RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht registratienummers: AWB 11/491, 11/499, 11/520, 11/522, 11/525 en 11/527 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 30 oktober
(2010)voor aanbesteding blijft zodat ook hiervoor geen aanbestedingsprocedure hoeft te worden gevolgd. Met betrekking tot de maatschappelijke uitvoerbaarheid volgt uit de ruimtelijke onderbouwing dat het projectbesluit naar mening van verweerder in de lijn ligt van de Visie Wonen en Werken van de gemeente Duiven die richtinggevende kaders geeft voor het ruimtelijk beleid. De rechtbank stelt vast dat de enige motivatie die uit de ruimtelijke onderbouwing kan worden opgemaakt het halen van het gewenste aantal te realiseren woningen is. Eiser [eiser 1] stelt dat het plan door de te verwachten bevolkingsafname niet gerealiseerd zou moeten worden, dan wel in een kleinere vorm. Eiser [eiser 1] geeft voorts aan dat het oude beleid waarop de bouwplannen zijn gebaseerd niet meer realistisch is. Verweerder stelt in de responsnota naar aanleiding van de ingediende zienswijzen dat met dit project wordt voldaan aan de woningvraag binnen de gemeente. Het betreft de afronding van de nieuwbouwwijk en het project wordt ook aangemerkt als een inbreidingslocatie. De rechtbank heeft vastgesteld dat verweerder in de gedingstukken niet is ingegaan op de stelling van eisers dat de woningen niet nodig zouden zijn voor de woningvoorraad. Nu verweerder ter zitting bij de rechtbank desgevraagd heeft aangegeven dat voor de vaststelling van de woningbehoefte uitgegaan is van niet recente cijfers, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de woningbehoefte onvoldoende heeft gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt. Eisers hebben aangevoerd dat zij het niet eens zijn met de situering en de maatvoering van de woningen. De rechtbank heeft vastgesteld dat naar aanleiding van de ingediende zienswijzen de situering van de woningen aan de Eltensestraat aangepast is, zodat voor eiser [naam eiser 3] minder sprake zou zijn van schaduwval en inbreuk op zijn privacy. Verder is de afstand van de te bouwen woningen tot de zijdelingse perceelsgrens vergroot. Voorts is de maatvoering van de woningen aan de Althoornstraat aangepast waardoor volgens verweerder de maatvoering voor de direct omliggende woningen voor minder hinder zorgt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de projectie van de woningen voldoende heeft gemotiveerd. Vaststaat dat verweerder bij de motivering daarvan weldegelijk de belangen van de omwonenden heeft meegewogen. De beroepsgrond faalt. Met betrekking tot de door eiser [eiser 1] in geding gebrachte bezonningsstudie overweegt de rechtbank dat deze geen wezenlijk ander beeld geeft dan de bezonningsstudie die door verweerder is gebruikt. Dat eiser een berekening heeft ingediend waarop andere tijden van de dag te zien zijn maakt niet dat de door verweerder gehanteerde bezonningsstudie onjuist is en dat deze niet bij de besluitvorming betrokken hadden mogen worden. De beroepsgrond faalt. Eisers hebben gesteld dat tussen de oude en de nieuwe wijk een groenstrook dient te komen als overgang. Deze groenstrook dient naar mening van eisers de nieuw gegraven sloot tussen de Althoornstraat en de Eltensestraat te volgen, ook daar waar de sloot in een knik naar de Eltensestraat loopt. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat de groenstrook niet geheel de sloot volgt. Bij de nieuw gegraven knik in de sloot loopt de groenstrook rechtdoor naar de Eltensestraat. Verweerder heeft in paragraaf 4.2.1 van de ruimtelijke onderbouwing uitvoerig stedenbouwkundig gemotiveerd waarom de groenstrook op deze wijze wordt aangelegd. Daarbij is overwogen dat door het recht doortrekken van de groenstrook een gewenste zichtas ontstaat, waardoor verduidelijking optreedt van de stedenbouwkundige structuur die de wijk Kloosterkamp afrondt. Tevens is overwogen dat door het recht doortrekken van de groenstrook het ontstaan van sociaal onveilige plaatsen wordt voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder anders dan ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2008 