s), (telkens) (een) geldbedrag(
- en)aan al dan niet opvorderbare gelden (demand deposits nonaffilliates) ter beschikking heeft en/of heeft gehad en/of heeft gekregen en/of heeft verkregen, te weten, in ieder geval: - per 31 december 2001 (als blijkende uit de door FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2001 (SFO-AH-010/D-SFO-023)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 24.468.228,00 en/of - per 31 december 2002 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2002 (SFO-AH-010/D-SFO-018/D-SFO-016)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 46.182.817,00 en/of $ 46.182.822,00 en/of - per 31 december 2003 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2003 (SFO-AH-010/D-SFO-016)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 327.880.308,00 en/of - per 31 december 2004 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2004 (SFO-AH-010/D-SFO-017)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 101.120.481,00 en/of - per 31 december 2005 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2005 (SFO-AH-010/D-SFO-009)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 461.832.469,00 en/of - per 31 augustus 2006 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde maandstaat per 31 augustus 2006 (SFO-AH-012/D-SFO-033)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 455.959.769,95, althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden ter beschikking heeft/hebben en/of heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben gekregen en/of heeft/hebben verkregen en welk voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen en/of beleggingen hieruit bestond dat de FCIB N.V. en/of haar mededader(
- s)op een of meer tijdstippen in de periode van 31 december 2001 tot en met 31 augustus 2006 (telkens) (een) geldbedrag(
- en)(aan interest-bearing deposits in banks and money market funds, nonaffilliates en/of total term deposits), heeft/hebben uitgezet en/of belegd, te weten, in ieder geval: - per 31 december 2001 (als blijkende uit de door FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2001 (SFO-AH-010/D-SFO-023)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 139.125.000,00 en/of - per 31 december 2002 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2002 (SFO-AH-010/D-SFO-018/D-SFO-016)), een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 130.466.478,00 en/of - per 31 december 2003 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2003 (SFO-AH-010/D-SFO-016)), een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 414.245.699,00 en/of - per 31 december 2004 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2004 (SFO-AH-010/D-SFO-017)), een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 190.519.781,00 en/of - per 31 december 2005 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2005 (SFO-AH-010/D-SFO-009)), een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 411.712.118,00 en/of - per 31 augustus 2006 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde maandstaat per 31 augustus 2006 (D-SFO-033)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 397.514.729,26, althans enig geldbedrag(
- en)(aan interest-bearing deposits in banks and money market funds, nonaffilliates en/of total term deposits), heeft/hebben uitgezet tot welk(
- e)feit(
- en)hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welk(
- e)verboden gedraging(
- en)hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, feitelijk leiding heeft/hebben gegeven; danwel dat hij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 december 2001 tot en met 31 augustus 2006 te Berg en Dal, in de gemeente Groesbeek en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met First Curaçao International Bank N.V.(FCIB NV) en/of Transworld Oil Computer Centrum B.V. (TWOCC), en/of (een) ander(en), althans alleen, (telkens) zonder dat hem en/of zijn mededader(
- s)een vergunning van De Nederlandsche Bank als bedoeld in art. 6 en/of art. 1 Wet toezicht kredietwezen 1992 had(den) ver(ge)kregen, (telkens) opzettelijk het bedrijf van kredietinstelling heeft/hebben uitgeoefend, immers heeft/hebben hij, verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens) (opzettelijk) zijn/hun bedrijf gemaakt van het ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen en/of beleggingen, welke verkrijging van al dan niet opvorderbare gelden hieruit bestond, dat hij en/of zijn mededader(s), op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 31 december 2001 tot en met 31 augustus 2006 bankrekeningen bij de FCIB NV aan (een) rekeninghouder(
- s)ter beschikking heeft/hebben gesteld en/of heeft/hebben uitgegeven waarop hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens) (een) geldbedrag(
- en)aan al dan niet opvorderbare gelden (demand deposits nonaffilliates) ter beschikking heeft en/of heeft gehad en/of heeft gekregen en/of heeft verkregen, te weten, in ieder geval: - per 31 december 2001 (als blijkende uit de door FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2001(SFO-AH-010/D-SFO-023)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 24.468.228,00 en/of - per 31 december 2002 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2002 (SFO-AH-010/D-SFO-018/D-SFO-016)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 46.182.817,00 en/of $ 46.182.822,00 en/of - per 31 december 2003 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2003 (SFO-AH-010/D-SFO-016)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 327.880.308,00 en/of - per 31 december 2004 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2004 (SFO-AH-010/D-SFO-017)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 101.120.481,00 en/of - per 31 december 2005 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2005 (SFO-AH-010/D-SFO-009)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 461.832.469,00 en/of - per 31 augustus 2006 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde maandstaat per 31 augustus 2006 (SFO-AH-012/D-SFO-033)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 455.959.769,95, althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden ter beschikking heeft en/of heeft gehad en/of heeft gekregen en/of heeft verkregen en/of belegd, en welk voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen en/of beleggingen hieruit bestond dat hij en/of zijn mededader(
- s)op een of meer tijdstippen in de periode van 31 december 2001 tot en met 31 augustus 2006 (telkens) (een) geldbedrag(
- en)(aan interest-bearing deposits in banks and money market funds, nonaffilliates en/of total term deposits), heeft/hebben uitgezet en/of belegd, te weten, in ieder geval: - per 31 december 2001 (als blijkende uit de door FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2001 (SFO-AH-010/D-SFO-023)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 139.125.000,00 en/of - per 31 december 2002 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2002 (SFO-AH-010/D-SFO-018/D-SFO-016)), een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 130.466.478,00 en/of - per 31 december 2003 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2003 (SFO-AH-010/D-SFO-016)), een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 414.245.699,00 en/of - per 31 december 2004 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2004 (AH-010/D-SFO-017)), een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 190.519.781,00 en/of - per 31 december 2005 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2005 (AH-010/D-SFO-009)), een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 411.712.118,00 en/of - per 31 augustus 2006 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde maandstaat per 31 augustus 2006 (D-SFO-033)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 397.514.729,26, althans enig geldbedrag geldbedrag(
- en)(aan interest-bearing deposits in banks and money market funds, nonaffilliates en/of total term deposits), heeft/hebben uitgezet en/of belegd; althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt: dat First Curaçao International Bank N.V. (FCIB N.V.) op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 december 2001 tot en met 31 augustus 2006 te Berg en Dal, in de gemeente Groesbeek en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met Transworld Oil Computer Centrum B.V., en/of (een) ander(en), althans alleen, al dan niet handelend onder de naam First Curaçao International Bank N.V., als een op Curaçao, althans in de Nederlandse Antillen, die niet is/zijn een Lid-Staat (van de Europese Unie), gevestigde onderneming of instelling, (telkens) zonder een daartoe door De Nederlandsche Bank verkregen vergunning en/of vrijstelling en/of ontheffing opzettelijk het bedrijf van kredietinstelling door middel van een bijkantoor in Nederland heeft/hebben uitgeoefend, immers heeft/hebben FCIB N.V. (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens) haar/hun bedrijf gemaakt van het ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen en/of beleggingen, welke verkrijging van al dan niet opvorderbare gelden (onder meer) hieruit bestond dat de FCIB N.V. en/of haar mededader(
- s)op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 31 december 2001 tot en met 31 augustus 2006 bankrekeningen bij de FCIB N.V. aan (een) rekeninghouder(
- s)ter beschikking heeft/hebben gesteld en/of heeft/hebben uitgegeven waarop de FCIB N.V. en/of haar mededader(s), (telkens) (een) geldbedrag(
- en)aan al dan niet opvorderbare gelden (demand deposits nonaffilliates) ter beschikking heeft en/of heeft gehad en/of heeft gekregen en/of heeft verkregen, te weten, in ieder geval: - per 31 december 2001 (als blijkende uit de door FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2001 (SFO-AH-010/D-SFO-023)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 24.468.228,00 en/of - per 31 december 2002 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2002 (SFO-AH-010/D-SFO-018)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 46.182.817,00 en/of $ 46.182.822,00 en/of - per 31 december 2003 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2003 (SFO-AH-010/D-SFO-016)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 327.880.308,00 en/of - per 31 december 2004 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2004 (SFO-AH-010/D-SFO-017)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 101.120.481,00 en/of - per 31 december 2005 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2005 (SFO-AH-010/D-SFO-009)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 461.832.469,00 en/of - per 31 augustus 2006 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde maandstaat per 31 augustus 2006 (SFO-AH-012/D-SFO-033)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 455.959.769,95, althans enig geldbedrag / geldbedragen aan al dan niet opvorderbare gelden ter beschikking heeft/hebben en/of heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben gekregen en/of heeft/hebben verkregen en welk voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen en/of beleggingen hieruit bestond dat de FCIB N.V. en/of haar mededader(
- s)op een of meer tijdstippen in de periode van 31 december 2001 tot en met 31 augustus 2006 (telkens) (een) geldbedrag(
- en)(aan interest-bearing deposits in banks and money market funds, nonaffilliates en/of total term deposits), heeft/hebben uitgezet en/of belegd, te weten, in ieder geval: - per 31 december 2001 (als blijkende uit de door FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2001 (SFO-AH-010/D-SFO-023)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 139.125.000,00 en/of - per 31 december 2002 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2002 (SFO-AH-010/D-SFO-018/D-SFO-016)), een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 130.466.478,00 en/of - per 31 december 2003 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2003 (SFO-AH-010/D-SFO-016)), een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 414.245.699,00 en/of - per 31 december 2004 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2004 (AH-010/D-SFO-017)), een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 190.519.781,00 en/of - per 31 december 2005 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2005 (AH-010/D-SFO-009)), een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 411.712.118,00 en/of - per 31 augustus 2006 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde maandstaat per 31 augustus 2006 (D-SFO-033)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 397.514.729,26, althans enig geldbedrag / geldbedrag(
- en)aan interest-bearing deposits in banks and money market funds, nonaffilliates en/of total term deposits, heeft/hebben uitgezet en/of belegd; tot welk(
- e)feit(
- en)hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft/hebben gegeven en/of aan welk(
- e)verboden gedraging(
- en)hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, feitelijk leiding heeft/hebben gegeven; danwel dat hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 december 2001 tot en met 31 augustus 2006 te Berg en Dal, in de gemeente Groesbeek en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met First Curaçao International Bank N.V. (FCIB N.V.) en/of Transworld Oil Computer Centrum B.V. (TWOCC), en/of (een) ander(en), althans alleen, terwijl zijn mededader(
- s)al dan niet handelend onder de naam First Curaçao International Bank N.V., als een op Curaçao of in de Nederlandse Antillen, die niet is/zijn een Lid-Staat (van de Europese Unie), gevestigde onderneming of instelling, (telkens) zonder een daartoe door De Nederlandsche Bank verkregen vergunning en/of vrijstelling en/of ontheffing opzettelijk het bedrijf van kredietinstelling door middel van een bijkantoor in Nederland heeft/hebben uitgeoefend, immers heeft/hebben hij (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens) zijn/hun bedrijf gemaakt van het ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen of beleggingen, welke verkrijging van al dan niet opvorderbare gelden (onder meer) hieruit bestond dat hij en/of zijn mededader(
- s)op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 31 december 2001 tot en met 31 augustus 2006 bankrekeningen bij de FCIB NV aan (een) rekeninghouder(
- s)ter beschikking heeft/hebben gesteld en/of heeft/hebben uitgegeven waarop hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens) (een) geldbedrag(
- en)aan al dan niet opvorderbare gelden (demand deposits nonaffilliates) ter beschikking heeft en/of heeft gehad en/of heeft gekregen en/of heeft verkregen, te weten, in ieder geval: - per 31 december 2001 (als blijkende uit de door FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2001 (SFO-AH-010/D-SFO-023)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 24.468.228,00 en/of - per 31 december 2002 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2002 (SFO-AH-010/D-SFO-018/D-SFO-016)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 46.182.817,00 en/of $ 46.182.822,00 en/of - per 31 december 2003 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2003 (SFO-AH-010/D-SFO-016)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 327.880.308,00 en/of - per 31 december 2004 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2004 (SFO-AH-010/D-SFO-017)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 101.120.481,00 en/of - per 31 december 2005 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2005 (SFO-AH-010/D-SFO-009)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 461.832.469,00 en/of - per 31 augustus 2006 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde maandstaat per 31 augustus 2006 (SFO-AH-012/D-SFO-033)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 455.959.769,95, althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden ter beschikking heeft en/of heeft gehad en/of heeft gekregen en/of heeft verkregen en welk voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen en/of beleggingen hieruit bestond dat hij en/of zijn mededader(
- s)op een of meer tijdstippen in de periode van 31 december 2001 tot en met 31 augustus 2006 (telkens) (een) geldbedrag(
- en)(aan interest-bearing deposits in banks and money market funds, nonaffilliates en/of total term deposits), heeft/hebben uitgezet en/of belegd, te weten, in ieder geval: - per 31 december 2001 (als blijkende uit de door FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2001 (SFO-AH-010/D-SFO-023)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 139.125.000,00 en/of - per 31 december 2002 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2002 (SFO-AH-010/D-SFO-018/D-SFO-016)), een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 130.466.478,00 en/of - per 31 december 2003 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2003 (SFO-AH-010/D-SFO-016)), een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 414.245.699,00 en/of - per 31 december 2004 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2004 (AH-010/D-SFO-017)), een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 190.519.781,00 en/of - per 31 december 2005 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde jaarrekening over 2005 (AH-010/D-SFO-009)), een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 411.712.118,00 en/of - per 31 augustus 2006 (als blijkende uit de door de FCIB N.V. opgestelde maandstaat per 31 augustus 2006 (D-SFO-033)) een geldbedrag ter waarde van (per saldo) $ 397.514.729,26, althans enig geldbedrag geldbedrag(
- en)aan interest-bearing deposits in banks and money market funds, nonaffilliates en/of total term deposits, heeft/hebben uitgezet en/of belegd; meer subsidiair: dat First Curaçao International Bank N.V. (FCIB N.V.) op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 januari 2003 tot en met 31 augustus 2006 te Berg en Dal, in de gemeente Groesbeek en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met Transworld Oil Computer Centrum B.V. en/of een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek heeft/hebben aangetrokken en/of heeft/hebben doen aantrekken en/of ter beschikking heeft/hebben verkregen en/of ter beschikking heeft/hebben gehad, welk aantrekken en/of ter beschikking verkrijgen en/of ter beschikking hebben (onder meer) hieruit bestond dat de FCIB N.V. en/of haar mededader(
