RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer registratienummers: AWB 10/2401, 10/2998 en 10/3308 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 20 september 2012 inzake [X], wonende te [Z], eiser, tegen de inspecteur van de Belastingdienst/Oost, kantoor Doetinchem, verweerder.
(2007)en beroep (2005 en 2007); - of de bewijslast moet worden omgekeerd; - of verweerder het inkomen van eiser terecht heeft verhoogd met resultaat uit overige werkzaamheden; - voor de jaren 2005 en 2006, de vergrijpboete. De berekening van de heffingsrente is niet in geschil. 4. Beoordeling van het geschil Ontvankelijkheid 2005 en 2007 Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Awb een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. De dagtekening van de uitspraak op bezwaar voor de IB/PVV 2005 is 7 mei 2010. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 18 juni 2010. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, tweede lid, van de Awb). Het beroepschrift is door de rechtbank ontvangen op 1 juli 2012, dus na afloop van de termijn en ook later dan een week na afloop van de termijn. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend. Eiser heeft gesteld dat het beroepschrift is gedateerd op 17 juni 2010 en op dezelfde dag ter post is bezorgd. De rechtbank acht dit, gelet op het poststempel van 30 juni 2010, niet aannemelijk. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift eerder op de post is gedaan. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op grond van de te late indiening blijft dan nog alleen achterwege indien de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is (zie artikel 6:11 van de Awb). Hiertoe heeft eiser niets aangevoerd. De rechtbank verklaart het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2005 met de daarbij opgelegde beschikking heffingsrente niet-ontvankelijk. Hetzelfde heeft te gelden voor de daarbij opgelegde boetebeschikking. Aan een inhoudelijke behandeling van het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2005 en de daarbij opgelegde beschikking heffingsrente en boetebeschikking komt de rechtbank dan ook niet meer toe. Met betrekking tot de IB/PVV 2007 overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 13 november 2009 een voorlopige aanslag IB/PVV 2007 opgelegd. Hiertegen heeft de toenmalige gemachtigde van eiser op 1 december 2009 bezwaar gemaakt. De definitieve aanslag is gedagtekend 3 maart 2010. Hiertegen is geen bezwaar gemaakt. Bij brief van 7 mei 2010 heeft verweerder de toenmalige gemachtigde van eiser onder meer meegedeeld dat, omdat inmiddels een definitieve aanslag IB/PVV 2007 is opgelegd, het bezwaar tegen de voorlopige aanslag (H.71) zal worden aangemerkt als een bezwaar tegen de definitieve aanslag. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 12 juni 2010. De toenmalige gemachtigde van eiser heeft vervolgens op 6 september 2010, ingekomen bij de rechtbank op 7 september 2010, een beroepschrift ingediend. Gelet op de inhoud van het beroepschrift, waarin weliswaar in de aanhef het aanslagnummer van de voorlopige aanslag wordt vermeld maar dat inhoudelijk ziet op alle aanslagen, zal de rechtbank dit beroepschrift aanmerken als gericht tegen de definitieve aanslag. Partijen hebben hiermee ter zitting ook ingestemd. Uitgaande van de dagtekening van de uitspraak op bezwaar, die is gedaan in de vorm van een verminderingsbeschikking, is het beroep te laat ingediend. Deze verminderingsbeschikking is echter niet toegestuurd aan de toenmalige gemachtigde van eiser. Gesteld noch gebleken is dat een kopie van de verminderingsbeschikking naar de toenmalige gemachtigde van eiser is gestuurd. Evenmin is gesteld noch gebleken dat deze gemachtigde hierover op andere wijze de beschikking heeft gekregen. Gelet hierop is de beroepstermijn op 12 juni 2010 nog niet gaan lopen. Het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2007, de daarbij opgelegde beschikking heffingsrente en boetebeschikking is ontvankelijk. Vervolgens dient te worden beoordeeld of eiser terecht ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar. De definitieve aanslag is gedagtekend 3 maart 2010 waartegen geen bezwaar is gemaakt. Gelet op de inhoud van de brief van 7 mei 2010 heeft verweerder het bezwaar tegen de voorlopige aanslag met ingang van de dagtekening van de definitieve aanslag echter aangemerkt als een bezwaar tegen de voorlopige aanslag. Ook eiser is daarvan blijkbaar uitgegaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser terecht ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar. De aanslagen IB/PVV 2006 en 2007 Ingevolge