RECHTBANK ARNHEM Sector strafrecht Meervoudige Kamer voor kinderstrafzaken Promis II Parketnummer : 05/700142-12 Datum zitting : 26 oktober 2012 en 29 oktober 2012 Datum uitspraak: 12 november 2012 TEGENSPRAAK In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem tegen naam : [verdachte] geboren op : [geboortedatum] adres : [adres], plaats : [woonplaats], thans verblijvende in [adres]. raadsman mr. A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam.
(2011)zou gebeuren. Eind december 2011 is het plan stopgezet door [verdachte LJN BY2835]. Op 06 januari 2012 heeft [verdachte LJN BY2835] het plan weer geactiveerd. [verdachte LJN BY2835] geeft [dader] ongeveer in de week vóór 14 januari 2012 een briefje met daarop onder meer de adresgegevens van [slachtoffer], een beschrijving van stickers op de ramen van de woning en aanwijzingen met welke bus [dader] bij de woning komt. De informatie op het briefje is afkomstig van verdachte. [dader] gaat op 12 januari 2012 naar Arnhem, naar de straat waar [slachtoffer] woont om [slachtoffer] op te wachten. Verdachte heeft die dag via haar telefoon contact met [klasgenoot], een klasgenoot van [slachtoffer], en heeft [klasgenoot] gevraagd haar door te geven wanneer en hoe [slachtoffer] naar huis gaat. Verdachte geeft deze informatie vervolgens door aan [verdachte LJN BY2835], en [verdachte LJN BY2835] aan [dader]. Omdat het te lang duurt voordat [slachtoffer] thuis komt, gaat [dader] weg. Verdachte is hier boos over. Diezelfde avond vindt er een gesprek plaats via Facebook, tussen [dader] en de account van [verdachte LJN BY2835], waarin wordt afgesproken dat [dader] die zaterdag om twintig over negen naar het huis van [slachtoffer] zal gaan en het hele gezin zal vermoorden. Verdachte en [verdachte LJN BY2835] zijn op dat moment samen. Op 14 januari 2012 reist [dader] zoals afgesproken met [verdachte LJN BY2835] en verdachte opnieuw naar Arnhem. Via de telefoon van [verdachte LJN BY2835] is er op 14 januari 2012 meermalen gebeld naar het toestel van [dader]. Die zaterdag zijn [verdachte LJN BY2835] en verdachte de hele dag samen. [dader] begeeft zich naar de woning van [slachtoffer] met een mes op zak. Eenmaal binnen in de woning, als [dader] en [slachtoffer] alleen op de gang staan, pakt [dader] zijn mes en steekt hij [slachtoffer] neer. Ten gevolge van deze messteken is [slachtoffer] vijf dagen later overleden. Op 03 september 2012 is [dader] door de rechtbank Arnhem veroordeeld voor de moord op [slachtoffer] en de poging doodslag op haar vader, de heer [vader slachtoffer]. Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzet heeft gehad op de uitlokking van de moord. Verdachte is één van de initiators en organisatoren geweest van de moord op [slachtoffer]. Immers naar aanleiding van de ruzie die verdachte had met [slachtoffer] ontstaat bij verdachte de wens en het idee dat [slachtoffer] dood moet. Verdachte deelt deze wens vervolgens met haar vriend [verdachte LJN BY2835]. Verdachte verklaart dat [verdachte LJN BY2835] als eerste met het idee kwam [slachtoffer] te doden, naar aanleiding van het feit dat verdachte boos op haar was. Los van de vraag wie het eerst op het idee is gekomen, verdachte of [verdachte LJN BY2835], is het idee tussen hen tweeën ontstaan en is naar aanleiding van het idee gezamenlijk een plan gemaakt. Verdachte geeft daarbij nog aan dat [verdachte LJN BY2835] het niet zelf moet doen. Uiteindelijk komt [verdachte LJN BY2835] bij [dader] uit. Na overleg met verdachte, vraagt [verdachte LJN BY2835] aan [dader] om [slachtoffer] de mond te snoeren. De rechtbank leidt dit af uit de verklaring van verdachte zelf dat zij [slachtoffer] dood wilde hebben, alsook uit de verklaringen van [verdachte LJN BY2835] tegen wie verdachte tevens deze uitlating deed. Voor de juistheid van verdachtes stelling dat het gebruik van de doodswens in de Chinese taal anders moet worden opgevat dan in het Nederlands heeft de rechtbank geen concrete aanknopingspunten kunnen vinden in het dossier. Deze stelling wordt door geen van de betrokkenen in de zaak onderschreven en is door verdachte ook niet concreet onderbouwd. Uit het dossier is genoegzaam gebleken dat verdachte wist dat het menens was als het over de dood van [slachtoffer] ging. Voorts heeft verdachte samen met [verdachte LJN BY2835] en [dader], gedurende een langere periode meermalen over het doodmaken van [slachtoffer] gesproken. Verdachte heeft [dader] ook geld beloofd tijdens een ontmoeting op 25 december 2011 in Prinsenbeek. [verdachte LJN BY2835] heeft [dader] beloofd zijn drankjes te betalen bij het uitgaan. Verdachte heeft er bij [verdachte LJN BY2835] en samen met [verdachte LJN BY2835] bij [dader] meermalen op aangedrongen [slachtoffer] te doden. [dader] heeft toen ook gevraagd om een pistool. Zonder de ruzie tussen verdachte en [slachtoffer], zonder de wens van verdachte dat [slachtoffer] dood zou gaan, zonder het handelen van verdachte en [verdachte LJN BY2835] jegens [dader], was er bij [dader] geen