Vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 206032 / HA ZA 10-1895 Vonnis van 8 augustus 2012 in de zaak van
(2)ad EUR 272.000 wordt opgemerkt dat Rijkswaterstaat in productie 2 bij genoemde brief van Mr Ten Kate van 1 juli 2011 een aftrek opvoert van EUR 817.500 als zijnde reeds vergoed in 2004. Dat bedrag correspondeert met de bedragen van EUR 800.000 en EUR 17.500 die worden genoemd in bijlage 1 bij de dagvaarding van [eiseres], productie 4, bladzijde 3, met de aanduiding “composteervoorzieningen” respectievelijk “stofbestrijding en bewatering”; de post van EUR 800.000 wordt op bladzijde 1 van dezelfde productie 4 onderverdeeld in “vloeistofdichte vloer” van bijna EUR 507.000 en “beluchten, percolaatbassin, leiding pomp c.a.”van ruim EUR 272.000. Dat laatste bedrag wordt voorshands afgetrokken van de primair berekende meerinvestering ter zake van ventilatie en verlichting enz. in de veronderstelling dat dat bedrag correspondeert met een investering die ook in de overdekte situatie nuttig is.” (
- b)“De Staat maakt bezwaar tegen de verrekening van een bedrag van niet meer dan EUR 272.000, omdat dit bedrag al in 2004 uitgekeerd zou zijn. De Staat stelt dat sprake is van een misverstand omdat genoemd bedrag van EUR 272.000 staat voor een deel van de aan [eiseres] vergoede werkelijke waarde en niet voor een concrete investering. De Staat vermeldt dat in de vergoeding van 2004 was begrepen een bedrag van EUR 800.000 voor composteer-voorzieningen en EUR 17.500 voor stofbestrijding en bewatering. Ondergetekenden erkennen het misverstand en onderschrijven dat de bedragen van EUR 800.000 en EUR 17.500 alsnog dienen te worden verrekend.” (
- c)“Partij [eiseres] maakt bezwaar tegen post
(2)‘investering inrichting hal’ en met name tegen de aftrek van EUR 800.000 als reeds vergoed. Mr Ten Kate heeft in zijn brief van 21 oktober 2011 met bezwaren tegen het conceptadvies die aftrek bepleit met een verwijzing naar bijlage 4 bij die brief. De bijlage is een toelichting uit 2003 op een begroting van partij [eiseres] inzake nieuwbouw groencompostering, uitgaande van een overkapping. Mr Ten Kate stelt dat Rijkswaterstaat de begroting van composteervoorzieningen ad EUR 808.000 (praktisch) heeft aangehouden, met medeweten van partij [eiseres], toen het uitgangspunt van de overkapping werd verlaten. En dat daarom in de vergoeding van 2004 voor verplaatsing van de nieuwe locatie in de open lucht al is gerekend met een systeem dat (ook) geschikt zou zijn voor inpandige compostering. Mr Zeilmaker heeft in haar commentaar op de bezwaren van Rijkswaterstaat dit betoog niet met zoveel woorden bestreden. Ondergetekenden hebben in hun definitief advies het betoog van Rijkswaterstaat gevolgd. Mr Zeilmaker voert nu aan dat het bedrag ad EUR 800.000 voor composteringsvoorzieningen, dat in de vergoeding van 2004 is begrepen, alleen betrekking heeft op voorzieningen in de vloer (luchtkokers, hoofdleidingen, kleine biofilter), die voor het overgrote deel zowel in de open lucht als in de overdekte hal aan de orde zijn. En dat partij [eiseres] daarom ter zake van de overkapping in dit stadium geen vergoeding claimt in verband met de investering voor composteringsvoorzieningen in de vloer, die intussen zijn gerealiseerd. Maar dat partij [eiseres] wel aanspraak maakt op vergoeding van de kosten verbonden aan meerinvestering in verdere composteringsvoorzieningen, die in dit (concept)advies zijn vermeld (ventilatie, verlichting, voeding c.a., groot biofilter, gordijnen en sprinkler) dus zonder korting. Onze commissie is van mening dat uit de gang van zaken met betrekking tot de vergoeding in 2004 voor de oude