artikel 47, eerste lid, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is een ieder gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn en voorts de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. De gegevens en inlichtingen dienen ingevolge artikel 49, eerste lid, van de AWR duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Toegelaten moet worden – aldus het tweede lid van genoemd artikel 49 – dat kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels worden gemaakt van de voor raadpleging beschikbaar gestelde gegevensdragers of de inhoud daarvan. Verweerder heeft, onder verwijzing naar de informatieverplichting van artikel 47 van de AWR en de sanctie indien aan die verplichting niet wordt voldaan, tijdens het boekenonderzoek verzocht om de volgende informatie: a. alle bankafschriften van eiser en zijn partner over de jaren 2002 tot en met 2007; b. overzichten van de vermogens van eiser en zijn partner per 1 januari over de jaren 2002 tot en met 2008; c. bewijsstukken inzake de gewonnen prijs; d. bewijsstukken inzake de aangegane leningen, alsmede de bewijsstukken inzake de uitstaande leningen, alsmede de mutaties; e. bewijsstukken inzake de in privé verkochte vermogensbestanddelen zoals auto’s en dergelijke. Over de hiervoor onder d. genoemde stukken is na het tweede gesprek op 25 februari 2008 nog gevraagd om: - bewijsstukken over de lening van de ouders van de partner van eiser; - informatie over de opbouw van deze lening en de data waarop deze lening is ontstaan; - informatie over de porties waarin de gelden zijn ontvangen en de valuta; - een overzicht van de betaalde en verschuldigde renten alsmede een aflossingsschema. De rechtbank stelt voorop dat het stellen van deze vragen gerechtvaardigd is om antwoord te krijgen op de vraag waarvan eiser en zijn partner in de in geding zijnde jaren hebben geleefd en, in het verlengde daarvan, of sprake is van inkomsten die niet in de aangiften zijn verantwoord. Verweerder heeft tijdens het boekenonderzoek in 2008 gevraagd om alle bankafschriften. Bij de brief van de gemachtigde van 6 december 2011 is een uitdraai van een rekening bij de SNS bank gevoegd. Deze rekening staat (blijkbaar) op naam van eiser. Partijen verschillen van mening over de vraag of van het bestaan van deze bankrekening eerder melding is gemaakt. Wel staat vast dat op deze uitdraai slechts de mutaties op 10 april, 13 april, 2 mei en 18 mei 2007 zijn vermeld. Gesteld noch gebleken is dat op een eerder moment wel een volledig overzicht van de mutaties op deze bankrekening is verstrekt. Ook is tijdens het boekenonderzoek gevraagd om bewijsstukken van aangegane leningen. Bij de brief van de gemachtigde van 6 december 2011 is een leenovereenkomst van 9 april 2007 gevoegd. Deze was nog niet eerder overgelegd. Dat ook van anderen dan van de familie van de partner van eiser geld is geleend wordt voor het eerst in deze brief van 6 december 2011 aangevoerd. Voor wat betreft de leningen van de familie van de partner van eiser is aanvankelijk verklaard dat in de periode 2004 tot of tot en met 2007 € 50.000 van de (stief)ouder(
- s)van de partner van eiser is geleend. Uit hetgeen in de hiervoor onder 2.7 en 2.9 aangehaalde brieven van de toenmalige gemachtigde van eiser is vermeld, zou kunnen worden afgeleid dat in totaal € 60.000 van de familie van de partner van eiser is geleend, waarvan € 50.000 van de (stief)ouder(
- s)en € 10.000 van andere familieleden. Of dit ook zo is blijkt echter niet duidelijk uit deze brieven. In de hiervoor onder 2.12 aangehaalde brief van de toenmalige gemachtigde van eiser is wel opgemerkt dat dit (de lening waarover [e] een verklaring heeft afgelegd) niet de enige lening uit de familie is. Of deze opmerking ziet op voornoemd bedrag van € 10.000 blijft ook in deze brief onduidelijk. Verder blijft onduidelijk wie de hiervoor onder 2.8 vermelde overboekingen op de rekening van de partner van eiser heeft gedaan. In de brief van 2 april 2009 verklaart de toenmalige gemachtigde dat eiser de bankstortingen van zijn partner heeft gefinancierd van het geld dat hij nog over had van zijn salaris uit eerdere jaren. Later wordt verklaard dat voornoemde overboekingen door [e] zouden kunnen zijn gedaan. Echter, indien juist is dat eiser de bankstortingen heeft gefinancierd, is dit niet aannemelijk. Ook komt de rentedatum van de overboeking, te weten 24 mei 2006, niet overeen met de vermelding in het overzicht in de hiervoor onder 2.7 aangehaalde brief, volgens welk overzicht in juni 2006 twee keer € 5.000 is gestort. In de pleitnota voor de zitting van 8 augustus 2011 is vermeld