- s)- op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 31 januari 2003 tot 10 februari 2003 (minimaal) $ 289.862,- (1-AH-039/bijlage D-593), althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden van Bowyer Limited heeft/hebben aangetrokken en/of (ter beschikking) heeft/hebben verkregen en/of (ter beschikking) heeft/hebben gehad en/of - op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 2 januari 2004 tot 7 januari 2004 (minimaal) $ 11.903.389,- (1-AH-039/bijlage D-594), althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden van The Hotspur Trust heeft/hebben aangetrokken en/of (ter beschikking) heeft/hebben verkregen en/of (ter beschikking) heeft/hebben gehad en/of - op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 april 2005 tot 11 april 2005 (minimaal) $ 35.110.507,- (1-AH-039/bijlage D-595), althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden van Corbiere Trust Company Ltd. heeft/hebben aangetrokken en/of (ter beschikking) heeft/hebben verkregen en/of (ter beschikking) heeft/hebben gehad en/of - op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 11 januari 2006 tot 17 januari 2006 (minimaal) $ 360.031,- (1-AH-039/bijlage D-596), althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden van The Pavo Trust heeft/hebben aangetrokken en/of (ter beschikking) heeft/hebben verkregen en/of (ter beschikking) heeft/hebben gehad en/of - op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 14 mei 2002 tot 24 mei 2002 (minimaal) $ 2.000.586,00 (1-AH-039/bijlage D-601), althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden van Maple Chase B.V. heeft/hebben aangetrokken en/of (ter beschikking) heeft/hebben verkregen en/of (ter beschikking) heeft/hebben gehad en/of - en/of op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 10 februari 2003 tot 26 maart 2003 (minimaal) $ 188.635,00 (1-AH-039/bijlage D-602), althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden van Oliocin B.V. heeft/hebben aangetrokken en/of (ter beschikking) heeft/hebben verkregen en/of (ter beschikking) heeft/hebben gehad en/of - en/of op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 2 december 2004 tot 10 december 2004 (minimaal) £ 1.272,- (1-AH-039/bijlage D-603), althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden van B4 International B.V. heeft/hebben aangetrokken en/of (ter beschikking) heeft/hebben verkregen en/of (ter beschikking) heeft/hebben gehad en/of - op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 28 april 2005 tot 3 mei 2005 (minimaal) £13.016,- (1-AH-039/bijlage D-604), althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden van Adele Trading B.V. heeft/hebben aangetrokken en/of (ter beschikking) heeft/hebben verkregen en/of (ter beschikking) heeft/hebben gehad en/of - op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 3 januari 2006 tot 16 januari 2006 (minimaal) £98.110,- (1-AH-039/bijlage D-605), althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden van Comica Handelsonderneming B.V. heeft/hebben aangetrokken en/of (ter beschikking) heeft/hebben verkregen en/of (ter beschikking) heeft/hebben gehad, dan wel heeft/hebben de FCIB N.V. en/of haar mededader(
- s)(telkens) opzettelijk in enigerlei vorm bemiddeld ter zake van het bedrijfsmatig aantrekken/ter beschikking verkrijgen van voornoemde (al dan niet op termijn) opvorderbare gelden van voornoemde (rechts-)personen, tot welk(
- e)feit(
- en)hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welk(
- e)verboden gedraging(
- en)hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven; danwel dat hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 januari 2003 tot en met 31 augustus 2006 te Berg en Dal, in de gemeente Groesbeek en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met First Curaçao International Bank N.V.(FCIB NV) en/of Transworld Oil Computer Centrum B.V. (TWOCC) en/of een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek heeft/hebben aangetrokken en/of heeft/hebben doen aantrekken en/of ter beschikking heeft/hebben verkregen en/of ter beschikking heeft/hebben gehad, welk aantrekken en/of ter beschikking verkrijgen en/of ter beschikking hebben (onder meer) hieruit bestond dat hij en/of zijn mededader(
- s)- op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 31 januari 2003 tot 10 februari 2003 (minimaal) $ 289.862,- (1-AH-039/bijlage D-593), althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden van Bowyer Limited heeft/hebben aangetrokken en/of (ter beschikking) heeft/hebben verkregen en/of (ter beschikking) heeft/hebben gehad en/of - op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 2 januari 2004 tot 7 januari 2004 (minimaal) $ 11.903.389,- (1-AH-039/bijlage D-594), althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden van The Hotspur Trust heeft/hebben aangetrokken en/of (ter beschikking) heeft/hebben verkregen en/of (ter beschikking) heeft/hebben gehad en/of - op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 april 2005 tot 11 april 2005 (minimaal) $ 35.110.507,- (1-AH-039/bijlage D-595), althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden van Corbiere Trust Company Ltd. heeft/hebben aangetrokken en/of (ter beschikking) heeft/hebben verkregen en/of (ter beschikking) heeft/hebben gehad en/of - op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 11 januari 2006 tot 17 januari 2006 (minimaal) $ 360.031,- (1-AH-039/bijlage D-596), althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden van The Pavo Trust heeft/hebben aangetrokken en/of (ter beschikking) heeft/hebben verkregen en/of (ter beschikking) heeft/hebben gehad en/of - en/of op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 14 mei 2002 tot 24 mei 2002 (minimaal) $ 2.000.586,00 (1-AH-039/bijlage D-601), althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden van Maple Chase B.V. heeft/hebben aangetrokken en/of (ter beschikking) heeft/hebben verkregen en/of (ter beschikking) heeft/hebben gehad en/of - en/of op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 10 februari 2003 tot 26 maart 2003 (minimaal) $ 188.635,00 (1-AH-039/bijlage D-602), althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden van Oliocin B.V. heeft/hebben aangetrokken en/of (ter beschikking) heeft/hebben verkregen en/of (ter beschikking) heeft/hebben gehad en/of - en/of op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 2 december 2004 tot 10 december 2004 (minimaal) £ 1.272,- (1-AH-039/bijlage D-603), althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden van B4 International B.V. heeft/hebben aangetrokken en/of (ter beschikking) heeft/hebben verkregen en/of (ter beschikking) heeft/hebben gehad en/of - op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 28 april 2005 tot 3 mei 2005 (minimaal) £13.016,- (1-AH-039/bijlage D-604), althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden van Adele Trading B.V. heeft/hebben aangetrokken en/of (ter beschikking) heeft/hebben verkregen en/of (ter beschikking) heeft/hebben gehad en/of - op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 3 januari 2006 tot 16 januari 2006 (minimaal) £98.110,- (1-AH-039/bijlage D-605), althans enig geldbedrag aan al dan niet opvorderbare gelden van Comica Handelsonderneming B.V. heeft/hebben aangetrokken en/of (ter beschikking) heeft/hebben verkregen en/of (ter beschikking) heeft/hebben gehad, dan wel heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
- s)(telkens) opzettelijk in enigerlei vorm bemiddeld ter zake van het bedrijfsmatig aantrekken/ter beschikking verkrijgen van voornoemde (al dan niet op termijn) opvorderbare gelden van voornoemde (rechts-)personen; 2. dat de First Curaçao International bank N.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 oktober 2005 tot en met 5 september 2006 in/vanuit de gemeente Groesbeek en/of (elders) in/vanuit Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, terwijl zij, en/of haar mededader(s), (telkens) beroeps- en/of bedrijfsmatig (een) (financiële) dienst(
- en)heeft/hebben verleend, te weten het (telkens) openstellen van (een) rekening(
- en)waarop (telkens) een saldo in geld en/of effecten en/of andere waarde(
- n)word(t)(
- en)aangehouden en/of het (telkens) crediteren en/of debiteren, dan wel doen crediteren en/of debiteren van (een) rekening(
- en)waarop (telkens) een saldo in geld en/of effecten en/of andere waarden word(t)(
- en)aangehouden, (telkens) in strijd met de voor haar en/of haar mededader(
- s)geldende verplichting om op grond van artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties verrichte of voorgenomen ongebruikelijk transacties onverwijld te melden (aan het meldpunt) (telkens) opzettelijk geen (onverwijlde) melding(
- en)heeft/hebben gedaan van (een) verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie(s), immers heeft/hebben zij (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens) opzettelijk geen (onverwijlde) melding gedaan van een op of omstreeks 24 april 2006 verrichte ongebruikelijke transactie op rekening van Electron Global Ltd (04/801/201818/01) ten bedrage van £ 7.318.827,88, althans enig geldbedrag (04801/203263/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000000865540 Tr Nr 6719 (4-AH-005/D-1238/D-1239) en/of - een transactie op of omstreeks 31 januari 2006 op rekening van Hi-Tec Electronics (04/801/201431/01) ten bedrage van £ 4.062.900,00, althans enig geldbedrag (04801/203712/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000000569188 Tr Nr 1068 (4-AH-005/D-1233/D-1236) en/of - een transactie op of omstreeks 7 april 2006 op rekening van Hi-Tec Electronics (04/801/201431/01) ten bedrage van £ 3.135.000,00, althans enig geldbedrag (04801/202498/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000000816514 Tr Nr 1506 (4-AH-005/D-1250/D-1251) en/of - een transactie op of omstreeks 28 oktober 2005 op rekening van Abyss Int'L FZE (04/801/201145/01) ten bedrage van £ 2.880.605,00 (04801/201863/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000000358146 Tr Nr 798 (4-AH-005/D-1264/D-1265) en/of - een transactie op of omstreeks 16 maart 2006 op rekening van E and I Trading Ltd. (04801/201670/01) ten bedrage van £ 3.260.625,00 (04801/204288/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000000723592 Tr Nr 1239 (4-AH-005/D-538/D-539) en/of - een transactie op of omstreeks 25 april 2006 op rekening van E and I Trading Ltd. (04801/201670/01) ten bedrage van £ 2.393.359,40 (04801/204950/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000000870024 Tr Nr 1984 (4-AH-005/D-1269/D-1270) en/of - een transactie op of omstreeks 28 april 2006 op rekening van CK Communications Ltd. (04801/201670/01) ten bedrage van £ 3.462.500,00 (04801/204550/01 T-INA TRF GBP/GBP:1.00000 EB 000000891922 Tr Nr 1129 (4-AH-005/D-1283/D-1284) en/of - een transactie op of omstreeks 23 februari 2006 op rekening(
- en)(van [betrokkene31]) (01/801/001735/01 en/of 01/801/001735/02) ten bedrage van $ 8.999.820,00 (4-AH-006/D-835) en/of - een transactie op of omstreeks 31 maart 2006 op rekening(
- en)(van [betrokkene31]) (01/801/001735/01 en/of 01/801/001735/02) ten bedrage van $ 1.500.000,00 (4-AH-006/D-835) en/of in strijd met de voor haar en/of haar mededader(
- s)geldende verplichting om op grond van artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties binnen 14 dagen na het bekend worden van het ongebruikelijke karakter van een transactie, (telkens) geen melding heeft/hebben gedaan van een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie(s), immers heeft/hebben zij (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens) opzettelijk niet binnen 14 dagen na het bekend worden van het ongebruikelijke karakter melding gemaakt van - een transactie op of omstreeks 4 mei 2006 op rekening van Electron Global Ltd (04/801/201818/01) ten bedrage van £ 6.355.397,78, althans enig geldbedrag (04801/203263/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000000914250 Tr Nr 7060 (4-AH-005/D-1241/D-1242) en/of - een transactie op of omstreeks 16 mei 2006 op rekening van Abyss Int'L FZE (04/801/201145/01) ten bedrage van £ 6.103.440,00 (04801/201863/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000000968840 Tr Nr 2064 (4-AH-005/D-1257/D-1258) en/of - een transactie op of omstreeks 12 mei 2006 op rekening van Mitek Computer Components Ltd. (04801/204392/01) ten bedrage van £ 3.461.200,00 (04801/201383/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000000954484 Tr Nr 1494 (4-AH-005/D-1274/D-1275) en/of - een transactie op of omstreeks 5 juni 2006 op rekening van Mitek Computer Components Ltd. (04801/204392/01) ten bedrage van £ 2.569.725,00 (04801/200943/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000001035280 Tr Nr 1633 (4-AH-005/D-1276/D-1277); tot welk(
- e)feit(
- en)hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welk(
- e)verboden gedraging(
- en)hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven; althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt: dat hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 oktober 2005 tot en met 5 september 2006 in/vanuit de gemeente Groesbeek en/of (elders) in/vanuit Nederland, tezamen en in vereniging met First Curaçao International Bank N.V. (FCIB N.V.) en/of Transworld Oil Computer Centrum B.V. en/of (een) ander(en), althans alleen, (telkens) beroeps- en/of bedrijfsmatig (een) (financiële) dienst(
- en)heeft verleend, te weten het (telkens) openstellen van (een) rekening(
- en)waarop (telkens) een saldo in geld en/of effecten en/of andere waarde(
- n)word(
- en)aangehouden en/of het (telkens) crediteren en/of debiteren, dan wel doen crediteren en/of debiteren van (een) rekening(
- en)waarop (telkens) een saldo in geld en/of effecten en/of andere waarden word(
- en)aangehouden, (telkens) in strijd met de voor haar en/of haar mededader(
- s)geldende verplichting om op grond van artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties verrichte of voorgenomen ongebruikelijk transacties onverwijld te melden (aan het meldpunt) (telkens) opzettelijk geen (onverwijlde) melding(
- en)heeft/hebben gedaan van (een) verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie(s), immers heeft/hebben hij (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens) opzettelijk geen (onverwijlde) melding gedaan van een op of omstreeks 24 april 2006 verrichte ongebruikelijke transactie op rekening van Electron Global Ltd (04/801/201818/01) ten bedrage van £ 7.318.827,88, althans enig geldbedrag (04801/203263/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000000865540 Tr Nr 6719 (4-AH-005/D-1238/D-1239) en/of - een transactie op of omstreeks 31 januari 2006 op rekening van Hi-Tec Electronics (04/801/201431/01) ten bedrage van £ 4.062.900,00, althans enig geldbedrag (04801/203712/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000000569188 Tr Nr 1068 (4-AH-005/D-1233/D-1236) en/of - een transactie op of omstreeks 7 april 2006 op rekening van Hi-Tec Electronics (04/801/201431/01) ten bedrage van £ 3.135.000,00, althans enig geldbedrag (04801/202498/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000000816514 Tr Nr 1506 (4-AH-005/D-1250/D-1251) en/of - een transactie op of omstreeks 28 oktober 2005 op rekening van Abyss Int'L FZE (04/801/201145/01) ten bedrage van £ 2.880.605,00 (04801/201863/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000000358146 Tr Nr 798 (4-AH-005/D-1264/D-1265) en/of - een transactie op of omstreeks 16 maart 2006 op rekening van E and I Trading Ltd. (04801/201670/01) ten bedrage van £ 3.260.625,00 (04801/204288/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000000723592 Tr Nr 1239 (4-AH-005/D-538/D-539) en/of - een transactie op of omstreeks 25 april 2006 op rekening van E and I Trading Ltd. (04801/201670/01) ten bedrage van £ 2.393.359,40 (04801/204950/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000000870024 Tr Nr 1984 (4-AH-005/D-1269/D-1270) en/of - een transactie op of omstreeks 28 april 2006 op rekening van CK Communications Ltd. (04801/201670/01) ten bedrage van £ 3.462.500,00 (04801/204550/01 T-INA TRF GBP/GBP:1.00000 EB 000000891922 Tr Nr 1129 (4-AH-005/D-1283/D-1284) en/of - een transactie op of omstreeks 23 februari 2006 op rekening (van [betrokkene31]) (01/801/001735/01 en/of 01/801/001735/02) ten bedrage van $ 8.999.820,00 (4-AH-006/D-835) en/of - een transactie op of omstreeks 31 maart 2006 op rekening (van [betrokkene31]) (01/801/001735/01 en/of 01/801/001735/02) ten bedrage van $ 1.500.000,00 (4-AH-006/D-835) en/of in strijd met de voor hem en/of zijn mededader(
- s)geldende verplichting om op grond van artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties binnen 14 dagen na het bekend worden van het ongebruikelijke karakter van een transactie, (telkens) geen melding heeft/hebben gedaan van een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie(s), immers heeft/hebben hij (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk niet binnen 14 dagen na het bekend worden van het ongebruikelijke karakter melding gemaakt van - een transactie op of omstreeks 4 mei 2006 op rekening van Electron Global Ltd (04/801/201818/01) ten bedrage van £ 6.355.397,78, althans enig geldbedrag (04801/203263/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000000914250 Tr Nr 7060 (4-AH-005/D-1241/D-1242) en/of - een transactie op of omstreeks 16 mei 2006 op rekening van Abyss Int'L FZE (04/801/201145/01) ten bedrage van £ 6.103.440,00 (04801/201863/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000000968840 Tr Nr 2064 (4-AH-005/D-1257/D-1258) en/of - een transactie op of omstreeks 12 mei 2006 op rekening van Mitek Computer Components Ltd. (04801/204392/01) ten bedrage van £ 3.461.200,00 (04801/201383/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000000954484 Tr Nr 1494 (4-AH-005/D-1274/D-1275) en/of - een transactie op of omstreeks 5 juni 2006 op rekening van Mitek Computer Components Ltd. (04801/204392/01) ten bedrage van £ 2.569.725,00 (04801/200943/01 T-INA TRF GBP/GBP: 1.00000 EB 000001035280 Tr Nr 1633 (4-AH-005/D-1276/D-1277); 3. dat hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 6 september 2006 te Berg en Dal, in de gemeente Groesbeek en/of (elders) in Nederland en/of in Bermuda en/of in de Verenigde Staten en/of Groot Brittannië en/of Frankrijk en/of India en/of de Nederlandse Antillen als oprichter en/of leider en/of bestuurder heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke perso(o)n(en), bestaande uit onder meer hem, verdachte en/of [m[verdachte2]] en/of [betrokkene19], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het overtreden van artikel 6, lid 1 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en/of artikel 38 lid 1 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en/of artikel 82 lid 1 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en/of artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties. 2. Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is op meerdere dagen in 2012 inhoudelijk onderzocht. Op 10 mei is het onderzoek ter terechtzitting gesloten. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is steeds bijgestaan door mr. D. Doorenbos en mr. M. Velthuis, advocaten te Amsterdam. De officieren van justitie hebben gerequireerd. Verdachte en zijn raadslieden hebben het woord ter verdediging gevoerd. 2a. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie De standpunten van de verdediging en het Openbaar Ministerie De verdediging stelt dat ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor primair doelbewust of subsidiair met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Dit dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. In hoofdlijnen onderbouwt de verdediging dit verweer als volgt.