opzet (in de open lucht) niet kan worden afgeleid dat partij [eiseres] geacht moet worden ermee te hebben ingestemd dat de meerinvestering ad EUR 800.000 ook alle composteringsvoorzieningen in de nieuwe opzet (overkapping) dekt. Onze commissie is er in dit stadium van overtuigd dat voor de compostering in de hal meer en andere composteringsvoorzieningen nodig zijn, waarvan de kosten alsnog voor vergoeding in aanmerking komen. Onze commissie betrekt in haar overweging de toelichting die Mr Zeilmaker in haar nota voor deskundigen ter descente heeft gegeven op het composteringsproces groenafval in (gesloten) hal onder punt 20 e.v. en de nadere toelichting op het composteringsproces in bijlage 1 bij de brief van Mr Zeilmaker van 15 juni
- Onze commissie zal de door partij [eiseres] bestreden aftrek ongedaan maken.” 2.12 Tijdens de pleidooien heeft [eiseres] wederom betoogd dat de lump sum van € 800.000,- uitsluitend betrekking heeft op composteervoorzieningen in de vloer die voor het overgrote deel zowel in de open lucht als in de overdekte hal aan de orde zijn en niets te maken hebben met de door de deskundigen in hun advies opgenomen composteervoorzieningen (biofilter, Backhus-omzetsysteem, verkleiner). De Staat stelt dat dat wel het geval is en verwijst naar een kostenopstelling uit februari 2003 van de accountant van [eiseres], die als bijlage 4 is gevoegd bij de brief van de Staat aan de deskundigen van 21 oktober
- De Staat zegt daarover onder meer: “Uit de omschrijving (het bedrag bevat onder meer een vergoeding voor “afzuigkanaal in hal”) blijkt duidelijk dat deze vergoeding is geënt op overdekte compostering. In 2004 heeft de Staat ingestemd met deze voorziening, omdat gebleken was dat de gemeente [woonplaats] geen genoegen nam met een wijze van beluchting als in [woonplaats] plaatsvond (..) De (adviseurs van de) Staat veronderstelden dat de kosten van de kennelijk door de gemeente verlangde voorziening in de open lucht in geen geval de kosten van een vergelijkbare voorziening in een hal zouden overtreffen.” [eiseres] heeft met klem betwist dat het overzicht van haar accountant enige rol heeft gespeeld bij de vaststelling van de schadeloosstelling in 2004 (brief aan de deskundigen van 8 november 2011, blz. 9) en volhardt bij haar stelling dat de overeengekomen vergoeding van € 800.000,- betrekking had op composteervoorzieningen in de vloer (luchtkokers, hoofdleidingen, (klein) biofilter). De Staat voert daartegen onder meer aan dat bij zogenaamde blaasbeluchting in de open lucht geen biofilter nodig is. 2.13 De rechtbank constateert met de Staat dat de verwijzing door de deskundigen in hun concept-advies naar de eerste bladzijde van productie 4 bij de dagvaarding geen betrekking kan hebben op de € 800.000,- die op bladzijde 3 van die productie voor “Composteervoorzieningen” op de nieuwe locatie wordt uitgetrokken. In die laatste opstelling is immers óók sprake van een afzonderlijke post “vloeistofdichte vloer”, terwijl een voorziening daarvoor juist onderdeel uitmaakt van het op bladzijde 1 van die productie genoemde bedrag van € 800.728,