dat vanaf 2003, toen zich de eerste financiële problemen binnen het gezin voordeden, diverse malen geld is geleend van de broer van de partner van eiser tot een totaalbedrag van € 50.000. Dit is de eerste keer dat hiervan melding is gemaakt. Vervolgens is bij de brief van 28 juli 2011 een hypotheekakte van 29 oktober 2009 gevoegd waarin de partner van eiser een recht van tweede hypotheek op de bungalow heeft gevestigd ten behoeve van haar broer tot een bedrag van € 110.000. Hiervan is niet eerder melding gemaakt. Ook laat de opmerking dat het gezin zich vanaf 2003 in financiële problemen bevond zich moeilijk rijmen met de opmerking in de hiervoor onder 2.7 aangehaalde brief onder 5., die erop neerkomt dat eiser nog geld over had van zijn salaris uit voorgaande jaren waarmee hij de bankstortingen van zijn partner kon financieren. Verder heeft eiser geen overzicht gegeven van het vermogen per 1 januari over de jaren 2002 tot en met 2008. Eiser heeft uitsluitend aangegeven hoeveel contant geld per 1 januari 2002 aanwezig was. De vraag over bewijsstukken inzake de door eiser en zijn partner in privé verkochte auto’s is niet volledig beantwoord. Volgens de uitdraai uit het systeem HSB heeft op 24 november 2006 één dag een [I] (datum eerste toelating 11 februari 1987) op naam van eiser gestaan en op 4 april 2007 één dag een [H] (datum eerste toelating 2 juni 1995). Eiser heeft hierover geen informatie verstrekt. Voor het niet verstrekken van alle informatie heeft de huidige gemachtigde drie verklaringen gegeven: 1) alle vragen zijn naar eer en geweten beantwoord maar omdat men domweg niet meer wist hoe alles precies was verlopen, hebben belastingplichtigen een slag om de arm gehouden; 2) door vooringenomenheid van de controlerend ambtenaren zijn niet alle stukken verstrekt; 3) eiser en zijn partner hebben niet alles goed begrepen. Voor wat betreft de onder 1) genoemde verklaring overweegt de rechtbank dat hiervoor in de brieven van de toenmalige gemachtigde van eiser geen bevestiging is te vinden. Daar komt bij dat een aantal vragen die in 2009 niet beantwoord zijn in 2011 blijkbaar wel beantwoord kunnen worden. Voor de stelling dat het aan de opstelling van de controlerend ambtenaren heeft gelegen dat niet alle stukken zijn verstrekt, is geen enkel aanknopingspunt in het dossier te vinden. Ook de hiervoor onder 3) genoemde verklaring acht de rechtbank, gelet op de aard van de vragen en de eerder door eiser en zijn partner beklede functie bij [G] BV, niet aannemelijk. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel van eiser niet aan zijn informatieverplichting heeft voldaan. Eiser heeft niet alle informatie verstrekt waarom is gevraagd. Tevens roept de informatie die wel is verstrekt zoveel vragen op dat deze niet voldoet aan de voorwaarde die daaraan in artikel 49, eerste lid, van de AWR wordt gesteld, dat deze informatie duidelijk, stellig en zonder voorbehoud wordt verstrekt. De gevraagde informatie is van wezenlijk belang voor het beoordelen van de vraag of eiser in de in geding zijnde jaren inkomsten heeft genoten die hij niet in zijn aangiften heeft verwerkt. Het niet verstrekken van deze informatie is als gevolg daarvan voldoende ernstig om omkering en verzwaring van de bewijslast op grond van artikel 27e van de AWR te rechtvaardigen. Dit betekent dat het aan eiser is om overtuigend de onjuistheid van de correcties aan te tonen. Eiser heeft als verklaring voor de contante stortingen op de aan verweerder verstrekte bankafschriften aangevoerd dat deze in de eerste plaats afkomstig zijn van nog in contanten aanwezig spaargeld. Eiser heeft echter tevens verklaard dat bedragen die binnenkomen op bankrekeningen er meteen worden afgehaald, uit angst voor beslaglegging op deze bankrekeningen. Gelet hierop ligt het niet voor de hand contant aanwezig spaargeld op een bankrekening te storten. Verder heeft eiser geen objectieve gegevens ter onderbouwing van deze verklaring overgelegd. Eiser heeft verder verklaard dat de contante stortingen die staan vermeld op de aan verweerder verstrekte rekeningafschriften (voor het overige) afkomstig zijn van de gelden die van de familie van de partner van eiser zijn geleend. Deze gelden zijn volgens verklaring van eiser in contanten van Suriname naar Nederland vervoerd. Gegevens waaruit blijkt dat de betreffende contante storting betrekking heeft op deze ter leen ontvangen gelden, wanneer het betreffende bedrag is gestort en in welke valuta, zijn niet overgelegd. De rechtbank merkt daarbij nog op dat het niet logisch lijkt contante gelden van Suriname naar Nederland te vervoeren om deze vervolgens op een bankrekening te storten, in plaats van deze rechtstreeks vanuit Suriname op de betreffende bankrekening te storten. Te meer nu volgens verklaring van eiser [e] beschikt over een bankrekening bij ABN AMRO. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft eiser de onjuistheid van de correcties niet overtuigend aangetoond. De correcties dienen echter wel te berusten op een redelijke schatting. Nu de contante stortingen niet verklaard kunnen worden door contant aanwezig spaargeld en leningen van de familie, acht de rechtbank aannemelijk dat de stortingen (deels) kwalificeren als betalingen voor door eiser en/of zijn partner verrichte arbeid. Een andere verklaring kan hiervoor in de gedingstukken niet worden gevonden. Bij het berekenen van deze inkomsten heeft verweerder het contant aanwezige geld volgens de opgave van eiser per 1 januari 2002 tot uitgangspunt genomen. Vervolgens is gekeken hoeveel contant geld er in latere jaren overblijft als op het saldo van de contante stortingen het saldo van de contante opnamen en de extra privé-uitgaven in mindering wordt gebracht. Rekening houdend met een bedrag aan € 15.000 dat volgens verweerder nodig is voor privé-uitgaven blijft voor de jaren 2004 tot en met 2007 een negatief bedrag over. Dit bedrag is vervolgens voor de helft bij eiser in aanmerking genomen als resultaat uit overige werkzaamheden en voor de andere helft bij de partner van eiser. Dit omdat informatie over wie de arbeid heeft verricht ontbreekt. De aanslagen berusten hiermee naar het oordeel van de rechtbank op een redelijke schatting. Het beroep is in zoverre ongegrond. Vergrijpboete 2006 Voor de beantwoording van de vraag of het aan (voorwaardelijk) opzet van eiser is te wijten dat een onjuiste aangifte is gedaan geldt de omkering van de bewijslast niet (artikel 27e, laatste volzin, van de AWR). Het is derhalve aan verweerder feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van eiser. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet in deze bewijslast is geslaagd en overweegt daartoe als volgt. Zoals hiervoor reeds is overwogen in het kader van de redelijke schatting heeft verweerder bij het opleggen van de aanslag de inkomsten voor de helft bij eiser in aanmerking genomen en voor de andere helft bij de partner van eiser, omdat geen informatie voorhanden is over wie de arbeid heeft verricht waaruit de inkomsten zijn genoten. Dit is tot op heden onduidelijk gebleven. Volgens de hiervoor onder 2.16 aangehaalde verklaring van [B] zou eiser hebben verklaard dat hij heeft geleefd van spaarcenten en de verkoop van wat oldtimers en dat hij in dat verband met name een [j] heeft genoemd. Tegenover de betwisting van eiser heeft verweerder, die hiernaar geen nader onderzoek heeft verricht, niet aannemelijk gemaakt dat eiser (in 2006) met de verkoop van auto’s inkomsten heeft genoten. Ook de enkele vermelding in het systeem HSB dat eiser in 2006 en 2007 gedurende 1 dag respectievelijk een [I] en een [h] op naam heeft gehad is daartoe onvoldoende. Als gevolg hiervan heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiser degene is die de inkomsten in zijn aangifte had moeten verantwoorden. Dat het aan (voorwaardelijk) opzet van eiser is te wijten dat hij inkomsten niet in zijn aangifte heeft verantwoord is daarmee evenmin aannemelijk gemaakt. De boetebeschikking over het jaar 2006 dient dan ook te worden vernietigd. Conclusie Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard. 5. Proceskosten De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.092,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Hiervan zal de rechtbank de helft (€ 546,25) toekennen aan eiser en de andere helft aan zijn partner. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. 6. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2005 en de daarbij opgelegde beschikking heffingsrente en boetebeschikking niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep tegen de boetebeschikking 2006 gegrond; - verklaart de beroepen voor het overige ongegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar over het jaar 2006 voor zover deze de boetebeschikking 2006 betreft; - vernietigt de boetebeschikking 2006; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 546,25; - gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.G.J. van Well, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr.drs. L.B.M. Klein Tank, rechters, in tegenwoordigheid van mr.drs. J.A. Vriezen, griffier. De griffier, De voorzitter, Uitgesproken in het openbaar op: 20 september 2012 Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.