- a)Het strafrechtelijk onderzoek berustte op een ondeugdelijk fundament. De van de Britse autoriteiten afkomstige informatie over de verdachten, waarmee de zaak aan het rollen is gekomen, is niet geverifieerd en achteraf onjuist gebleken. Vanaf het moment van de eerste inzet van bijzondere opsporingsmiddelen en zeker ten tijde van de inval op 5 september 2006 kon er niet (meer) worden gesproken van een redelijk vermoeden van schuld, waardoor de basis komt te ontvallen aan de grootschalige en langdurige inzet van strafvorderlijke dwangmiddelen.
- b)Desondanks is het Nederlandse Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek gestart met als vooropgesteld doel het opblazen van FCIB N.V., het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel en het veroordelen van de verdachten FCIB N.V., [verdachte1] en [verdachte2].
- c)Vóór de formele start van het onderzoek heeft het Openbaar Ministerie al de keuze voor de strafrechtelijke weg gemaakt, waarbij het in strijd heeft gehandeld met het Convenant bestuurlijke boeten en strafrechtelijke sancties (hierna: het Convenant), doordat er niet werd afgestemd met De Nederlandsche Bank (hierna: DNB). Voorts heeft het Openbaar Ministerie druk uitgeoefend op DNB om het Openbaar Ministerie te volgen en zelf niets te ondernemen, waardoor de bestuursrechtelijke weg werd afgesloten. Tegen de achtergrond van de later aangebrachte splitsing in GVO I en GVO II - die het voeren van een deugdelijke verdediging heeft bemoeilijkt - had het Openbaar Ministerie ook kunnen kiezen voor een splitsing in een bestuursrechtelijk optreden ter zake de feiten die vallen onder GVO I en een strafrechtelijk optreden ter zake de feiten die vallen onder GVO II. Door dit niet te doen, is in strijd gehandeld met het subsidiariteitsbeginsel.
- d)In de gekozen strafrechtelijke aanpak heeft het Openbaar Ministerie in strijd met het beginsel van proportionaliteit de onderneming van FCIB N.V. onrechtmatig stilgelegd en heeft het tevens onevenredig de publiciteit opgezocht. Daarnaast heeft de verdediging nog de volgende punten aangedragen, mede - zo begrijpt de rechtbank - ter onderbouwing van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie: - er was geen enkele reden voor Nederland om het onderzoek op te pakken; - de start van het onderzoek en de fase daarvoor is slechts summierlijk geverbaliseerd, waardoor onvoldoende transparantie is betracht; - er is van aanvang af sprake geweest van een kokervisie; - aan FCIB N.V. is een onrechtmatige vordering ex artikel 126 nd Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gericht, aangezien zij reeds verdachte was en bovendien was er sprake van misbruik van bevoegdheden; - het Openbaar Ministerie informeert de rechtbank stelselmatig onjuist; - een cruciale getuige, dhr. [cruciale getuige] is niet gehoord kunnen worden; - de Britse douaneautoriteiten, HM Revenue and Customs (hierna: HMRC) heeft FCIB N.V. anders behandeld dan Engelse banken. Het handelen van HMRC is relevant in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, aangezien er sprake was van een ‘joint operation’ van de Nederlandse en Engelse autoriteiten. Door te handelen als betoogd heeft het Openbaar Ministerie in strijd gehandeld met artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Het Openbaar Ministerie stelt dat het verweer dient te worden verworpen en voert daartoe het volgende aan.
- a)Ter zake van het redelijk vermoeden van schuld: De informatie van de Britse autoriteiten over betrokkenheid van FCIB N.V. bij BTW-carrousels in Groot Brittannië, tezamen met informatie over FCIB N.V. waarover verbalisanten beschikten uit Nederlandse opsporingsonderzoeken, maakten dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond voor opzet- dan wel gewoontewitwassen, heling, overtreding van artikel 82 Wet toezicht kredietwezen 1992 (hierna: Wtk 1992) dan wel artikel 38 Wtk 1992 en van deelname, dan wel leidinggeven aan een criminele organisatie. Het redelijk vermoeden van schuld is geverbaliseerd in AH-01 en is opgebouwd uit zeven bronnen. Deze informatie is later in diverse ambtshandelingen nader onderbouwd. Gelet op het tussen staten geldende vertrouwensbeginsel, mocht het Openbaar Ministerie afgaan op de juistheid van de Britse informatie en de juiste verkrijging ervan. Deze is derhalve rechtmatig verkregen. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan de onjuistheid ervan tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leiden. Achteraf is gebleken dat de informatie van de Britse autoriteiten slechts op één punt cijfermatig onjuist bleek te zijn. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die maken dat de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het geding is. b en
- c)Ter zake van de start van het strafrechtelijk onderzoek. Met dit redelijk vermoeden van schuld is in november 2005 beslist een strafrechtelijk onderzoek te starten en zijn de nodige onderzoeksbevoegdheden ingezet. In januari 2006 is DNB hierover in een tripartiet overleg (hierna: TPO) geïnformeerd. Het Convenant, noch de Nota inzake het handhavingsbeleid van de AFM, DNB en de Pensioen- en verzekeringskamer stond aan deze beslissing in de weg. De beslissing om een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen in te stellen ligt immers alleen bij het Openbaar Ministerie. Een overtreding van de Wtk 1992 maakt dit niet anders; die verdenking bepaalt alleen dat informatie gedeeld moet worden met de toezichthouder. Gezien de ernst van de overtreding van de Wtk 1992 heeft DNB zelf ervoor gekozen aangifte te doen tegen FCIB N.V. DNB heeft daarin niet gehandeld in strijd met haar toezichtstaak. Splitsing in een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen en een optreden van DNB tegen overtreding van de Wtk 1992, was gezien de ernst van de verdenking en de waarheidsvinding, niet aangewezen en niet werkbaar. De latere aangebrachte splitsing doet daar niet aan af, deze was slechts ingegeven uit praktische overwegingen. Het Openbaar Ministerie heeft dus niet gehandeld in strijd met het beginsel van subsidiariteit.
