Vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 218835 / HA ZA 11-1157 Vonnis van 29 augustus 2012 in de zaak van [de curator] eiser, advocaat mr. E.P. Breukelaar te Heilig Landstichting, gemeente Groesbeek, tegen [gedaagde] gedaagde, advocaat mr. C.W. Houtman te Nijmegen. Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde] genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 2 november 2011 - het proces-verbaal van comparitie van 6 maart 2012 - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Bij vonnis van deze rechtbank van 2 februari 2011 is de besloten vennootschap [gedaagde] Infra B.V. (verder: de vennootschap) in staat van faillissement verklaard met aanstelling van eiser tot curator. Eerder, op 1 februari 2011, is de voorlopige surseance uitgesproken van de vennootschap. De omzetting in faillissement is verzocht na overleg tussen de bewindvoerder (zijnde thans de curator) en de directie van de vennootschap. 2.2. Aan de voorlopige surseance en het faillissement is een periode voorafgegaan waarin geprobeerd is om de vennootschap te verkopen. De (indirect) aandeelhouders werden hierin geadviseerd en bijgestaan door Deloitte Financial Advisory Services B.V. (verder: Deloitte). In december 2010 heeft Deloitte de opdracht teruggegeven. 2.3. De vennootschap legde zich in het verleden voornamelijk toe op het bouw- en woonrijp maken van nieuwbouwprojecten. Sinds 2009 heeft de vennootschap zich in toenemende mate toegelegd op van overheidswege uitgeschreven openbare aanbestedingen, waaronder wegenbouw. 2.4. [gedaagde] is sinds 1983 de bestuurder van de vennootschap. De aandelen van de vennootschap werden in het verleden gehouden door Roozenburg Beheer B.V. (verder: Roozenburg Beheer) en zij worden thans gehouden door BOA Beheer B.V. (verder: BOA Beheer). Deze laatste vennootschap is opgericht op 10 januari 2008. Enig aandeelhouder van deze vennootschap is de Stichting Administratiekantoor BOA Beheer. Bestuurders van deze stichting zijn [gedaagde] en zijn twee zoons. 2.5. Volgens de overgelegde jaarrekeningen leed de vennootschap in 2008 een verlies van € 294.204,00 en kwam zij uit op een negatief eigen vermogen van € 281.310,00 en leed zij in 2009 een verlies van € 684.340,00 en kwam zij uit op een negatief eigen vermogen van € 965.650,00. De cijfers van 2010 zijn nog niet bekend. [gedaagde] heeft de curator medegedeeld dat het verlies over dit jaar kan oplopen tot € 1.000.000,00. 2.6. In de tweede helft van 2010 heeft de vennootschap ingeschreven op twee grote werken, die aan haar zijn gegund. Bij de berekening van de inschrijfprijzen zijn geen algemene kosten, winst en risico berekend en is voorts een projectkorting verleend. De vennootschap hoopte een ‘verbeterprijs’ te kunnen krijgen met meerwerkopdrachten van de aanbestedende diensten en bonussen op de afname van asfalt. 2.7. De vennootschap had sinds 2007 een tijdelijk krediet bij ABN AMRO Bank van € 1.000.000,00 dat op 1 januari 2010 afgelost moest zijn. Het krediet is daarna een aantal malen verlengd en bijgesteld. De (toenmalige) moedervennootschap Roozenburg Beheer en de zustervennootschap van de vennootschap, [gedaagde] Materieel B.V. (verder [gedaagde] Materieel), waren ter zake hoofdelijk mede-aansprakelijk jegens de bank. 2.8. Voorts heeft Roozenburg Beheer aan de vennootschap sinds 2007 een achtergestelde lening verstrekt met per faillissementsdatum een debetstand van (ongeveer) € 1.000.000,00. 