deze keuze nu voldoende heeft gemotiveerd. Dat eisers van mening zijn dat de groenstrook anders zou moeten worden ingevuld maakt dat niet anders. De rechtbank heeft in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot deze motivering heeft kunnen komen. Eiser [naam eiser 2] heeft zich op het standpunt gesteld dat de te realiseren twee-onder-een-kap-woningen aan de Althoornstraat 13 en 15 conform de reeds bestaande woningen in de Althoornstraat dienen te worden uitgevoerd. Dit standpunt baseert eiser [naam eiser 2] onder andere op het feit dat verweerder in de ruimtelijke onderbouwing heeft aangegeven dat de nieuw te bouwen woningen in de noordoost hoek een spiegeling dienen te zijn van de woningen in de directe omgeving. De rechtbank stelt vast dat verweerder naar aanleiding van de ingediende zienswijzen de maatvoering van de te bouwen twee-onder-een-kap-woningen enigszins heeft verkleind. In de zienswijzennota heeft verweerder overwogen dat weldegelijk aangesloten wordt bij de bestaande bebouwing maar dat onderlinge afwijking tussen bebouwing stedenbouwkundig acceptabel is. Daarbij heeft verweerder tevens overwogen dat in de Althoornstraat al verschillende typen woningen staan. De rechtbank heeft in hetgeen eiser [naam eiser 2] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluit de te realiseren woningen niet exact hetzelfde uit te laten voeren als de reeds bestaande woningen in de omgeving. Dat staat naar het oordeel van de rechtbank een zorgvuldige aansluiting op de bestaande bebouwing niet in de weg. De beroepsgrond faalt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aan de besluitvorming ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing vooralsnog onvoldoende is. Met betrekking tot hetgeen overigens tegen de bestreden besluiten is aangevoerd overweegt de rechtbank als volgt. Voor zover eiser [naam eiser 3] heeft gesteld dat het projectbesluit in strijd met artikel 10 van, het inmiddels vervallen, Besluit ruimtelijke ordening is verleend overweegt de rechtbank dat uit de gedingstukken blijkt dat er overleg heeft plaatsgehad met het Waterschap Rijn en IJssel over het concept van de ruimtelijke onderbouwing. Daarbij is door het Waterschap aangegeven dat zij zich kan vinden in deze ontwikkeling. De beroepsgrond faalt. Voor zover door eiser [naam eiser 3] is aangevoerd dat de verleende bouwvergunning niet in stand kan blijven nu de bouwvergunning is aangevraagd door [naam] in plaats van vergunninghoudster en er daarom sprake is van strijdigheid met het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab) overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2007, met LJN: BB1774, volgt uit het enkele feit dat niet is voldaan aan in de bijlage bij het Biab gestelde vereisten niet dat de bouwvergunning om die reden niet in stand kan blijven. Het is aan het bestuursorgaan om te beoordelen of voldoende gegevens en bescheiden zijn ingediend om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen. Gelet op het feit dat de heer [naam] jegens verweerder optrad als de vertegenwoordiger van vergunninghoudster en er voor verweerder geen aanleiding bestond om aan zijn bevoegdheid te twijfelen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich in dit geval niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het over voldoende gegevens en bescheiden beschikte om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen. Vergunninghoudster heeft overigens bij brief van 16 december 2010 alsnog een machtiging overgelegd. De stelling dat verweerder geen bouwvergunning heeft kunnen verlenen omdat Vivare niet de eigenaar is van de in geding zijnde gronden volgt de rechtbank niet. Het is in de bouwpraktijk gebruikelijk en toelaatbaar dat namens een eigenaar van de grond door bijvoorbeeld een projectontwikkelaar de vergunning wordt aangevraagd. De beroepsgrond faalt. Eiser [naam eiser 2] heeft aangevoerd dat de gekozen steenkleur, de maximale bebouwingshoogte en de bebouwingsvorm van de te bouwen woningen in het project in strijd zijn met de welstandseisen zoals neergelegd in het Beeldkwaliteitsplan