- d)Ter zake van de uitvoering van het strafrechtelijk onderzoek. Het handelen van het Openbaar Ministerie was proportioneel. De bewoordingen die in het FIOD-journaal gebruikt zijn, kunnen niet gezien worden als een richtsnoer voor het strafrechtelijk onderzoek. Het Openbaar Ministerie heeft de bewuste bewoordingen zelf ook pas in juni 2011 onder ogen gekregen, tegelijk met de verstrekking van de relevante delen van het FIOD-journaal aan de verdediging. Van een onrechtmatige stillegging van het bankbedrijf kan evenmin worden gesproken. Ten tijde van de doorzoeking op 5, 6 en 7 september 2006, heeft het Openbaar Ministerie gebruik gemaakt van de bevoegdheden ex de artikelen 124 en 125 Sv, zijnde maatregelen om de orde tijdens de doorzoeking te handhaven, respectievelijk om het wegmaken van bewijs te voorkomen. Er is geen sprake geweest van een stillegging in de zin van de Wet Economische Delicten (hierna: WED). De ter discussie gestelde verbreking van alle externe verbindingen van computersystemen, viel onder de maatregel om het wegmaken van bewijs te voorkomen. Er was namelijk geen volledige controle op behoud van de gegevens mogelijk, omdat de doorzoeking van de locatie in India niet tegelijkertijd uitgevoerd kon worden. Daarbij kwam nog dat tevens werd gezocht met als doel conservatoire beslaglegging. Met de verbreking kon worden voorkomen dat gelden weggesluisd konden worden. De maatregel gold tot 7 september 2006 om 15.50 uur, daarna stond het betrokkenen vrij de externe verbinding te herstellen. Deze maatregel was aldus redelijkerwijs nodig en is op redelijke wijze toegepast. Met betrekking tot de vordering ex artikel 126 nd Sv overweegt het Openbaar Ministerie dat de FIOD-ECD bij de uitreiking van de vordering met een machtiging van de rechter-commissaris gebruik heeft gemaakt van het wettelijke opsporingsmiddel ‘observatie’. Dit was niet in strijd met de wet. De beoordeling door de rechtbank Het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, berust op twee hoofdpijlers, te weten
- a)er was geen redelijk vermoeden van schuld, en b, c en
- d)de verdachten zijn ten onrechte en disproportioneel strafrechtelijk aangepakt. Ad
- a)Voor de beoordeling van het redelijk vermoeden van schuld van de verdachten zal de rechtbank ingaan op de informatie zoals deze in AH-01 is geverbaliseerd. De rechtbank leidt uit de verklaring van getuige [getuige1], verbalisant van de FIOD-ECD en tevens opsteller van AH-01, af dat deze informatie aanleiding was om in het (tripartiet) overleg van 14 november 2005 te besluiten over te gaan tot een strafrechtelijk onderzoek jegens de drie verdachten. Het redelijk vermoeden van schuld is blijkens deze ambtshandeling met name gebaseerd op het volgende. I) informatie die uit Groot Brittannië is ontvangen via de Fiscal Liaison Officer van de Britse ambassade te Den Haag in de periode tussen augustus en oktober 2005. Deze informatie behelsde, kort weergegeven: • diverse Engelse strafrechtelijke onderzoeken hebben vastgesteld dat verdachte Engelse bedrijven die onderdeel uitmaken van BTW-carrousels bankrekeningen aanhouden bij FCIB N.V.; • FCIB N.V. is geregistreerd op de Nederlandse Antillen en is volledig eigendom van en wordt geleid door [verdachte1]; • [verdachte2] zou een controlling interest hebben in FCIB N.V. en zou wonen in Berg en Dal; • om in opdracht van verdachte bedrijven die onderdeel uitmaken van BTW-carrousels transacties in Britse ponden uit te voeren heeft FCIB N.V. een pondenrekening bij Barclay’s aangehouden; • deze rekening bij Barclay’s is in de periode van 5 april 2005 tot en met 10 juni 2005 gecontroleerd waarbij diverse bedrijven en natuurlijke personen zijn geïdentificeerd. Van deze (rechts)personen is bekend dat ongeveer 45% betrokken is bij BTW-carrouselfraude. Van de andere 55% wordt vermoed dat zij betrokken zijn bij BTW-carrouselfraude dan wel op enige andere manier verbonden zijn aan BTW-carrouselfraude; • Barclay’s heeft FCIB N.V. laten weten dat zij deze pondenrekening heeft gesloten vanwege de verdachte aard en stijging van de omzet op deze rekening van 60 miljoen Britse pond per maand naar meer dan 1 miljard Britse pond per maand in de afgelopen 14 maanden; • FCIB N.V. zou haar Britse pondenrekening verplaatst hebben naar de Rabobank via de correspondentbank HSBC; • vastgesteld is dat zeker 11 Nederlandse bedrijven die vermoed worden betrokken te zijn bij BTW-carrouselfraude een bankrekening aanhouden bij FCIB N.V.; • [verdachte2], (Bedrijfsnaam)hebben het bedrijf TWPS UK Ltd. opgezet om nieuwe klanten voor FCIB N.V. te ‘screenen’. II) informatie van het Centraal Punt BTW-fraude binnen de FIOD-ECD , die - kort weergegeven - erop neer komt dat: • in het laatste halfjaar zo ongeveer alle buitenlandse en Nederlandse ondernemingen die verdacht werden van BTW-carrouselfraude, gebruik maken van bankrekeningen bij de FCIB. Het ging in die periode om tientallen bedrijven; • van de 11 Nederlandse bedrijven genoemd in de Engelse informatie, werden er 4 verdacht in een lopend strafrechtelijk onderzoek van de FIOD-ECD. In alle gevallen betrof het BTW-fraude met mobiele telefoons. III) informatie uit een onderzoek bij de FIOD-ECD Haarlem : in een strafrechtelijk onderzoek naar trustkantoor Mutual Trust is een fax van FCIB N.V. met als correspondentieadres een adres in Berg en Dal aangetroffen en een e-mail van Mutual Trust waarin werd gemeld dat er bankrekeningen bij FCIB N.V. geopend worden en dat al het FCIB-materiaal verstuurd moest worden naar [betrokkene1] van FCIB N.V. te Berg en Dal. IV) informatie uit een onderzoek door de FIOD-ECD naar een BTW-carrousel : Door de FIOD-ECD vindt onderzoek plaats naar een BTW-carrousel. In dat onderzoek zijn telefoongesprekken opgenomen en afgeluisterd. Daarbij is een gesprek opgenomen en afgeluisterd tussen een verdachte en ene [betrokkene2] (fonetisch), die verantwoordelijk is voor de rekeningen van verdachte bij de FCIB. Dit gesprek gaat over allerlei vragen die deze verdachte moet beantwoorden in het kader van het Enhanced Due Diligence (EDD) beleid van FCIB N.V.. Verdachte wil die informatie niet verschaffen en overweegt om de relatie met FCIB N.V. te stoppen. [betrokkene2] zegt onder ander het volgende: (…) “dat acht van de tien rekeningen die ik op het moment open van nieuwe bedrijven zijn waarvoor de EDD onmogelijk is te beantwoorden, volslagen onmogelijk.” “Nou het probleem is we acht bevriezingsopdrachten gehad en we hebben twaalf liquidaties gehad tot nu toe (…) Het grootste deel van de business is in de UK. Welnu de (ntv) strategie is om daar uit te komen en dat is waar [verdachte1] (fon) de eigenaar van de bank zegt: Okee, laten we uit de mobiele telefoons gaan niet door de rekeningen te sluiten maar de rest van de business uit te breiden naar meer dan mobiele telefoons en meer dan alleen CPU’s en zo en laten we uit de UK vertrekken” (…) , we komen in een situatie waarin je een FCIB (staat STIB) rekening nodig hebt om met sommige mensen te handelen…Wanneer je die mensen bekijkt. Een aantal van die mensen is niet bepaald legitiem…De reden waarom zij een FCIB rekening willen is dat dat geld daarginds moet zijn, hele grote bedragen geld moeten daarginds zijn voor de kortst mogelijke…en ze kunnen enige controle uitoefenen op de rekening maar dat is geen enkele manier een garantie voor legitimiteit.” “Maar wat wij aan het doen zijn, we omzeilen (cheating) eigenlijk het systeem… We zijn een offshore bank, we hebben een bankiersvergunning in Curaçao maar dankzij mensen zoals ik opereren we eigenlijk ongeoorloofd (zachtjes) in Luxemburg bijvoorbeeld of in Nederland.” (…) “Nee, we hebben het heel goed gedaan, maar we hebben het gedaan…als we het over wettigheid hebben, dan moet ik een beetje lachen want de bank is net zo min legitiem als jou bedrijf. Verdachte zegt Nee, dat is waar. Om precies dezelfde reden, ergens in de wasmachine waarin we al dit geld rond en rond en rond laten draaien in cirkels maakt de bank duidelijk winst. Verdachte zegt Ja natuurlijk. Jij zou het kunnen zijn maar zou je dat laten weten. Verdachte zegt: Ja want wij zijn, herinner ik me ook, ik geloof dat het door [betrokkene4] was benaderd onder het voorwendsel van okee dit is een nieuwe bank die in het leven is geroepen speciaal voor de telecommunicatie/IT industrie omdat wij weten dat het moeilijk is voor jullie om rekeningen te openen en dat soort dingen. Dus zo werd het al gepresenteerd.” (…) “ik bedoel, bijvoorbeeld, …, hoef ik mij niet aan het bankgeheim te houden omdat ik geen onderdeel ben van de bank… En ze willen niet dat ik onderdeel van de bank ben omdat anders de cssf/csss in Luxemburg bij mij aan zou komen kloppen en zeggen: we begrijpen dat u de bank vertegenwoordigt, waar is uw vergunning?” “En daarom als jij in die EDD procedure alleen die dingen invult die je wilt invullen” (…) “[betrokkene2] zegt dat hij alleen hoeft te beoordelen of iets slecht is voor de bank (hij lacht). Niet of iets wetmatig is.” “hij zegt dat .. (verdachte) maar dat moet invullen waar ze mee kan leven. Als een vraag haar niet lekker zit hoeft ze hem niet te te vullen en [betrokkene2] zal haar voor 100% steunen… Verdachte vraagt het is OK om te vragen om het te verschaffen maar vertel ons ten minste wat jullie gaan doen… [betrokkene2] lacht en zegt dat ze er niks mee doen” “Ik bedoel als de bank, waar ik kritiek op [[verdachte1] heb is dat… als de bank bereid was geweest om het wat langzamer aan te doen, dan hadden we het veel beter kunnen doen… Omdat hij er 50 miljoen dollar in gestoken heeft hij iedereen de instructie gegeven om rekeningen binnen te halen.” “En [betrokkene4] liep rond met een visitekaartje van de STIB (opmerking verbalisant; moet zijn FCIB) op zak maar in feite zouden de Nederlandse autoriteiten op elk moment kunnen zeggen: wacht eens even jullie praktiseren eigenlijk in Nederland en daarom heb je een Nederlandse bankiersvergunning nodig en dat is het randje waarlangs we lopen.” (…) De rechtbank voegt hieraan toe dat [betrokkene2] later is geïdentificeerd als [betrokk[betrokkene2], marketeer van FCIB N.V. Deze feiten en omstandigheden zoals geschetst in de ambtshandeling leiden volgens de verbalisant [getuige1] tot de volgende redelijke vermoedens van schuld: - dat [verdachte1] en [verdachte2]] op de hoogte waren van het feit dat via FCIB N.V. miljarden aan criminele gelden afkomstig van BTW-carrouselfraude werden overgeboekt waardoor zij zich schuldig zouden maken aan het plegen van opzet- en gewoontewitwassen; - dat door hen vanuit Nederland bankactiviteiten werden verricht zonder daartoe een vergunning van DNB te hebben verkregen hetgeen strafbaar is gesteld in artikel 82 Wtk 1992. De eerste pijler van het verweer van de verdediging komt erop neer dat er geen redelijke verdenking jegens verdachten bestond, nu de van HMRC ontvangen informatie (aanwijzingen 5 en 6 onder I) destijds niet is geverifieerd en achteraf onjuist bleek te zijn, terwijl deze informatie bij eerste lezing al aanleiding gaf om kritische vragen te stellen. De overige aanwijzingen zijn - steeds op zichzelf bekeken - onvoldoende voor een redelijke verdenking. De rechtbank verwerpt dit verweer. De percentages die in aanwijzing 5 onder I worden genoemd, zouden - op zichzelf staand en als zodanig beoordeeld - vragen kúnnen oproepen, maar tegen de achtergrond van de overige aanwijzingen en het interstatelijke vertrouwensbeginsel, was de onduidelijkheid niet van zodanige aard dat de aanwijzing als van onwaarde beschouwd moest worden. Er was, naar het oordeel van de rechtbank, ten tijde van de verkrijging van de percentages geen concrete aanleiding om te twijfelen aan de juistheid ervan en derhalve mochten verbalisanten op deze informatie afgaan. Lopende het onderzoek is gebleken dat een nadere onderbouwing van de cijfers aanvankelijk uitbleef. Deze is pas gekomen door een schriftelijke getuigenverklaring van [getuige2] d.d. 7 augustus 2006 en herhaald in haar verhoor in februari 2012 . Hieruit volgt dat zij tweemaal een spreadsheet met 451 particulieren en ondernemingen had onderzocht. Het eerste onderzoek in oktober 2005 wees uit dat ongeveer 45% van de 451 entiteiten bij de Britse autoriteiten bekend stonden als betrokken bij BTW-carrouselfraude of verdacht werden van betrokkenheid bij BTW-carrouselfraude. [getuige2] gaf tevens aan dat ze toen niet alles volledig had kunnen controleren. Een tweede onderzoek, in juni 2006 wees uit dat 77,4 % van 411 entiteiten op de spreadsheet konden worden geïdentificeerd als zijnde actieve deelnemers in BTW-carrouselfraude, danwel verdacht van actieve deelname in BTW-carrouselfraude. Over aanwijzing 6 onder I is lopende het onderzoek, te weten vanaf 23 mei 2006 bekend geworden dat de cijfers van Barclay’s die in augustus 2005 waren verstrekt, onjuist waren en dat de omzet van 180 miljoen Britse ponden per maand is gestegen naar 651 miljoen Britse ponden per maand in een periode van 3 maanden in 2005. Deze later bekend geworden informatie zwakt weliswaar de aanwijzingen wat af, maar doet naar het oordeel van de rechtbank niet een dusdanige afbreuk aan de waarde van de Britse aanwijzingen dat deze daarmee van onwaarde zouden zijn. Gelet op de totaliteit van de hierboven aangehaalde Britse en Nederlandse aanwijzingen, zoals geverbaliseerd in AH-01, is de rechtbank van oordeel dat destijds, in november 2005 en ook in september 2006 sprake was van een redelijke verdenking jegens de verdachten en dat deze redelijke verdenking daarna, ondanks de later bekend geworden informatie, voor het grootste gedeelte in stand is gebleven. Ad b),
- c)en