2.9. Tot 2008 huurde de vennootschap het materieel, de machines en de voertuigen, van Roozenburg Beheer. Bij koopovereenkomst van 1 januari 2009 heeft Roozenburg Beheer met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2008 het complete materieel voor € 703.000,00 exclusief btw verkocht aan [gedaagde] Materieel. De overgelegde overeenkomst van overdracht is ondertekend door [gedaagde] in zijn hoedanigheid van bestuurder van zowel Roozenburg Beheer als [gedaagde] Materieel. Na de overdracht is [gedaagde] Materieel aangemerkt als de verhuurder. De vennootschap heeft de huursommen voor de jaren 2008, 2009 en 2010 aan [gedaagde] Materieel betaald. Er zijn geen schriftelijke huurovereenkomsten bekend. 2.10. In 2007 huurde de vennootschap het materieel van Roozenburg Beheer voor de huurprijs van € 231.339,00 exclusief btw. Daarna huurde de vennootschap het materieel van [gedaagde] Materieel voor € 654.896,00 in 2008, voor € 609.787,00 in 2009 en voor € 578.184,00 in 2010, alles exclusief btw. De huur is steeds betaald. Over de eerste twee maanden van 2011 is aan huur berekend een bedrag van € 96.364,00 exclusief btw in totaal. Ook deze twee huurtermijnen zijn betaald, respectievelijk op 24 en op 26 januari 2011. 2.11. De vennootschap huurde een bedrijfspand van [gedaagde]. De huur is tot het laatst betaald. De huur voor de maand februari 2011 is betaald op 20 januari 2011 (stelling curator bij dagvaarding) dan wel 26 januari 2011 (stelling [gedaagde] bij dupliek). 2.12. [gedaagde] had in de periode van februari tot en met september 2010 leningen verstrekt aan de vennootschap tot een totaal bedrag van € 605.000,00. Voor een gedeelte groot € 125.000,00 betreft het leningen, verstrekt in september 2010. De rest, € 480.000,00, is geleend in de maanden februari tot en met mei 2010. De leningen zijn niet schriftelijk vastgelegd. De vennootschap heeft in de periode van juni tot en met december 2010 verschillende bedragen tot in totaal € 530.000,00 terugbetaald aan [gedaagde]. 2.13. Op 4 januari en 20 januari 2011 heeft de vennootschap voorts twee facturen van [gedaagde] voldaan ten bedrage van respectievelijk € 11.739,00 en € 10.906,00. Onbekend is waarvoor deze bedragen aan de vennootschap zijn gefactureerd. De curator heeft deze facturen niet in de administratie van de vennootschap kunnen traceren 2.14. BOA Beheer bracht aan de vennootschap een managementfee in rekening van € 18.445,00 per maand. Deze fee is betaald tot en met de maand januari 2011. 2.15. Daarnaast zijn op 17 januari 2011 aan BOA Beheer drie facturen voldaan ten bedrage van in totaal € 60.086,28. Het betreft facturen die gedateerd zijn op 15 december 2010, 31 december 2010 en 12 januari 2011. Volgens de omschrijvingen waren de facturen ‘conform afspraak’ en hadden zij betrekking op advieskosten 2010. Aan deze facturen liggen geen schriftelijke overeenkomsten ten grondslag. Verder is op 26 januari 2011 aan BOA Beheer nog een bedrag betaald van € 11.305,00 inzake een of meer facturen. Onduidelijk is waarvoor dit was. 2.16. Voorts heeft de vennootschap op 28 december 2010, 17 januari 2011 en 21 januari 2011 bedragen van respectievelijk € 250.000,00, € 100.000,00 en € 50.000,00 (in totaal € 400.000,00) overgemaakt naar BOA Beheer. Hierdoor kwam de rekening van de vennootschap bij ABN AMRO Bank debet te staan. Het bedrag is inmiddels teruggestort; in geschil is wanneer. 2.17. Kort voor faillissementsdatum had de vennootschap ongeveer 38 werknemers in dienst en was reeds uitvoering gegeven aan een Sociaal Plan, waarin nog eens zo’n 20 werknemers zouden afvloeien. De salarissen van het personeel (anders dan de heren [gedaagde]) over januari 2011 zijn door de vennootschap niet betaald. 2.18. Het tekort in het faillissement wordt door de curator in zijn dagvaarding geraamd op € 3.500.000,00. Het overgrote deel van de vorderingen is ontstaan in de periode september/oktober 2010 en later. 2.19. De curator heeft met verlof conservatoir beslag laten leggen op een aantal onroerende zaken van [gedaagde]. 