- Eiser [naam eiser 2] betoogt dat verweerder en de welstandscommissie uitsluitend oog hebben gehad voor de nieuwe wijk en niet hebben gekeken naar de combinatie met de bestaande situatie. De rechtbank heeft vastgesteld dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat uitdrukkelijk overleg is geweest met de welstandscommissie over het project en dat de welstandscommissie heeft geoordeeld dat het project aan het in samenspraak met haar opgestelde Beeldkwaliteitsplan 2007 voldoet. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het uitgebrachte advies van de welstandscommissie niet zorgvuldig tot stand is gekomen dan wel anderszins gebreken vertoont, bijvoorbeeld wat betreft de toepassing van het Beeldkwaliteitsplan
- Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder niet heeft mogen afgaan op deze adviezen. Eiser [naam eiser 2] heeft hiertegenover ook geen deskundig tegenadvies in het geding gebracht dat aanleiding geeft te twijfelen aan de juistheid van de advisering. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. Ten aanzien van de stelling van eisers dat verweerder hun belangen onvoldoende heeft meegenomen in de besluitvorming overweegt de rechtbank als volgt. Het nemen van een projectbesluit is op grond van artikel 3.10, eerste lid, van de Wro een discretionaire bevoegdheid, waarbij door de rechtbank slechts kan worden beoordeeld of verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten van die bevoegdheid al dan niet gebruik te maken. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank niet gebleken van een onvoldoende zorgvuldige belangenafweging en motivering van het bestreden besluit ten aanzien van de belangen van eisers. Mede gelet op hetgeen verweerder in de zienswijzennota heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de door eisers aangevoerde zienswijzen heeft meegewogen bij de besluitvorming. Verweerder heeft het projectbesluit naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen verlenen. De beroepsgrond faalt. Al hetgeen hiervoor is overwogen in aanmerking nemende heeft de rechtbank vastgesteld dat het projectbesluit voor wat betreft de concreetheid van het projectbesluit en de uitvoerbaarheid van het project onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en vooralsnog niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Verweerder heeft het projectbesluit vooralsnog niet aan de bouwvergunning ten grondslag kunnen leggen. Dit betekent echter niet dat de besluitvorming in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen. In hetgeen eisers hebben aangevoerd, daarbij mede de complexiteit van het project in ogenschouw nemende, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank ziet, nu de geconstateerde gebreken zich voor herstel lijken te lenen, aanleiding verweerder op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, in de gelegenheid te stellen deze gebreken te herstellen. De rechtbank zal de termijn waarbinnen verweerder in de gelegenheid wordt gesteld om de gebreken te herstellen bepalen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. Indien verweerder heeft medegedeeld van deze gelegenheid geen gebruik te maken of de termijn die daarvoor is bepaald ongebruikt is verstreken, kan de rechtbank met inachtneming van artikel 8:57, tweede lid, van de Awb het onderzoek sluiten en einduitspraak doen zonder nadere zitting. In de einduitspraak zal worden beslist over veroordeling in de proceskosten en over vergoeding van het betaalde griffierecht.” Uit de brief van verweerder van 29 mei 2012 en het daarbij overlegde gewijzigde projectbesluit en de gewijzigde ruimtelijke onderbouwing volgt, kort samengevat, dat verweerder het projectbesluit heeft geconcretiseerd tot de daaraan ten grondslag liggende concrete aanvraag om verlening van een projectbesluit. Daarnaast heeft verweerder de financiële onderbouwing van het project en de maatschappelijke woningbehoefte nader onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat nu met het besluit van 29 mei 2012 niet is tegemoetgekomen aan de bezwaren van eisers, het geding in beroep, gelet op de artikelen 6:18, en 