- d)Verkort weergegeven voert de verdediging aan dat de zaak ten onrechte strafrechtelijk is aangepakt met als vooropgezet doel om de bank ‘op te blazen’. Daarmee en daarbij heeft het Openbaar Ministerie gehandeld in strijd met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. De omstandigheid dat de eigenaar van FCIB N.V., [verdachte1], en de directeur van FCIB N.V., [verdachte2] de Nederlandse nationaliteit hadden bood naar het oordeel van de rechtbank destijds voldoende aanknopingspunten om een onderzoek naar FCIB N.V. in Nederland in te stellen. Het feit dat het nagaan van de handel en wandel van FCIB N.V. door Britse of Curaçaose autoriteiten wellicht ook mogelijk was geweest, doet hieraan niet af. Over de beslissing om de zaak van meet af aan strafrechtelijk op te pakken, hebben verschillende getuigen verklaard. De getuigen die vanaf het begin betrokken waren en nog concrete herinneringen eraan hebben, zijn [getuige1], en [getuige3], voorzitter kennisgroep witwassen bij FIOD-ECD. Beiden hebben verklaard dat van meet af aan sprake was van een onderzoek naar witwassen door FCIB N.V. [getuige3] vult dit nog aan door te verklaren dat AH-02 van 25 november 2005, de aanvulling op AH-01, mede bedoeld was om de verdenking met de Wtk 1992 uit te breiden. Ten tijde van het opmaken van AH-02 was het strafrechtelijk onderzoek naar (voornamelijk witwassen) al geaccepteerd in het overleg van 14 november 2005. Uit de journaalpost van 23 november 2005 blijkt dat DNB in de persoon van [afdelingshoofd DNB], afdelingshoofd van het expertisecentrum van DNB, toen, op 23 november 2005, weet had gekregen van het onderzoek en had toegezegd dat twee medewerkers van DNB zich zouden gaan ‘inlezen’. [getuige3] heeft omtrent dit laatste verklaard dat hij eind 2005 een gesprek heeft gehad met [afdelingshoofd DNB] over het inhuren van expertise van DNB om de Wtk-aspecten te beoordelen. Uit correspondentie tussen DNB en het Openbaar Ministerie leidt de rechtbank af dat DNB normaliter een zelfstandig onderzoek zou verrichten maar, nu in deze zaak al een strafrechtelijk onderzoek liep, daarvan vooralsnog heeft afgezien. Dit om te voorkomen dat het strafrechtelijk onderzoek op enigerlei wijze zou worden doorkruist. [afdelingshoofd DNB] heeft hieromtrent verklaard dat DNB op verzoek van het Openbaar Ministerie niet een zelfstandig onderzoek had ingesteld en dat een toezichthouder daarnaast ook niet een strafrechtelijk onderzoek wil frustreren . Op basis van informatie van het Openbaar Ministerie heeft DNB vlak vóór de actiedag op 5 september 2006 een redelijk vermoeden van overtreding van toezichtwetgeving kunnen formuleren en na de actiedag was het risico dat het strafrechtelijk onderzoek zou kunnen worden gefrustreerd, vervallen. Daarom is DNB pas toen een zelfstandig onderzoek begonnen, aldus [afdelingshoofd DNB]. De rechtbank leidt uit het bovenstaande af dat het strafrechtelijk onderzoek dat op 14 november 2005 is gestart, vooral was gebaseerd op de verdenking inzake het opzet- en gewoontewitwassen, zijnde commune delicten. Om daarnaast de verdenking van overtreding van toezichtwetgeving te kunnen beoordelen, is kennelijk expertise van DNB ingehuurd. Op verzoek van het Openbaar Ministerie heeft DNB geen zelfstandig onderzoek uitgevoerd om zo het strafrechtelijk onderzoek niet te frustreren. Pas nadat dit risico was weggevallen, is DNB een eigen onderzoek gestart. Van enige druk op DNB om het Openbaar Ministerie te volgen in een strafrechtelijke aanpak is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De rechtbank ziet in de vorderingen tot het inzetten van bijzondere opsporingsmiddelen onderbouwing voor het oordeel dat het zwaartepunt van de verdenking lag bij het opzet- en gewoontewitwassen, nu het overgrote deel van de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal is gegrond op die verdenking en ook de doorzoeking van het pand aan de [adres] met name was gebaseerd op een verdenking inzake het plegen van opzet- en gewoontewitwassen en het deelnemen aan een criminele organisatie. De ernst van de verdenking inzake opzet- en gewoontewitwassen naast die inzake overtreding van financiële toezichtwetgeving, biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende grondslag voor het op dat moment maken van de keuze voor een geheel strafrechtelijke aanpak in plaats van een splitsing in een bestuursrechtelijke aanpak van overtreding van de toezichtwetgeving en een strafrechtelijke aanpak van het commune delict, waarbij de in die fase bestaande verwevenheid van de verschillende verdenkingen alsmede het opsporingsbelang een rol kan spelen. Het in een veel later stadium splitsen van het onderzoek in GVO I en GVO II had - zo begrijpt de rechtbank - vooral als reden het ‘behapbaar’ houden van het onderzoek en het voorkomen van nodeloze vertraging. Gelet op de omvang van het totale onderzoek acht de rechtbank dit een verdedigbare keuze. Deze splitsing behelsde bovendien niet een splitsing in enerzijds uitsluitend overtreding van de toezichtswetgeving en anderzijds commune delicten, nu het strafbare feit ‘deelneming aan een criminele organisatie’ (artikel 140 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr)) onderdeel uitmaakt van GVO I. Met betrekking tot de door de verdediging gestelde strijd met het toen geldende Convenant , kan aan de verdediging worden toegegeven dat uit het dossier niet blijkt dat het Openbaar Ministerie overleg heeft gevoerd met DNB alvorens te beslissen tot het volgen van de strafrechtelijke aanpak. Daar staat tegenover in de eerste plaats dat het Convenant ziet op overtreding van de toezichtswetgeving en dat, zoals hiervoor overwogen, in casu het zwaartepunt lag bij de verdenking van commune delicten. In de tweede plaats is, zoals hiervoor eveneens overwogen, in een zeer vroeg stadium contact tot stand gekomen tussen het Openbaar Ministerie en de FIOD-ECD enerzijds en DNB anderzijds, hetgeen heeft geleid tot betrokkenheid van medewerkers van DNB bij het onderzoek. Gelet op het bovenstaande en tegen de achtergrond van het feit dat het convenant geen keuzes voorschrijft, maar vooral aanstuurt op afstemming, is de rechtbank van oordeel dat niet zodanig is afgeweken van het convenant dat dit strafrechtelijke consequenties moet hebben, laat staan dat het zou moeten leiden tot een zo zware sanctie als de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De verdediging ziet in de wijze waarop de aangifte door DNB tot stand is gekomen, eveneens een aanwijzing dat het Openbaar Ministerie DNB buiten spel heeft gezet. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt. In het bovenstaande is uiteengezet dat DNB kort voor de actiedag op 5 september 2006 een redelijk vermoeden van een overtreding had geformuleerd op basis van informatie die door de FIOD-ECD was verstrekt en daarna een zelfstandig onderzoek is gestart. [afdelingshoofd DNB] heeft hierover verklaard dat op verzoek van het Openbaar Ministerie vervolgens op 1 september 2006 een voorlopige beoordeling van de beschikbare informatie is gegeven. Dit verzoek was gericht op het inroepen van expertise van DNB ten aanzien van de juridische duiding van bepaalde feiten. Vervolgens is het onderzoek door DNB gestart en dat hield in dat diverse malen onderzoek ter plaatse werd gedaan en dat stukken en documenten van FCIB N.V. werden bestudeerd. DNB had volgens [afdelingshoofd DNB] geen rol in het strafrechtelijk onderzoek en heeft haar eigen bestuursrechtelijke bevoegdheden gebruikt. Na afronding van dit onderzoek heeft DNB besloten een externe aangifte te doen met als doel om de door DNB geconstateerde overtreding strafrechtelijk te laten bestraffen, omdat enkel een bestuursrechtelijke afdoening ontoereikend was, gezien de ernst van de geconstateerde overtreding. De waarde van een onderzoek door DNB is dat DNB op eigen titel en op basis van eigen bevoegdheden onderzoek verricht en conclusies trekt. Uiteindelijk heeft DNB op 19 december 2007 aangifte gedaan ter zake overtreding van artikel 38, lid 1, Wtk 1992, en artikel 6, lid 1, Wtk 1992. In de tussentijd zijn de voortgang van het onderzoek en de conclusies van DNB steeds in verschillende TPO’s en het ‘Schipholoverleg’ besproken met het Openbaar Ministerie en FIOD-ECD, aldus [afdelingshoofd DNB]. Lopende het onderzoek is de conclusie van DNB verschoven van overtreding van de artikelen 38 en 82 Wtk 1992 in de voorlopige beoordeling, naar overtreding van de artikelen 38 en 6 Wtk 1992. Tijdens het ‘Schipholoverleg’ hebben OM en DNB hun standpunten afgestemd. Het Openbaar Ministerie en FIOD-ECD hebben toen uiteengezet hoe zij de casus in de juridische context zagen. De aangifte zelf geeft het standpunt van DNB weer. [betrokkene5] bevestigt dat DNB haar eigen kwalificatie en beoordeling maakt, ondanks dat DNB voorafgaand aan het Schiphol-overleg uitsluitend aangifte wilde doen van overtreding van artikel 38 Wtk 1992. [betrokkene6] heeft hieromtrent verklaard dat het Openbaar Ministerie DNB wilde overtuigen van de overtreding van artikel 6 Wtk 1992 en daarop is afgesproken dat DNB opnieuw naar de kwestie zou kijken. DNB is uiteindelijk overtuigd geraakt van de argumenten van het Openbaar Ministerie. De rechtbank ziet in de gang van zaken die heeft geleid tot de aangifte zoals deze thans voorligt en de rol van het Openbaar Ministerie hierin, het voeren van een juridische discussie. Het staat beide partijen vrij om over de juridische duiding van een feitencomplex een discussie te voeren. Medewerkers van DNB hebben stellig aangegeven dat de aangifte het standpunt van DNB is. Daarbij merkt de rechtbank overigens op dat het primaat in de aangifte van DNB nog steeds bij overtreding van artikel 38 Wtk 1992 ligt. De rechtbank is bovendien op geen enkele wijze gebonden aan de inhoud van de aangifte en dient zich een zelfstandig oordeel te vormen. Er is de rechtbank niet gebleken van door het Openbaar Ministerie uitgeoefende ongeoorloofde druk op DNB. De rol van het Openbaar Ministerie in dezen kan derhalve niet leiden tot de conclusie dat het niet-ontvankelijk zou dienen te worden verklaard in de strafvervolging. Door de verdediging is vele malen gewezen op een aantekening in het FIOD-journaal van 28 september 2005, waarin als doel is verwoord het opblazen van FCIB N.V., het ontnemen van het wederrechtelijk voordeel en het veroordelen van verdachten FCIB N.V., [verdachte1] en [medeverdachte2]. De vraag is hoe deze aantekening moet worden gewogen. Daarnaast is de vraag of deze aantekening aan het Openbaar Ministerie kan worden tegengeworpen. De rechtbank neemt het volgende in aanmerking. In de eerste plaats is van belang dat het FIOD-journaal een stuk is dat bestemd is voor intern gebruik. In dat licht is het voorstelbaar dat de opsteller van de aantekening zich bij het begin van een - naar het zich laat aanzien - groot onderzoek gechargeerd uitlaat. De rechtbank meent dat de aantekening daarom niet zonder meer letterlijk dient te worden opgevat. In de tweede plaats weegt de rechtbank de datum van de aantekening mee: deze ligt bijna een jaar vóór de datum dat de doorzoekingen en aanhoudingen plaatsvonden. Het OM heeft bovendien aangevoerd dat het zelf pas in juni 2011 kennis heeft genomen van de aantekening. Dit maakt dat de rechtbank onvoldoende aanleiding ziet om aan te nemen dat het handelen van het Openbaar Ministerie in deze zaak heeft plaatsgevonden vanuit een letterlijk nemen van de bewoordingen in het FIOD-journaal, waarmee de bewuste aantekening voor rekening van het Openbaar Ministerie zou kunnen komen. Ook overigens is van een dergelijke grondhouding van het Openbaar Ministerie niet gebleken. Concluderend wordt door de rechtbank aan de aantekening in het FIOD-journaal, ook al zijn de gebruikte bewoordingen bedenkelijk, niet het gewicht toegekend dat de verdediging daaraan klaarblijkelijk wenst toe te kennen. De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie de onderneming van FCIB N.V. onrechtmatig heeft stilgelegd en tevens onevenredig de publiciteit heeft gezocht, waardoor in strijd is gehandeld met het beginsel van proportionaliteit. De rechtbank verwerpt dit verweer. Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat het verbreken van alle externe verbindingen van de computersystemen heeft plaatsgevonden als maatregel om de orde tijdens de doorzoeking te handhaven en om het wegmaken van bewijs te voorkomen en baseert dat op de artikelen 124 en 125 Sv. Het verbreken van de verbindingen, teneinde te voorkomen dat belangrijke gegevens zouden kunnen worden gewist, was volgens het Openbaar Ministerie nodig, omdat de computers onderdeel uitmaakten van een wereldwijd netwerk. Hierbij speelde een rol dat het niet mogelijk was gebleken wereldwijd de verschillende doorzoekingen op hetzelfde tijdstip te laten plaatsvinden. De rechtbank is van oordeel dat artikel 125 Sv de grondslag biedt om dergelijke ordemaatregelen te treffen, teneinde te voorkomen dat belangrijke computergegevens worden gewist. Nu de afgesloten computers onderdeel uitmaakten van een wereldwijd netwerk en de doorzoekingen niet overal op hetzelfde tijdstip konden plaatsvinden, acht de rechtbank het verbreken van de externe verbindingen niet disproportioneel, temeer daar dit beperkt is gebleven tot de dagen waarop de doorzoeking plaatsvond. De verdediging heeft ten aanzien van de publiciteit rond de zaak van verdachten met name gewezen op de persberichten van het Openbaar Ministerie betreffende de actiedag op 5 september 2006, de transactie die is gesloten met een medeverdachte en het optreden van het Openbaar Ministerie in het tv-programma RTL-Boulevard in juni 2011. Met betrekking tot deze publiciteit heeft het Openbaar Ministerie erkend dat de perspublicatie over de transactie met een medeverdachte ongelukkig was geformuleerd. De rechtbank is het daarmee eens en is voorts van oordeel dat het Openbaar Ministerie ook bij het optreden in RTL-Boulevard blijk had dienen te geven van meer terughoudendheid en zakelijkheid in de berichtgeving. Echter, de persuitingen waren niet zodanig dat kan worden gezegd dat door het Openbaar Ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Het verweer van de verdediging dat de start van het onderzoek en de fase daarvoor slechts summierlijk zijn geverbaliseerd, waardoor onvoldoende transparantie is betracht, kan niet slagen. Reeds op 19 december 1995 (NJ 1996, 249) heeft de Hoge Raad bepaald dat artikel 152 Sv slechts ziet op het door het Wetboek van Strafvordering bestreken opsporingsonderzoek, zodat deze bepaling niet van toepassing is op het aan de opsporing voorafgaande onderzoek. Over dat voorafgaande onderzoek overwoog de Hoge Raad dat al naar gelang de aard en de omvang van het onderzoek in die fase verslaglegging in enigerlei vorm niet achterwege mag blijven. De rechtbank leest deze overweging zo dat over die fase met summiere verslaglegging (verslaglegging op hoofdlijnen) kan worden volstaan. De rechtbank heeft geconstateerd dat in diverse ambtshandelingen ( AH-01, AH-02 en AH-09) aan deze verplichting is voldaan. Voor zover daarbij eventueel nog sprake is van lacunes, is er op verzoek van de verdediging aanvullend gerapporteerd en zijn vele getuigen gehoord. Het gegeven dat een aantal getuigen zich van bepaalde contacten en besprekingen weinig details kon herinneren, kan niet aan het Openbaar Ministerie worden tegengeworpen. Voorts heeft