3. Het geschil 3.1. Curator vordert samengevat - : primair: 1) verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het volledige tekort van de vennootschap op grond van artikel 2:248 BW; 2) veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.326.215,00, vermeerderd met rente; 3) veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het meerdere tekort boven dat bedrag, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; subsidiair: 4) veroordeling van [gedaagde] op grond van aansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW tot betaling van € 2.527.986,00, vermeederd met rente; meer subsidiair: 5) veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 244.945, vermeerderd met rente; primair en subsidiair: 6) veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding en de beslagen. 3.2. De curator baseert zijn primaire vordering op de bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:248 BW op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De curator verwijt [gedaagde]: 1) dat de vennootschap een negatief eigen vermogen had, vanaf 2008 oplopende verliezen maakte en volledig afhankelijk was van de tijdelijke financiering door ABN AMRO en de lening van Roozenburg Beheer; 2) dat de huurvergoeding voor het materieeel in 2008 op onverantwoorde, buitensporige, wijze, mede afgezet tegen de waarde van het materieel, is verhoogd met 283%, terwijl deze niet is doorberekend in de prijzen van de aangenomen werken. De curator stelt op basis van een taxatierapport dat een huur van € 458.340,00 exclusief btw per jaar redelijk zou zijn; 3) dat [gedaagde], wetende van de zwakke vermogenspositie en het tijdelijk karakter van de bankfinanciering, heeft ingeschreven op werken met een ingecalculeerd aanzienlijk verlies in plaats van de bedrijfsvoering te staken; 4) dat selectieve betalingen zijn gedaan aan groepsvennootschappen en aan [gedaagde] privé vanaf oktober 2010 tot enkele dagen voor faillissement; 5) dat [gedaagde] heeft bewerkstelligd dat in december 2010/januari 2011 € 400.000,00 onverschuldigd is betaald aan BOA Beheer als gevolg waarvan de rekening bij ABN AMRO een debetstand vertoonde en de vennootschap niet meer aan haar verplichtingen kon voldoen. De curator verwijt [gedaagde] in het bijzonder ook dat hij van deze stalling van gelden bij BOA Beheer geen melding heeft gemaakt in de inleidende gesprekken tijdens de voorlopige surseance. De curator stelt dat de onbehoorlijke taakvervulling van [gedaagde] de hoofdoorzaak is geweest van het faillissement. De marktomstandigheden als gevolg van de economische crisis hebben naar de mening van de curator een ondergeschikte rol gespeeld. 3.3. De subsidiare vordering baseert de curator op aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW, waarbij de curator stelt op te treden namens de gezamenlijke crediteuren, met uitzondering van Roozenburg Beheer, wier vordering is ontstaan vóór het onrechtmatig handelen van [gedaagde]. 3.4. De meer subsidiaire vordering is een actio pauliana. Het betreft het negatieve saldo van de leningen door [gedaagde] aan de vennootschap in september 2010 en de terugbetalingen vanaf 12 oktober 2010. De curator kwalificeert die terugbetalingen voor dat saldo als onverschuldigd en heeft de nietigheid daarvan ingeroepen. 3.5. [gedaagde] voert verweer. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. Het criterium voor de gestelde aansprakelijkheid voor het boedeltekort op grond van artikel 2:248 BW is dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, waarvan sprake is indien geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld. Slechts de onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaand aan het faillissement komt in aanmerking en het moet aannemelijk zijn dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is. 4.2. De rechtbank zal eerst het vijfde verwijt behandelen. Het betreft de overmakingen ten bedrage van € 400.000,00 in totaal aan BOA Beheer (de moedervennootschap) op 28 december 2010 en 17 en 21 januari 2011, dus kort voor de voorlopige surseance en het faillissement. 