6:19, eerste lid, van de Awb zich mede uitstrekt tot dit nieuwe besluit. Gesteld noch gebleken is dat eisers nog belang hebben bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 21 september 2010 inzake het projectbesluit, zodat de beroepen, voor zover gericht tegen dat besluit, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Naar aanleiding van het besluit van 29 mei 2012 zijn eisers door de rechtbank in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Eisers [namen 2 eisers] hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank stelt voorop dat in deze einduitspraak enkel zal worden beoordeeld of verweerder de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken heeft hersteld. De door eisers aangevoerde gronden ten aanzien van punten die in de tussenuitspraak naar het oordeel van eisers niet zijn besproken dan wel nieuwe door eisers aangevoerde gronden blijven hier, gelet op de goede procesorde, buiten beschouwing. Gelet op de inhoud van het door verweerder in geding gebrachte gewijzigde projectbesluit is de rechtbank van oordeel dat het geconstateerde gebrek dat sprake was van een projectbesluit met een te ruime strekking is geheeld. Het gewijzigde projectbesluit is nader geconcretiseerd ten behoeve van het ingediende bouwplan en niet voor herhaalde toepassing bruikbaar. Het projectbesluit vormt niet langer een toetsingskader voor eventuele toekomstige ontwikkelingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het geconstateerde gebrek daarmee in zoverre hersteld. In hetgeen eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Naar aanleiding van het geconstateerde gebrek met betrekking tot de motivering van de economische uitvoerbaarheid heeft vergunninghoudster een exploitatieopzet van vergunninghoudster overlegd. Verweerder komt in het besluit van 29 mei 2012 tot de conclusie dat gelet op deze exploitatieopzet geen twijfels bestaan over de economische uitvoerbaarheid van het project. De rechtbank ziet in hetgeen door eisers in hun reacties is aangevoerd geen aanknopingspunten op grond waarvan verweerder niet van deze exploitatiebegroting heeft mogen uitgaan. In de brief van 29 mei 2012 heeft verweerder de maatschappelijke woningbehoefte binnen de gemeente nader gemotiveerd. Verweerder heeft aan het besluit van 29 mei 2012 de notitie woningbouwplannen gemeente Duiven 2012-2020 ten grondslag gelegd. Deze notitie is opgesteld naar aanleiding van de haperende economie en de stagnatie op de woningbouwmarkt. Aangegeven wordt dat de gemeentelijke nieuwbouwproductie zal worden verlaagd. Daarnaast wordt echter aangegeven dat als een van de uitgangspunten geldt dat voorrang wordt gegeven aan harde, vastgestelde plannen. Dat zijn woningbouwlocaties met een planologisch erkende titel: een bestemmingsplan of een projectbesluit/ omgevingsvergunning. Vanuit ruimtelijk- en grondzakenperspectief is het niet wenselijk aan deze locaties te tornen. Het gebied “Kloosterkamp” wordt daarbij ook genoemd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op het voorgaande voldoende heeft gemotiveerd waarom het voorliggende bouwplan doorgang dient te vinden en past binnen de bestaande woningbehoefte. In hetgeen eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Nu verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld is het beroep tegen het besluit van 29 mei 2012 ongegrond. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank met inachtneming van artikel 8:74 van de Awb tot de volgende beslissing.
- Beslissing - verklaart de beroepen tegen het besluit van 21 september 2010, inzake het projectbesluit, niet-ontvankelijk; - verklaart de beroepen tegen het besluit van 29 mei 2012 ongegrond; - bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 150 aan ieder hen vergoedt (in totaal € 450). Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.A. Nijmeijer, voorzitter, en mr. L. van Gijn en mr. E. Horsthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier. De griffier, De voorzitter, Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober
- Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. Verzonden op: 30 oktober 2012.