de verdediging het Openbaar Ministerie en de FIOD-ECD kokervisie verweten. De rechtbank acht dit niet aannemelijk geworden. Voor zover al sprake zou zijn van het onderbelicht laten van bepaalde onderzoeksterreinen, heeft de verdediging ruimschoots de gelegenheid gehad tot compensatie daarvan, doordat op verzoek van de verdediging zeer veel getuigen zijn gehoord en nader is geverbaliseerd. In het kader van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft de verdediging ook bepleit dat er sprake is geweest van een onrechtmatige vordering ex artikel 126 nd Sv, aangezien deze vordering aan FCIB N.V. werd gericht, terwijl FCIB N.V. reeds verdachte was en tevens dat het Openbaar Ministerie zich in dat kader schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheden. De rechtbank deelt deze visie niet. De vordering ex artikel 126 nd Sv is op 26 juli 2006 uitgereikt op grond van een rechtshulpverzoek van de Engelse autoriteiten. In 0-AH-093 is de achtergrond van dit rechtshulpverzoek toegelicht. De rechtbank heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat FCIB N.V. verdachte was in het Engelse onderzoek, in welk kader het rechtshulpverzoek werd gedaan. In dat geval is het bepaalde in artikel 126 nd, lid 2 jo. lid 1, Sv niet van toepassing. Het feit dat FCIB N.V. in het onderhavige Nederlandse onderzoek op dat moment verdachte was, doet daar niet aan af. Misbruik van bevoegdheden doet zich voor als een bevoegdheid wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze bevoegdheid is gegeven. Dat zou zich in casu voor kunnen doen, indien het Engelse rechtshulpverzoek uitsluitend is gebruikt met het doel een observatie te houden in het kader van het Nederlandse onderzoek. Dat is niet aannemelijk geworden. Het enkele feit dat gebruik is gemaakt van de gelegenheid van de uitvoering van een Engels rechtshulpverzoek om een observatie te kunnen uitvoeren, waarbij aan de formaliteiten voor zo’n observatie is voldaan, maakt deze observatie niet ongeoorloofd. De verdediging heeft het Openbaar Ministerie voorts verweten de rechtbank stelselmatig onjuist te hebben geïnformeerd. De rechtbank verwerpt dit verweer. Er is niet aannemelijk geworden dat het Openbaar Ministerie bewust en stelselmatig onjuiste informatie aan de rechtbank heeft verstrekt, teneinde de rechtbank op het verkeerde been te zetten. De rechtbank begrijpt dat het voor de verdediging nadelig is geweest dat de getuige [cruciale getuige] niet is kunnen worden gehoord. Echter, het niet kunnen horen van deze getuige kan op geen enkele wijze aan het Openbaar Ministerie worden verweten of tegengeworpen. Ten slotte heeft de verdediging betoogd dat HMRC FCIB N.V. anders heeft behandeld dan Engelse banken en dat dit handelen van HMRC relevant is bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, aangezien er sprake was van een ‘joint operation’ van de Nederlandse en Engelse autoriteiten. Ook bij dit verweer zal de rechtbank de verdediging niet volgen. Het gegeven dat er met name in de voorfase van het onderzoek sprake is geweest van een vorm van samenwerking in die zin dat er overleg werd gepleegd en informatie werd uitgewisseld, is volstrekt onvoldoende om te kunnen spreken van een zodanig ‘gezamenlijk onderzoek’ dat gedragingen van HMRC aan het Openbaar Ministerie kunnen worden tegengeworpen of toegerekend. Conclusie Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het optreden van het Openbaar Ministerie weliswaar op onderdelen voor kritiek vatbaar is, maar dat niet kan worden gezegd dat ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling is tekortgedaan. Het Openbaar Ministerie heeft daardoor ook niet in strijd gehandeld met het recht op een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt verworpen. 3. De beslissing inzake het bewijs Inleiding Alvorens de feiten te behandelen, zal de rechtbank ter inleiding ingaan op het concern van verdachte [verdachte1], de positie van FCIB N.V. daarin en de rol van verdachte [verdachte1] en verdachte [verdachte2] binnen dit concern. Concern [Verdachte 1] is eigenaar van een groot aantal bedrijven. Een deel van deze bedrijven valt onder een concern genaamd ‘The Transworld Group’. Hiertoe behoren onder meer de volgende bedrijven: Transworld Oil, Transworld Properties, Transworld Payment Solutions (hierna: TWPS) en Transworld ICT Solutions (hierna: TWICTS). Al deze bedrijven kwamen voort uit de handel van verdachte [verdachte1] in onder meer olie. FCIB N.V. Onshore In 1973 heeft [verdachte1] First Curaçao International Bank N.V. (hierna: FCIB N.V.) opgericht. In de periode van 1973 tot en met 1994 had de FCIB N.V. de functie van een zogenoemde inhouse bank. De bank fungeerde enkel voor The Transworld Group en bood aan Transworld Oil handelskredieten en betalingsdiensten. FCIB N.V. heeft in 1993 een groot aandeel verworven in de Bermuda Commercial Bank (hierna: BCB). Offshore Vanaf 1994 trad de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen in werking op de toenmalige Nederlandse Antillen. De FCIB N.V. heeft in dat jaar een vergunning verkregen als offshore bank. Deze vergunning maakte het mogelijk voor de FCIB N.V. om uit te breiden tot een commerciële bank. De bank mocht zich alleen richten op de markt buiten de Nederlandse Antillen. Werkzaamheden ten behoeve van deze bank werden, in de loop der tijd, verricht vanuit verschillende locaties. Deze locaties waren Curaçao, Berg en Dal, Parijs en Bangalore. Statutair is FCIB N.V. gevestigd te [adres] te Curaçao. [Verdachte1] was van 9 juli 1973 tot en met 30 mei 2005 statutory director / managing director. [Verdachte 2] bekleedde deze functie van 19 februari 1996 tot 9 oktober 2006. FCIB N.V. was 100% aandeelhouder van First Curaçao Banking Corporation (hierna: FCBC). Deze bank bediende uitsluitend affiliated companies. TWPS TWPS valt uiteen in verschillende bedrijven: Transworld Payment Solutions Ltd (Bermuda) (hierna: TWPS Bermuda), Transworld Payment Solutions SAS (hierna: TWPS SAS), Transworld Payment Solutions Ltd (UK) (hierna: TWPS UK) en Transworld Payment Solutions Inc (Miami) (hierna: TWPS Inc.). TWPS Bermuda TWPS Bermuda is een holding en [verdachte1] is eigenaar van deze holding. Het bedrijf is statutair gevestigd op Bermuda. Door middel van een service agreement (hierna: SLA) verricht zij werkzaamheden voor onder meer FCIB N.V. TWPS SAS In 2001 heeft [verdachte1] de onderneming Actix Consulting Sarl gekocht en de naam gewijzigd in TWPS SAS. Het bedrijf was statutair gevestigd in Parijs. In deze onderneming is het project Exactpay ondergebracht en werden, op basis van een SLA, met name IT-werkzaamheden verricht voor FCIB N.V. TWPS UK TWPS UK is gevestigd in Londen (Engeland). Het is voor 100% een dochteronderneming van Transworld Energy Ltd en van deze onderneming is [verdachte1] de eigenaar. TWPS UK voerde verschillende werkzaamheden uit door middel van een SLA voor FCIB N.V. Deze werkzaamheden bestonden onder meer uit het vinden van potentiële klanten voor de producten van FCIB N.V. De potentiële klanten werden benaderd door de marketers van TWPS UK. [betrokkene7] stond in de Employee orientation guide Q2-2005 geregistreerd als ‘upper management’. [betrokkene8] en [betrokkene2] stonden onder meer geregistreerd als ‘sales’. TWPS Inc TWPS Inc is gevestigd te Miami. Sinds 15 augustus 2000 bestaat een SLA tussen TWPS Inc en First Curaçao Ltd. De taken waren marketing support, customer service, training, compliance support en marketing materials. TWICTS Eind 2001 heeft verdachte [verdachte1] een eigen softwareontwikkelingbedrijf opgericht, genaamd TWICTS. Het bedrijf is gevestigd te Bangalore in India. Het is een dochteronderneming van TWICT Holdings Limited. [verdachte1] is enig aandeelhouder van TWICTS. Sinds 1 juni 2001 is een SLA afgesloten met First Curaçao Ltd. Vanaf april 2005 werden de compliance-werkzaamheden ten behoeve van FCIB N.V. door TWICTS verricht in plaats van door TWOCC B.V. Daartoe is de afdeling ‘Risk Management and Compliance’ (hierna: RMC) opgericht. Daarnaast werden door TWICTS werkzaamheden met betrekking tot website-development, e-banking platform en customer support en operations verricht. TWOCC B.V. Transworld Oil Computer Centrum B.V. (hierna: TWOCC B.V.) is op 5 september 1977 opgericht en statutair gevestigd te Berg en Dal in Nederland. De formele bedrijfsomschrijving is het exploiteren van een computercentrum en administratiekantoor. [verdachte 2] is vanaf de oprichting directrice van deze onderneming. Sinds 2004 is Transworld Energy Ltd eigenaar. Tussen FCIB N.V. en TWOCC B.V. bestond een samenwerking op grond van een SLA. Op basis van deze SLA voerde TWOCC B.V. verschillende werkzaamheden uit voor/namens FCIB N.V. De SLA is per 1 januari 1989 in werking getreden en gewijzigd per 1 november 1996, en wederom per 1 februari 2002. TWOCC B.V. verricht ook werkzaamheden voor een groot aantal andere bedrijven binnen de Transworld Group. Beoordeling overtreding artikel 6 Wtk 1992: De verdenking [Verdachte 1] wordt, verkort weergegeven, verweten dat FCIB N.V. in de periode van 31 december 2001 tot en met 31 augustus 2006, al dan niet tezamen en in vereniging met TWOCC B.V., te Berg en Dal als een in Nederland gevestigde onderneming of instelling zonder vergunning van DNB opzettelijk het bedrijf van kredietinstelling heeft uitgeoefend, door haar bedrijf te maken van het ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen en/of beleggingen. In eerste instantie wordt verdachte verweten dat hij hiertoe opdracht heeft gegeven en/of hieraan feitelijk leiding heeft gegeven. In tweede instantie wordt verdachte verweten genoemd feit te hebben medegepleegd. De standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging Het Openbaar Ministerie acht wettig en overtuigend bewezen dat FCIB N.V. het feit tezamen en in vereniging met TWOCC B.V. heeft begaan. Verdachte heeft hieraan feitelijk leiding gegeven. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Op het verweer wordt, voor zover nodig, hieronder ingegaan. De beoordeling door de rechtbank Wat houdt het begrip ‘kredietinstelling’ in? In artikel 1, lid 1 onder a, ten eerste Wtk 1992 wordt als definitie van het begrip ‘kredietinstelling’ gegeven: een onderneming of instelling die haar bedrijf maakt van het ter beschikking verkrijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden en het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen of beleggingen. ‘Onderneming of instelling’ formeel of materieel in te vullen? In de memorie van toelichting (hierna: MvT) bij de Wtk 1992 wordt hierover het volgende opgemerkt: “Ten aanzien van de in artikel 1 Wtk 1992 voorziene definitie van ‘kredietinstelling’ wordt benadrukt dat het een materiële definitie betreft. Iedere onderneming of instelling die de facto het bedrijf maakt van het ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen of beleggingen, is daarmee een kredietinstelling, tenzij de onderneming of instelling ingevolge artikel 1, derde en vierde lid, Wtk 1992 niet als kredietinstelling in de zin van deze wet wordt beschouwd.” In artikel 4 van de Beleidsregel 2005 kernbegrippen markttoetreding en handhaving Wtk 1992 (hierna: Beleidsregel 2005) is als definitie van ‘onderneming of instelling’ opgenomen: I. Voor de beoordeling of wordt gesproken van een “onderneming of instelling”wordt aangesloten bij de aard van de desbetreffende rechtspersoon, personenvennootschap, feitelijke organisatiestructuur, dan wel hun equivalenten naar buitenlands recht. Een natuurlijke persoon kan niet als instelling worden aangemerkt. Indien door een natuurlijke persoon wordt gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, kan deze natuurlijke persoon wel als onderneming worden aangemerkt. II. (Rechts)personen kunnen samen formeel of materieel één onderneming vormen, waardoor vervolgens ieder van de (rechts)personen als vallend onder de definitie van het eerste lid wordt aangemerkt. In de toelichting op deze definitie wordt onder meer het volgende gesteld: “Het gaat om de feitelijke organisatie, niet om de formele vormgeving. Verschillende rechtspersonen kunnen samen één onderneming vormen. Het opsplitsen van activiteiten in verschillende rechtspersonen betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat die afzonderlijke eenheden niet langer als een onderneming of instelling worden beschouwd, aangezien zij gezamenlijk één onderneming of instelling kunnen vormen. Indien bijvoorbeeld verbonden rechtspersonen de administratie, het briefpapier en de geldstromen door elkaar laten lopen, en een en ander niet helder in overeenkomsten vastligt, wordt ieder van die rechtspersonen aangemerkt als degene die de onderneming of instelling voert, ook indien formeel slechts een deelsegment van de handeling door de betreffende (rechts)persoon wordt verricht. In beginsel wordt echter niet door een rechtspersoon heengekeken, tenzij de feitelijke werkzaamheden hier aanleiding toe geven.” In de aan de Beleidsregel 2005 voorafgaande Beleidsregel kernbegrippen markttoetreding en handhaving Wtk 1992 uit 2002 (hierna: Beleidsregel 2002) was een nagenoeg gelijkluidende definitie en toelichting opgenomen. In een civielrechtelijke beschikking d.d. 24 juni 2005 heeft de Hoge Raad bevestigd dat uit de wetsgeschiedenis van de Wtk 1992 volgt dat de term ‘onderneming’ in deze wet in ruime zin moet worden opgevat. In zijn conclusie bij deze beschikking heeft de Advocaat-generaal mr. J. Spier eveneens overwogen dat uit de wetsgeschiedenis volkomen duidelijk blijkt dat het begrip onderneming in ruime zin moet worden begrepen. De AG voegt daaraan toe dat de invulling die DNB in haar beleidsregel aan het wettelijk criterium heeft gegeven, strookt met de onmiskenbare bedoeling van de wetgever en met de tekst van de wet. Uit het vorenstaande concludeert de rechtbank, mede gelet op het feit dat genoemde Beleidsregels genoegzaam publiekelijk bekend zijn gemaakt, dat het begrip ‘onderneming of instelling’ niet formeel, maar materieel (feitelijk) dient te worden geïnterpreteerd en dat verschillende rechtspersonen samen één onderneming kunnen vormen. Hoe dient ‘in Nederland gevestigd’ te worden geïnterpreteerd? De rechtbank merkt op dat de Wtk 1992 hierover geen definitiebepaling bevat. Gelet hierop zal de rechtbank nagaan of er aanknopingspunten te vinden zijn in de tekst van de wet, het systeem van de wet en de strekking van de wet. Als het gaat om de tekst van de wet meent de rechtbank dat het woord ‘gevestigd’ eerder lijkt