4.3. De curator stelt dat het onverschuldigde betalingen betreft. [gedaagde] betwist dit en stelt dat deze gelden in het kader van cash management op een rekening van de moedervennootschap zijn geparkeerd en dat de vennootschap per direct over dit creditgeld kon beschikken. Volgens [gedaagde] was geen sprake van onverschuldigde betalingen en lag aan de overboekingen een overeenkomst ten grondslag. 4.4. Volgens deze, door [gedaagde] overgelegde en op 3 december 2010 gedateerde, overeenkomst zou de vennootschap op gezette tijden het op haar rekening aanwezige creditgeld ten titel van beheer overboeken naar de spaarrekening van BOA Beheer, die verplicht was dat geld op eerste verzoek weer aan de vennootschap ter beschikking te stellen. De considerans van de overeenkomst was dat de vennootschap genoodzaakt was om op korte termijn te saneren en te reorganiseren, dat zij daarvoor liquide middelen voorhanden moest hebben en dat daarbij voorkomen moest worden dat de reorganisatie/sanering doorkruist zou worden door te leggen beslagen door derden. 4.5. De rechtbank constateert dat op de door [gedaagde] overgelegde bankafschriften bij de desbetreffende overboekingen telkens als omschrijving staat vermeld: ‘tbv bankgarantie’. Deze omschrijving duidt er niet op dat de gelden op de bankrekening van BOA Beheer zijn gestald om ze aldaar, buiten bereik van de schuldeisers, ter vrije beschikking te houden van de vennootschap. Deze omschrijving duidt er veeleer op dat de gelden aan BOA Beheer en/of andere groepsmaatschappijen ter beschikking zijn gesteld om haar/hun daarmee bij voorbaat te vrijwaren en van middelen te voorzien waarmee zij zou(den) kunnen voldoen aan haar/hun eigen verplichtingen uit haar/hun hoofdelijke medeaansprakelijkheid voor de bankschuld van de vennootschap bij ABN AMRO bank. 4.6. Indien echter, anders dan die omschrijvingen doen vermoeden, inderdaad ervan zou moeten worden uitgegaan dat de bedoeling heeft voorgezeten om de liquide middelen slechts tijdelijk te parkeren bij BOA Beheer en aldaar ter vrije beschikking van de vennootschap te houden, dan kan inderdaad, zoals [gedaagde] betoogt, niet worden aangenomen dat het onverschuldigde betalingen waren. Dan zijn de gelden immers niet uit het vermogen van de vennootschap verdwenen. De rechtbank zal, gelet op het hierna volgende, in dit vonnis zonder nadere bewijslevering ervan uitgaan dat geen sprake was van onverschuldigde betalingen. 4.7. Nu verwijt de curator [gedaagde] dat hij tijdens de voorlopige surseance geen melding heeft gemaakt van het bij BOA Beheer geparkeerde geld. De curator stelt dat door die overmakingen naar de rekening van BOA Beheer de bankrekening van de vennootschap een debetstand vertoonde en dat hierdoor de situatie is gecreëerd dat de vennootschap niet meer aan haar verplichtingen kon voldoen en dat daardoor de bewindvoerder, achteraf bezien op onterechte gronden, aan de rechtbank heeft verzocht om de surseance om te zetten in faillissement. De curator stelt dat, indien de transactie zou zijn teruggedraaid, de vennootschap nog aan haar verplichtingen had kunnen voldoen, althans in ieder geval voor een zekere tijd, en dat dan op dat moment niet de situatie had bestaan van te hebben opgehouden te betalen. 4.8. [gedaagde] stelt hiertegenover dat al tijdens de eerste bespreking met de bewindvoerder in het bijzijn van zijn beide zoons en zijn advocaat uitdrukkelijk melding is gemaakt van het bij de holding geparkeerde creditgeld. [gedaagde] stelt in zijn conclusie van antwoord ook dat hij direct nadat de surseance voorlopig was verleend, de kort voordien ontstane debetstand van de vennootschap ermee heeft aangevuld zodat de bank niets meer te vorderen had en dat hij het restant op eerste verzoek heeft betaald aan de curator (naar de rechtbank dus aanneemt: tijdens het faillissement) op diens boedelrekening. 