- Ook blijkens de opbouw van die productie hebben de eerste twee bladzijden klaarblijkelijk betrekking op de vergoeding voor de grond en de daarop aanwezige voorzieningen, terwijl bladzijde 3 ziet op de reconstructie van het bedrijf op de nieuwe locatie. [eiseres] heeft de rechtbank verzocht af te zien van de door de Staat bepleite aftrek van het bedrag van € 800.000,- (haar uitdrukkelijke instemming met de aftrek van € 272.000,-, zoals verwoord in haar brief aan de deskundigen van 8 november 2011, blz. 8, mag dus kennelijk thans als verlaten worden beschouwd). Partijen zijn het er wel over eens dat het bedrag van € 17.500,- (wegens stofbestrijding en bewatering) in aftrek kan worden gebracht. 2.14 Of het genoemde - hoge - bedrag van € 800.000,- betrekking heeft (kan hebben) op composteringsvoorzieningen in en op de bodem bij compostering in de open lucht kan de rechtbank aan de hand van de vergunningen niet beoordelen. In (onder meer) de laatste vergunning voor de oude locatie wordt voor de ‘Best Beschikbare Technieken’ verwezen naar de website van de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (blz. 16 van de vergunning). Daarop is onder meer te vinden http://www.emis.vito.be/sites/default/files/pages/migrated/BBT_rapport_composteerinstallaties_volledig_document.pdf De rechtbank krijgt uit blz. 38 e.v. van deze publicatie niet de indruk dat compostering in de open lucht veel specifieke vloervoorzieningen vereist. Mogelijk ziet zij dat verkeerd. 2.15 De Staat heeft het door de deskundigen aangenomen investeringsbedrag van € 252.000,- wegens vervanging van de zogenaamde verkleiner betwist. Tijdens de pleidooien heeft [eiseres] echter betoogd dat vervanging van de oude verkleiner noodzakelijk was vanwege het lawaai in de hal, de gevaren vanwege het krachtig wegslingeren van composteermateriaal en de roetemissie. Dat is op zichzelf niet door de Staat weersproken, zodat de rechtbank met de deskundigen het nut van vervanging van dit apparaat onderschrijft. 2.16 Samengevat ziet de rechtbank onder 2.6, 2.7, 2.8, 2.10 en 2.14 nog onduidelijkheden, die tot helderheid moeten komen, teneinde een beslissing te kunnen geven. Daartoe zal zij andermaal een comparitie van partijen gelasten. Het is niet de bedoeling dat bij die gelegenheid pleitnota’s worden uitgewisseld of voorgedragen. 2.17 De comparitie zal worden gecombineerd met een mondelinge toelichting door de deskundigen als bedoeld in artikel 194 lid 5 Rv. De deskundigen worden verzocht dan ter zitting aanwezig te zijn, alsmede de griffier (met kopie aan partijen) te berichten over de omvang van een eventueel aanvullend voorschot, waarna de Staat ervoor dient zorg te dragen dat het bedoelde bedrag vóór de zitting op rekeningnummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen wordt bijgestort. 2.18 De partijen en de deskundigen worden tevens verzocht met de griffier te overleggen over datum en tijdstip van de zitting, met opgave van verhinderdagen voor de maanden september tot en met november
- 2.19 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
- De beslissing 3.1 beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen omtrent de onder 2.16 genoemde punten op de terechtzitting van de meervoudige civiele kamer van de rechtbank in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd, 3.2 bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen, 3.3 bepaalt dat de deskundigen dan ter zitting aanwezig zullen zijn en de griffier (mr. K.V. van Weert, tel. 026-3592888), met kopie aan partijen, tijdig zullen berichten over de omvang van een eventueel aanvullend voorschot, waarna de Staat ervoor dient zorg te dragen dat het bedoelde bedrag vóór de zitting op rekeningnummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen wordt bijgestort, 3.4 bepaalt dat de partijen en de deskundigen met de griffier (mr. K.V. van Weert, tel. 026-3592888) zullen overleggen over datum en tijdstip van de zitting, met opgave van verhinderdagen voor de maanden september tot en met november 2012, 3.5 houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mrs. R.J.J. van Acht, H.C.A. Walda en W. van de Wetering en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2012.