te duiden op een formele interpretatie in de zin van een statutaire of reglementaire vestiging, dan op een materiële interpretatie. De rechtbank is het met de verdediging eens dat niet alleen de jurist, maar ook de gemiddelde burger bij de woorden ‘een in Nederland gevestigde onderneming of instelling’ zal denken aan de statutaire of reglementaire vestigingsplaats en dat deze uitleg derhalve aansluit bij het normale spraakgebruik. Het al dan niet in Nederland gevestigd zijn neemt een prominente plaats in het systeem van de Wtk 1992 in. Het toepassingsgebied van onderscheiden hoofdstukken is afgebakend aan de hand van de plaats waar de kredietinstelling is gevestigd. Hoofdstuk II is gewijd aan kredietinstellingen die in Nederland zijn gevestigd, hoofdstuk III aan kredietinstellingen die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd en hoofdstuk IV aan kredietinstellingen die in een Staat, die niet een Lid-Staat is, zijn gevestigd. De Wtk 1992 is, zo blijkt ook uit de memorie van toelichting, tot stand gekomen ter implementatie van de (verkort weergegeven) Tweede Coördinatierichtlijn (89/646/EEG), verder te noemen Tcr. In de achtste inleidende overweging van de considerans van de Tcr is verwoord ‘dat voor de toepassing van deze richtlijn een kredietinstelling geacht wordt zich te bevinden in de Lid-Staat waar haar statutaire zetel is gelegen en dat de Lid-Staten moeten eisen dat het hoofdkantoor zich bevindt in de Lid-Staat waar de statutaire zetel is gevestigd’. Juist vanwege het feit dat de Tcr aan de basis ligt van de Wtk 1992 is de rechtbank van oordeel dat dit een belangrijke aanwijzing is in de richting van een formele interpretatie. De zojuist genoemde hoofdstukindeling, die onderscheid maakt al naar gelang de plaats van vestiging (Nederland, een andere Lid-Staat en een Staat, niet zijnde een Lid-Staat), heeft als achtergrond - zo heeft ook het Openbaar Ministerie bevestigd in zijn requisitoir en repliek - de invoering van het ‘home state control’-principe: er moet duidelijk zijn welk land de primaire verantwoordelijkheid voor het financiële toezicht draagt. De toezichthouder is ook de vergunningverlenende instantie, waarbij de wet uitgaat van in beginsel één vergunningverlening door één toezichthouder als het gaat om een volledige bankvergunning, tenzij er sprake is van een moeder-dochterverhouding, waarbij de moeder onder een andere Staat en toezichthouder valt dan de dochter. De MvT bij de Wtk 1992 bevat de volgende passage met betrekking tot de categorie ‘ondernemingen of instellingen die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd’: “3.47 Met betrekking tot deze ondernemingen of instellingen is er ten opzichte van de bestaande situatie in wezen niets gewijzigd. Ook voor hen geldt dat zij het bedrijf van kredietinstelling op drie manieren in Nederland kunnen uitoefenen. Indien het bedrijf van kredietinstelling door middel van een dochterkredietinstelling wordt uitgeoefend, is het verbod ex artikel 5 Wtk 1992” (later vernummerd tot artikel 6)” van toepassing. Wordt het bedrijf van kredietinstelling via een Nederlands bijkantoor uitgeoefend, dan wordt in artikel 36 Wtk 1992” (later vernummerd tot artikel 38)” het verbod ex artikel 5 Wtk 1992” (later vernummerd tot artikel 6)” van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingeval door een buiten de Gemeenschap gevestigde kredietinstelling grensoverschrijdend in Nederland diensten worden verricht, is er, met het oog op de belangen die deze wet beoogt te beschermen, alleen een noodzaak iets te regelen indien gelden van het publiek worden aangetrokken. Een vergunningsplicht uit hoofde van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is dan niet aan de orde. Evenals onder de Wet toezicht kredietwezen 1978 kan worden volstaan met het verbod in artikel 78 Wtk 1992” (later vernummerd tot artikel 82) “om gelden van het publiek aan te trekken.” In de memorie van toelichting is direct volgend op deze passage een schematische weergave opgenomen van het verbodstelsel inzake het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling. In dit schema wordt met betrekking tot de situaties van enerzijds een onderneming of instelling die in een andere Lid-Staat is gevestigd en anderzijds een onderneming of instelling die buiten de Gemeenschap is gevestigd steeds een onderscheid gemaakt in drie situaties: dochterinstelling, bijkantoor en dienstverrichting. Uit het vorenstaande concludeert de rechtbank dat de wetgever bij het bestanddeel ‘gevestigd’ voor ogen heeft gestaan een statutaire of reglementaire vestiging en dat derhalve het bestanddeel formeel moet worden geïnterpreteerd. Het betoog van het Openbaar Ministerie in zijn repliek dat de locatietoevoeging in het systeem van de Wtk 1992 uitsluitend refereert aan de verdeling van de bestuursrechtelijke competentie en niet zou behelzen een nadere juridische kwalificatie kan de rechtbank niet overtuigen. Het zou betekenen dat binnen één wet een onderdeel van een bepaling in bestuursrechtelijke zin anders zou moeten worden geïnterpreteerd dan in strafrechtelijke zin en dat kan volgens de rechtbank niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest. Hiervan uitgaande meent de rechtbank dat de wetgever voor de situatie van een buiten de EU (formeel) gevestigde onderneming of instelling met een dochteronderneming in Nederland artikel 6 Wtk 1992 heeft geschreven en voor de situatie van een buiten de EU (formeel) gevestigde onderneming of instelling met een ‘kantoor’, niet zijnde een dochteronderneming, in Nederland artikel 38 Wtk 1992. Conclusie Onweersproken is dat FCIB N.V. een - in bovenvermelde zin - op Curaçao gevestigde kredietinstelling is. TWOCC B.V. is geen dochteronderneming van FCIB N.V. Aangezien FCIB N.V. niet een in Nederland gevestigde onderneming of instelling is, kan het onder 1 primair tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend worden bewezen in de variant dat FCIB N.V. alleen zou hebben gehandeld. De vraag is vervolgens of FCIB N.V. en TWOCC B.V tezamen kunnen worden aangemerkt als een in Nederland gevestigde onderneming of instelling in de zin van artikel 6 Wtk 1992. Reeds overwogen is dat het systeem van de wet uitgaat van in beginsel één toezichthouder en één vergunningverlenende instantie, tenzij er sprake is van een moeder-dochterrelatie. Vaststaat dat FCIB N.V. een vergunning heeft van de Bank van de Nederlandse Antillen (hierna: BNA) en ook onder toezicht staat van de BNA. Tevens staat vast dat TWOCC B.V. geen dochteronderneming is van FCIB. N.V. Daarvan uitgaande constateert de rechtbank dat artikel 6 Wtk 1992 niet voor deze situatie is geschreven en dat FCIB N.V. en TWOCC B.V niet tezamen kunnen worden aangemerkt als een in Nederland gevestigde onderneming of instelling in de zin van artikel 6 Wtk 1992. De rechtbank heeft zich de vraag gesteld of hierover onder omstandigheden anders kan en moet worden geoordeeld. De rechtbank meent dat dat het geval zou kunnen zijn, indien er sprake zou zijn van een volledige schijnconstructie in die zin dat de (formele) vestiging op Curaçao uitsluitend een façade zou behelzen en de kredietinstelling feitelijk (geheel) in Nederland zou functioneren. In die situatie zou er namelijk ten onrechte een vergunning en toezicht op Curaçao zijn en zou er in plaats daarvan een vergunning en toezicht in Nederland moeten zijn. Op basis van het dossier acht de rechtbank echter niet aannemelijk dat FCIB N.V. op Curaçao uitsluitend een façade zou betreffen. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken. Beoordeling overtreding artikel 38 Wtk 1992 (feit 1 subsidiair): De verdenking De verdachte wordt, verkort weergegeven, verweten dat FCIB N.V. in de periode van 31 december 2001 tot en met 31 augustus 2006, al dan niet tezamen en in vereniging met TWOCC B.V., te Berg en Dal als een op Curaçao gevestigde onderneming of instelling zonder vergunning van DNB opzettelijk het bedrijf van kredietinstelling heeft uitgeoefend door middel van een bijkantoor in Nederland. In eerste instantie wordt verdachte verweten dat hij hiertoe opdracht heeft gegeven en/of hieraan feitelijk leiding heeft gegeven. In tweede instantie wordt verdachte verweten genoemd feit te hebben medegepleegd. Het (wettelijk) kader De rechtbank ziet zich bij de beoordeling van de vraag of artikel 38 Wtk 1992 is overtreden, gesteld voor de vraag of de werkzaamheden die te Berg en Dal door en/of in opdracht van FCIB N.V. werden verricht, met zich brengen dat daar het bedrijf van kredietinstelling door middel van een bijkantoor is uitgeoefend. Bij de beoordeling van deze vraag gaat de rechtbank, in aanvulling op het bij de bespreking van artikel 6 Wtk 1992 gedefinieerde begrip ‘kredietinstelling’, uit van de volgende wettelijke definities. Bijkantoor: Eén of meer onderdelen zonder rechtspersoonlijkheid van een kredietinstelling of een financiële instelling die in een andere Staat is gevestigd dan die waarin de kredietinstelling of de financiële instelling gevestigd is. Opvorderbare gelden: Alle gelden die op enig moment (ongeacht of dat op of na een concrete datum is dan wel ten tijde van of na het voorvallen van enige omstandigheid) terugbetaald moeten worden, uit welke hoofde dan ook, en waarvan op voorhand duidelijk is welk nominaal bedrag moet worden terugbetaald en op welke wijze de eventuele vergoeding moet worden berekend. En vanaf 2005: Alle gelden die op enig moment terugbetaald moeten worden, uit welke hoofde dan ook, en waarvan op voorhand duidelijk is welk nominaal bedrag moet worden terugbetaald en op welke wijze de eventuele vergoeding moet worden berekend. Kredietuitzetting: Het verstrekken van nominaal opvorderbare gelden aan een ander, teneinde daardoor voor de geldgever of voor aan hem gerelateerde partijen op geld waardeerbare voordelen te verkrijgen. Het aanhouden van gelden op de eigen bankrekening is een kredietuitzetting aan de desbetreffende bank. En vanaf 2005: Het verstrekken van nominaal opvorderbare gelden aan een ander, teneinde daardoor voor de geldgever of voor aan hem gerelateerde partijen op geld waardeerbare voordelen te verkrijgen. Het aanhouden van gelden op de eigen bankrekening is een kredietuitzetting aan de desbetreffende kredietinstelling. Beleggingen:
- a)alle vorderingen op naam op een debiteur;
- b)alle belangen in het eigen vermogen van een onderneming;
- c)alle op de geld- of kapitaalmarkt verhandelbare effecten of
- d)ter investering aangehouden zaken, teneinde daardoor voor de geldgever of voor aan hem gerelateerde partijen op geld waardeerbare voordelen te verkrijgen. (…) Voor eigen rekening: Onder ‘voor eigen rekening’ in de zin van artikel 1 van de Wtk 1992 wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk geldelijke voordeel trekken uit activiteiten, of het geldelijk nadeel ondervinden daarvan, anders dan door het ontvangen van niet winst- of verliesgerelateerde provisies of vergoedingen. De invulling hiervan dient volgens de Bank economisch te worden gezien, zodat het aan de materialiteit moet worden getoetst. En vanaf 2005: Bij handelen voor eigen rekening in de zin van artikel 1 van de Wtk 1992, is aan ten minste één van de volgende vereisten voldaan:
- a)de onderneming of instelling draagt uit hoofde van zijn kredietuitzettingen of beleggingen met betrekking tot zijn eigen financiële positie risico, of
- b)de onderneming of instelling ontvangt met betrekking tot zijn kredietuitzettingen of beleggingen een winst- of verliesgerelateerde vergoeding. De rechtbank constateert dat de Beleidsregel 2002 is gewijzigd in de Beleidsregel 2005. Nu de verandering van deze Beleidsregel enkel het oog heeft op een vereenvoudiging van de toepassing van de Wtk 1992, zal de rechtbank in het onderstaande uitgaan van de definitie zoals gegeven in de Beleidsregel 2005. De standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging Het Openbaar Ministerie stelt ten aanzien van het tenlastegelegde op grond van artikel 38 Wtk 1992 dat de werkzaamheden die in Berg en Dal werden verricht, bancaire activiteiten waren, die een essentieel onderdeel vormden van de totale werkzaamheden van FCIB N.V., gevestigd te Curaçao. Deze bancaire activiteiten zijn activiteiten die eigen zijn aan een kredietinstelling en daarom is er sprake geweest van een bijkantoor in de zin van artikel 38 Wtk 1992. Er is daarbij sprake geweest van medeplegen tussen FCIB N.V. en TWOCC B.V. Alle activiteiten die FCIB N.V en TWOCC B.V. in Berg en Dal in het kader van de bank hebben verricht, waaronder de treasury, vormden gezamenlijk het bijkantoor. Dat bijkantoor heeft gelden ter beschikking gekregen en gelden uitgezet. Dit hebben FCIB N.V. en TWOCC B.V. in bewuste en nauwe samenwerking gedaan, zonder dat aan FCIB N.V. een vergunning, een vrijstelling of een ontheffing daarvoor was verleend. De verdediging heeft gemotiveerd de volgende verweren gevoerd. 1) TWOCC B.V. kan geen bijkantoor zijn, omdat TWOCC B.V. rechtspersoonlijkheid heeft en derhalve niet onder de definitie van bijkantoor valt. TWOCC B.V. behoort niet te worden gedenatureerd tot een onzelfstandig onderdeel van FCIB N.V. 2) Een bewezenverklaring van de feitelijke handelingen die in de tenlastelegging na het woord ‘immers’ zijn opgenomen, kan niet met zich brengen dat daarmee bewezen is dat er sprake is van een bijkantoor. De tenlastelegging bevat namelijk geen uitwerking van wie of wat het bijkantoor zou zijn geweest. 3) Beoordeling van het deel van de tenlastelegging dat ziet op artikel 38 Wtk 1992 komt neer op beantwoording van de vraag of en in hoeverre door middel van het bijkantoor in Nederland opvorderbare gelden ter beschikking zijn verkregen en zijn uitgezet. Uitsluitend dat zijn de bancaire activiteiten waar het in artikel 38 Wtk 1992 om gaat. De - andere bancaire - activiteiten, zoals opgesomd in bijlage I van de Tweede coördinatierichtlijn Banken (89/646/EEG, de Tcr banken) zijn bij de beoordeling die de rechtbank moet maken niet relevant. Een mogelijke bewezenverklaring van het uitoefenen van één of meer activiteiten, zoals opgesomd die bijlage bij de Tweede coördinatierichtlijn, betekent dus niet zonder meer dat Berg en Dal als een bijkantoor moet worden gezien en dat aldus artikel 38 Wtk 1992 zou zijn overtreden. 4) Bij het Nederlandse publiek is op geen enkele wijze de indruk gewekt dat FCIB N.V. een bijkantoor zou hebben in Berg en Dal. 5) Bij de Antilliaanse bancaire toezichthouder BNA was genoegzaam bekend welke werkzaamheden voor FCIB N.V. werden verricht in Berg en Dal en dit werd steeds goed bevonden. 