4.9. De rechtbank laat in het midden of [gedaagde] nu wel of niet bij de eerste besprekingen, nog tijdens de voorlopige surseance, heeft gemeld dat een bedrag van € 400.000,00 aan de vennootschap ter beschikking stond op een bankrekening van BOA Beheer. De rechtbank overweegt hiertoe dat van het bestuur van een vennootschap tijdens de (voorlopige) surseance niet alleen gevergd kan worden dat het, gevraagd en ongevraagd, de bewindvoerder correct en volledig informeert omtrent de vermogenstoestand van de vennootschap, maar ook dat het uit eigen beweging, zij het met de benodigde medewerking van de bewindvoerder, de direct noodzakelijke beheers- en beschikkingsdaden uitvoert. Anders dan tijdens faillissement, verliest het bestuur immers niet het beheer en de beschikking over de boedel; het behoeft alleen de medewerking van de bewindvoerder (zie artikel 228 Fw). Verder kan van het bestuur gevergd worden dat het overlegt met de bewindvoerder of de door het bestuur aangevraagde en voorlopig verleende surseance zinvol is en het vooruitzicht bestaat dat de vennootschap na verloop van tijd haar schuldeisers zal kunnen bevredigen. Indien de bewindvoerder, om welke reden dan ook, te voortvarend aanstuurt op een omzetting in faillissement, dan dient het bestuur zich daartegen te verzetten en hem daarvan te weerhouden. 4.10. In dit geval had [gedaagde] dus niet alleen de bewindvoerder meteen en in elk geval tijdens de voorlopige surseance moeten informeren over het bestaan van dat aanzienlijke actief, bestaande uit een relatief groot bedrag aan liquide middelen op een niet aan de vennootschap toebehorende en niet aanstonds uit de administratie kenbare bankrekening. [gedaagde] had bovendien, eveneens nog tijdens de voorlopige surseance, in zijn hoedanigheden van bestuurder van zowel de vennootschap als (indirect) BOA Beheer, ervoor moeten zorgen dat deze liquide middelen aanstonds aan de vennootschap ter beschikking stonden door terugboeking daarvan op een bankrekening, die niet noodzakelijk de bestaande rekening-courant bij de ABN AMRO Bank behoefde te zijn, maar wel een bankrekening die op naam stond van de vennootschap en waarover ook direct en vrijelijk door de vennootschap (en de bewindvoerder) kon worden beschikt. Deze terugstorting zou ook helemaal in de geest zijn geweest van de beheerovereenkomst, waarop [gedaagde] zich beroept, omdat immers een surseance bij uitstek bedoeld is om een noodzakelijke reorganisatie/sanering door te voeren en tijdens de (voorlopige) surseance door de gevreesde crediteuren geen beslag meer kon worden gelegd op die gelden (zie artikel 230 Fw). 4.11. Die dadelijke terugstorting was noodzakelijk en urgent, reeds vanwege het niet weersproken feit dat de bankrekening van de vennootschap een debetstand vertoonde (en de kredietruimte was verbruikt), terwijl er lopende verplichtingen waren, waaronder boedelverplichtingen. In het bijzonder waren er loonverplichtingen jegens de werknemers. Elders in zijn conclusies verwijt [gedaagde] de curator dat hij onderhanden werk heeft laten liggen en niet heeft aangestuurd op een doorstart, waarvoor volgens [gedaagde] een of meer gegadigden waren. Het is ook gebruikelijk dat tijdens een surseance nog onderhanden werk wordt afgemaakt, afhankelijk van de stand daarvan. Voor het afmaken van onderhanden werk echter, moet doorgaans een beroep worden gedaan op de werknemers en van deze werknemers waren in dit geval de salarissen over de voorafgaande maand al niet betaald. De rechtbank acht het onaannemelijk dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.