6) FCIB N.V. verrichtte de twee kernactiviteiten rechtstreeks vanuit Curaçao. FCIB N.V. kreeg de gelden van haar klanten rechtstreeks ter beschikking en de rekeninghouders kregen een vordering op FCIB N.V. te Curaçao. In die rechtsverhouding speelde Berg en Dal geen enkele rol. Dat in Berg en Dal twee belangrijke banksystemen draaiden en dat de treasuryfunctie voornamelijk van daaruit werd verricht, doet daar niet aan af. 7) Een ‘follow the money’ benadering in relatie tot banken is volstrekt zinloos. Het Openbaar Ministerie doet voorkomen dat de gelden Berg en Dal passeren, maar die benadering kan niet de juiste zijn. Er moet wel worden aangeknoopt bij de statutaire vestiging van de bankinstelling, omdat het anders praktisch niet mogelijk is om het geld te lokaliseren. 8) Er is sprake van wijziging van wetgeving, waarvan verdachten moeten kunnen profiteren. De definitie van het begrip ‘bank’ uit de Wft werkt door in de relevante verbodsbepalingen en daarom kan het bij het aan verdachten verweten handelen niet gaan om gelden van professionele marktpartijen (PMP-gelden). De beoordeling door de rechtbank FCIB N.V. als kredietinstelling De rechtbank zal eerst vaststellen of FCIB N.V. in de tenlastegelegde periode haar bedrijf maakte van het ter beschikking verkrijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen of beleggingen. De rechtbank zoekt daarvoor aansluiting bij de jaarrekeningen die zich in het dossier bevinden. Nu zowel het Openbaar Ministerie als de verdediging dit niet hebben betwist, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat FCIB N.V. de volgende gelden heeft aangetrokken. FCIB N.V. heeft deze gelden namelijk aan de creditzijde op de balans opgenomen, hetgeen een terugbetalingsverplichting met zich brengt, die maakt dat het al dan niet op termijn opvorderbare gelden zijn. Over 2001 een bedrag van $ 24.468.228,-, zijnde de post ‘demand deposits, non affiliates; Over 2002 een bedrag van $ 46.182.817,-, zijnde de post ‘demand deposits, non affiliates; Over 2003 een bedrag van $ 327.880.308,-, zijnde de post ‘demand deposits, non affiliates; Over 2004 een bedrag van $101.120.481,-, zijnde de post ‘demand deposits, non affiliates; Over 2005 een bedrag van $ 461.832.469,-, zijnde de post ‘demand deposits, non affiliates; En tot september 2006 een bedrag van $ 455.959.769,95, zijnde de post ‘total deposits’. Tevens is - nu zowel het Openbaar Ministerie als de verdediging dit niet hebben betwist - sprake van de volgende kredietuitzettingen of beleggingen voor eigen rekening. De bedragen hiertoe zijn in de verschillende jaarrekeningen steeds als de post ‘Interest-bearing deposits non-affiliated companies’ opgenomen. Over 2001 een bedrag van $ 139.125.000,-; Over 2002 een bedrag van $ 130.466.478,-; Over 2003 een bedrag van $ 414.245.699,-; Over 2004 een bedrag van $ 190.519.781,-; Over 2005 een bedrag van $ 411.712.118,-; En tot september 2006 een bedrag van $ 397.514.729,26, zijnde de post ‘total term deposits’. Een bijkantoor in Berg en Dal? Vervolgens dient te worden bezien of FCIB N.V. zich bij het aantrekken en uitzetten van deze gelden heeft bediend van een bijkantoor in Berg en Dal. De rechtbank overweegt daartoe allereerst dat ‘Berg en Dal’ als een bijkantoor beschouwd kan worden, indien daar sprake is geweest van:
- a)het ter beschikking verkrijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden en
- b)het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen of beleggingen. Deze activiteiten worden in het hierna volgende aangeduid als de ‘kernactiviteiten’. De rechtbank zal bij de beoordeling van dit gedeelte van de tenlastelegging ingaan op een aantal van de feitelijke werkzaamheden die in Berg en Dal werden verricht, te weten: 1) Openen en sluiten van bankrekeningen; 2) Verwerking van transactieopdrachten; 3) Verstrekking van leningen; 4) Treasury; 5) Berg en Dal als bezoek- en contactadres voor correspondentbanken; 6) Berg en Dal als vergaderlocatie; 7) IT-werkzaamheden. Daarna zal de rechtbank bezien of hiermee de kernactiviteiten werden verricht en ingaan op de verweren van de verdediging. 1. Het openen en sluiten van bankrekeningen Ten aanzien van het openen van rekeningen bevat het dossier verschillende documenten. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze documenten, in combinatie met verklaringen van getuigen, dat er bij het openen van rekeningen voor conventionele klanten een centrale rol was weggelegd voor Berg en Dal. [Verdachte 2] verzocht medewerkers van TWOCC B.V. om een rekening te openen. De medewerkers lichtten na het openen van een nieuwe rekening de secretaresse van [verdachte 2] in , dan wel zij lichtten [getuige4] op Curaçao in. Zij gaven daarbij doorgaans de nieuwe rekeningnummers door. Ook [verdachte 2] zelf stelde [getuige4] op de hoogte. Getuige [getuige5] verklaarde dat hij van [verdachte 2] doorkreeg dat een rekening moest worden geopend. Zij leverde de gegevens aan en hij maakte via de computer een klantenrekening aan. [getuige6] verklaarde dat [verdachte 2] de gegevens van een nieuwe klant verstrekte, waaronder informatie welke rekening er geopend moest worden. Getuige verwerkte die werkzaamheden in het computersysteem, waarna er een controle plaatsvond. [Getuige7] verklaarde dat in Berg en Dal rekeningen van cliënten werden geopend en gesloten. Hij had wel eens e-mails, gericht aan [verdachte 2], gezien met het verzoek een rekening te openen. Getuige [getuige4] verklaarde in haar eerste verhoor bij de FIOD-ECD dat ze in Curaçao keken of de juiste documenten aanwezig waren, dat door [verdachte 2] goedkeuring werd gegeven om een rekening te openen en dat [verdachte 2] vervolgens een rekeningnummer doorgaf. In haar achtste verhoor verklaarde ze dat de rekeningen in Berg en Dal fysiek werden geopend en dat conventionele klanten altijd door TWOCC B.V. in Berg en Dal werden geopend. Bij de rechter-commissaris verklaarde [getuige4] dat ze in Curaçao de ‘application’ kregen om de rekening te openen. Ze kregen de documenten en die werden gecontroleerd. De belangrijkste documenten werden in Berg en Dal bekeken en er werd een accountnummer aan gegeven in Bankmaster. Zij werden op de hoogte gesteld van het rekeningnummer en gaven dat door aan de klant. Voor de e-bankingklanten gold een andere procedure. Een latere passage uit ditzelfde verhoor luidt als volgt. “Vraag: wie besliste, als aan alle onder 23-26 omschreven formele vereisten was voldaan, uiteindelijk of een rekening ook daadwerkelijk werd geopend? Wij beslisten dat. Conventioneel werd in Nederland geopend en ebanking op Curacao .” [Verdachte 2] heeft ter terechtzitting verklaard dat Curaçao, in de persoon van [getuige4], besliste over het openen van rekeningen. In Berg en Dal vond vervolgens de administratieve afhandeling van deze beslissing plaats en werd onder andere een rekeningnummer gegenereerd, aldus [verdachte 2]. De rechtbank constateert dat de door [verdachte 2] ter terechtzitting geschetste gang van zaken met betrekking tot het openen van rekeningen voor conventionele klanten niet past bij de documenten in het dossier en de door de werknemers van TWOCC B.V. afgelegde verklaringen. Hierin is niet terug te vinden dat een rekening pas werd geopend, nadat daarover in Curaçao een beslissing was genomen. Ook [getuige4] heeft dat niet met zoveel woorden verklaard. Zij heeft - in verschillende verhoren - verklaard dat [verdachte 2] goedkeuring gaf om een rekening te openen en dat conventionele klanten altijd in Berg en Dal worden geopend. Pas bij vraag 17 van haar laatste verhoor verklaarde zij dat zij beslisten of een rekening daadwerkelijk werd geopend en dat conventioneel in Nederland werd geopend. Deze gang van zaken vindt echter geen ondersteuning in de documenten, noch in andere getuigenverklaringen. De rechtbank is bovendien van oordeel dat dit deel van de verklaring van [getuige4] onduidelijk is, nu niet wordt verklaard wie wordt bedoeld met ‘wij’ en evenmin duidelijk wordt op welke formele vereisten wordt gedoeld. Bij pleidooi (onderdeel 3, nr. 65 en verder) heeft de verdediging gewezen op een memo van [getuige4] d.d. 09 december 2002. De eerste zinnen hiervan luiden als volgt: “All account opening documents are received at the Curacao Office of FCIB, where I am in charge of reviewing and approving or declining them. Here follow the steps taken from the moment of receipt of the documents. If all documents have been received, cross referenced and found to be in order, then a copy of the Signature card, the fax authorization, the test key agreement, the general terms and the agreement to open an account are faxed to Berg en Dal, to the attention of [verdachte2], informing her that the documents were found to be in order”. De rechtbank begrijpt deze passage als volgt: “Alle documenten voor het openen van rekeningen worden ontvangen op het FCIB-kantoor op Curaçao, waar ik de leiding heb over het beoordelen en goedkeuren of afwijzen ervan. Hier volgen de stappen die worden genomen vanaf het moment van ontvangst van de documenten. Als alle documenten zijn ontvangen, onderling vergeleken en in orde bevonden, worden een kopie van de handtekeningkaart, de fax autorisatie, de test key overeenkomst, de algemene voorwaarden en de overeenkomst tot het openen van een rekening naar Berg en Dal gefaxt, ter attentie van [verdachte 2], waarbij zij in kennis wordt gesteld van het feit dat de documenten in orde zijn bevonden”. De verdediging voert aan dat hieruit volgt dat [getuige4] besliste over het openen van een nieuwe rekening en dat zij hiervoor geen toestemming van [verdachte 2] nodig had. De rechtbank deelt die conclusie niet. De volgende stap die volgens het memo genomen moet worden luidt immers: “If [verdachte2] considers that it is ok to open the account, then she notifies the account number to the client and to us”. De rechtbank begrijpt deze passage als volgt: “Als [verdachte2] akkoord gaat met het openen van de rekening dan stelt ze de cliënt in kennis van het rekeningnummer en ook ons”. Uit deze passage, in combinatie met de passages die de verdediging aanhaalt, volgt dat [getuige4] weliswaar een belangrijke rol had bij het beoordelen van aanvragen tot het openen van een nieuwe rekening, maar dat het [verdachte 2] was die uiteindelijk besliste of een rekening kon worden geopend of niet. De verklaring van [getuige9] in GVO II, bij pleidooi overgelegd door de verdediging, sluit hierbij aan. Op de vraag waar en door wie voor 1 mei 2006 de beoordeling plaatsvond of een klant geaccepteerd kon worden of niet, antwoordt zij dat dat in Nederland gebeurde. Zij (de rechtbank begrijpt: de medewerkers in Curaçao) kregen accorderingen in de vorm van een ‘OK’ of ‘niet OK’. Dat kwam van [betrokkene12] in Nederland, daarna van [betrokkene11]. De conclusie uit het voorgaande is dat de door [verdachte 2] geschetste gang van zaken met betrekking tot het openen van rekeningen niet aannemelijk is geworden. Het zwaartepunt bij het openen van rekeningen lag te Berg en Dal, meer specifiek bij de persoon van [verdachte 2]. 2. De verwerking van transactieopdrachten Over de verwerking van transactieopdrachten zijn verschillende getuigenverklaringen afgelegd, zowel door mensen die werkzaam waren in Berg en Dal, als ook door mensen die werkzaam waren op Curaçao. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze getuigenverklaringen dat er (ook) transactieopdrachten in Berg en Dal werden verwerkt en wel door medewerkers van TWOCC B.V., in opdracht van FCIB N.V. Deze medewerkers bemensten twee afdelingen: 1. de Transaction Processing Group (verder: TPG): een groep personen die zich bezig hield met het inboeken van uitgaande en binnenkomende betalingen van klanten van de FCIB N.V.; 2. de Transaction Control Group (verder: TCG): een groep personen die controlewerkzaamheden verrichtte ten aanzien van de werkzaamheden van de Transaction Processing Group. Dit hield in dat ze de transacties van de TPG verifieerden en daarna gingen de transacties het systeem in. Volgens [verdachte 2] faxten conventionele klanten hun betalingsopdrachten naar FCIB N.V., waarna deze faxen werden doorgestuurd naar TWOCC B.V. Vaak kwam de fax simultaan bij TWOCC B.V. binnen, aldus [verdachte 2]. De medewerkers van TWOCC B.V. verwerkten deze opdrachten. [verdachte2] heeft hieromtrent verklaard dat opdrachten van conventionele klanten naar Berg en Dal werden gefaxt, waarna ze door de TPG in Bankmaster werden ingeklopt. Ingeval van e-bankingklanten konden ook mutaties vanuit Bangalore worden ingevoerd. Vanuit Curaçao werd niet gemuteerd in Bankmaster. [getuige6] heeft omtrent het invoeren van mutaties in Berg en Dal verklaard dat zij, [getuige7] en [getuige5] als de TPG in opdracht van [verdachte 2], ingeval van een nieuwe klant de klantgegevens, of ingeval van een bestaande klant, een transactieopdracht, in Bankmaster invoerden. Deze werkzaamheden werden vervolgens geverifieerd door [betrokkene13] of [betrokkene14] (rechtbank: medewerkers van de TCG). Ingeval van een betalingsopdracht diende [verdachte 2] de betaling nog wel vrij te geven. [betrokkene13] heeft hieromtrent verklaard dat de medewerkers van de TCG zich bezig hielden met de verificatie van transactieopdrachten die een bancair karakter hadden. TPG kreeg van [verdachte 2] of van [betrokkene18] een door hen goedgekeurde transactieopdracht om in Bankmaster in te boeken. Daarna kreeg hij, [betrokkene13], de opdracht op zijn scherm. Aan de hand van documenten verifieerde hij de opdracht. Vervolgens keurde hij de opdracht goed of af. [verdachte 2] verzorgde de tweede verificatie en stuurde de opdracht naar de Swiftserver, indien het een externe transactieopdracht betrof. Dit betrof transactieopdrachten van conventionele klanten en van gelieerde bedrijven. [getuige6] , [betrokkene13] , [getuige7] en [getuige5] hebben verklaard dat zij binnen TWOCC B.V. alleen maar werkzaamheden voor FCIB N.V. verrichtten. [getuige4] heeft over Berg en Dal verklaard dat de werkzaamheden, zoals transfers en compliance voor de conventionele klanten allemaal in Berg en Dal werden verricht. Op Curaçao deden ze geen transacties, dat gebeurde in Berg en Dal. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft ze verklaard dat wat betreft overboekingen, het zwaartepunt van de bank in Berg en Dal lag. In Curaçao ontvingen ze alleen het origineel en een kopie van een transactieopdracht van conventionele klanten. A