wilsbesluit geweest [slachtoffer] te vermoorden. Dit wilsbesluit is enkel ontstaan doordat verdachte en [verdachte LJN BY2835] hem hiertoe hebben aangezet. Uit niets is gebleken dat verdachte haar doodswens niet serieus zou menen. Voorts heeft verdachte concrete inlichtingen verschaft om het plan uit te voeren. Verdachte heeft adresgegevens van [slachtoffer] via een schoolsysteem opgezocht en via [verdachte LJN BY2835] aan [dader] doorgespeeld. Ook heeft verdachte informatie gegeven over stickers bij de deur van de familie [slachtoffer] en de tijdstippen waarop [slachtoffer] op donderdag 12 januari 2012 en daarna op zaterdag 14 januari 2012 thuis zou zijn. Verdachte wijst [dader] er op dat [slachtoffer] op zaterdag altijd pianoles heeft en dat de vader en het broertje van [slachtoffer], omdat het weekend is, wellicht ook thuis zijn overdag. Ook op donderdag 12 januari is verdachte erbij wanneer [dader] en [verdachte LJN BY2835] met elkaar via Skype en Facebook contact hebben. [dader] heeft uiteindelijk het plan uitgevoerd en is op 03 september 2012 ook veroordeeld voor de moord op [slachtoffer]. Hiermee is voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt aan een strafbare uitlokking. Naar het oordeel van de rechtbank is tevens sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [verdachte LJN BY2835] bij het uitlokken van de moord. Verdachte en [verdachte LJN BY2835] hebben vanaf eind november 2011 tot en met 14 januari 2012 samen afspraken gemaakt, voorbereidingen getroffen en de moord op [slachtoffer] uitgelokt. Zowel verdachte als [verdachte LJN BY2835] hebben verschillende handelingen verricht teneinde de moord uit te lokken. Verdachte heeft hieraan een wezenlijke bijdrage gehad door contact te onderhouden met [dader], rechtstreeks dan wel via [verdachte LJN BY2835], door [dader] geld te bieden voor de moord en daarnaast door het verschaffen van concrete inlichtingen en informatie over het adres en de aanwezigheid van [slachtoffer]. De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte niet had verwacht en niet hoefde te verwachten dat [dader] daadwerkelijk [slachtoffer] zou vermoorden en dat het initiatief volledig vanuit [verdachte LJN BY2835] kwam. De rechtbank volgt dit standpunt niet, nu uit de verklaringen van [verdachte LJN BY2835] , verdachte , [getuige6] , [getuige1] en [getuige2] blijkt dat er (kort) voorafgaand aan de bewuste dag meermalen tussen verdachte en [verdachte LJN BY2835] over het plan om [slachtoffer] van het leven te beroven, is gesproken en verdachte zich op geen enkel moment heeft gedistantieerd van het plan en de uitvoering hiervan, hoewel zij hiervoor gedurende anderhalve maand meermalen gelegenheid heeft gehad. Daarentegen heeft verdachte er meermalen bij [verdachte LJN BY2835] en [dader] op aangedrongen het plan uit te voeren en was verdachte teleurgesteld en boos toen [verdachte LJN BY2835] het plan in december stop zette en [dader] op 12 januari 2012 onverrichter zake naar huis terug ging. Mede onder druk van verdachte is het plan derhalve begin januari weer geactiveerd en is [dader] 14 januari 2012 terug gegaan naar de woning van [slachtoffer]. Het gepleegde feit heeft naar het oordeel van de rechtbank enkel plaats kunnen vinden door het samenspel tussen [verdachte LJN BY2835] en verdachte enerzijds en [dader] anderzijds. Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken is vast komen te staan dat verdachte samen met [verdachte LJN BY2835] door middel van het doen van beloften en het verstrekken van gelegenheid en inlichtingen de moord op [slachtoffer] heeft uitgelokt. Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met de medeverdachte [verdachte LJN BY2835] schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van het opzettelijk uitlokken van moord, door het doen van beloften en het verschaffen van gelegenheid en inlichtingen. De verdachte dient van het alternatief tenlastegelegde medeplegen van moord te worden vrijgesproken nu zij en [verdachte LJN BY2835] [dader] hebben overgehaald de moord te plegen en verdachte en [verdachte LJN BY2835] aan de uitvoering daarvan niet hebben meegewerkt. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat: [dader] op 14 januari 2012 te Arnhem, opzettelijk, met voorbedachten rade, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum]) van het leven heeft beroofd, immers heeft die [dader] opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, in de hals, van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] (op 19 januari 2012) is overleden, welk feit zij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander omstreeks de periode van 01 december 2011 tot met 14 januari 2012 te Rotterdam en te Arnhem en elders in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt, door, al dan niet door tussenkomst van [medeverdachtedachte 05/700101-12], (bij) die [dader] - (meermalen) (dwingend) door middel van Facebook en/of andere sociale media /of sms-berichten en/of (een) telefoongesprek(ken) en/of tijdens ontmoeting(en), te vragen en/of er op aan te dringen om [slachtoffer] te doden en -(daarbij) een geldbedrag aan te bieden en -(daarbij) een papiertje met daarop het adres van voornoemde [slachtoffer] te geven en -(daarbij) inlichtingen te verschaffen over het tijdstip waarop voornoemde [slachtoffer] thuis zou (moeten) zijn, en -(daarbij) te beloven om bij het uitgaan alle drankjes voor die [dader] te betalen Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad. Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. 4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van opzettelijke uitlokking van moord door beloften en het verschaffen van gelegenheid en inlichtingen Het feit is strafbaar. 5. De strafbaarheid van verdachte Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar. 6. De motivering van de sanctie(
- s)Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft ter terechtzitting ten aanzien van de op te leggen straf het volgende overwogen. Verdachte was ten tijde van het plegen van de moord 16 jaar oud. Ingevolge artikel 77i, eerste lid onder b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan in dat geval maximaal 24 maanden jeugddetentie worden opgelegd, naast een eventuele maatregel. Op grond van artikel 77b Sr en 77gg Sr, in combinatie met de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 15 oktober 1992 (NJ 1993, 122) en aantekening 4 van de toelichting bij artikel 77gg Sr, bestaat echter de mogelijkheid voor een zestienjarige verdachte het sanctierecht voor volwassenen toe te passen. Verdachte was gedurende een deel van de tenlastegelegde periode 15 jaar. Uit eerdergenoemd arrest van het Gerechtshof blijkt dat de Hoge Raad onder vigeur van artikel 77kk Sr (oud) al het volwassenenstrafrecht toepaste bij een veroordeling ter zake van meerdere feiten bij het plegen waarvan de veroordeelde deels vijftien jaar was. Hoewel er in het onderhavige geval geen sprake is van meerdere tenlastegelegde feiten of van samenloop, stelt de officier van justitie dat evenwel analoog toepassing kan worden gegeven aan artikel 77b Sr gelet op eerdergenoemde artikelen. Voorts wijst de officier van justitie in dat kader op een uitspraak van de Hoge Raad van 14 april 1987 (NJ 1988, 614). De officier van justitie stelt voorts dat voldaan is aan de voorwaarde(
- n)voor het toepassen van het sanctierecht voor volwassenen, genoemd in het eerste lid van artikel 77b Sr. De ernst van de zaak, de uitzonderlijke omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de rol van verdachte hierbij, rechtvaardigen de toepassing van het sanctierecht voor volwassenen. De persoon van verdachte en de bij haar bestaande mate van persoonlijkheidsproblematiek vormen geen contra-indicaties hiervoor. De officier van justitie vraagt de rechtbank dan ook voorbij te gaan aan het advies van de deskundigen hieromtrent, nu de rechtbank hieraan niet gebonden is. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en daarnaast oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Het standpunt van de verdachte, de verdediging De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging zich verzet tegen toepassing van het sanctierecht voor volwassenen. In dat kader heeft de raadsman de rechtbank ter terechtzitting verzocht om, indien de rechtbank overweegt het sanctierecht voor volwassenen toe te passen, de deskundigen die onderzoek naar verdachte hebben verricht nader te horen over de (on)wenselijkheid van het toepassen daarvan. Indien het minderjarigenstrafrecht wordt toegepast, heeft de verdediging bepleit dat niet is voldaan aan de criteria voor oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, met name niet aan het criterium dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van de maatregel eist. De verdediging verzoekt bij een bewezenverklaring en indien behandeling nodig wordt geacht een deels voorwaardelijke straf op te leggen met een proeftijd en bijzondere voorwaarden. Subsidiair verzoekt de verdediging oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel. Beoordeling Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een uitzonderlijk ernstig strafbaar feit. [slachtoffer] en haar vader zijn op klaarlichte dag in hun eigen woning met een mes aangevallen door [dader] als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden en haar vader blijvend is verminkt. Het broertje van [slachtoffer], [getuige7], is getuige geweest van deze aanval op zijn zus en zijn vader. Meerdere mensen in de buurt zijn direct getuige geweest van de ernstige gevolgen van de aanval. Verdachte was goed bevriend met [slachtoffer] totdat een ruzie hen uiteendreef en verdachte ertoe bracht samen met [verdachte LJN BY2835] opdracht te geven [slachtoffer] te vermoorden. Dat vriendschap tussen twee jonge meisjes door een ogenschijnlijk triviale ruzie kan omslaan in diepe haat en uiteindelijk kan leiden tot uitlokking van moord is schokkend en nauwelijks te bevatten. De gevolgen voor de nabestaanden zijn onbeschrijfelijk, zo is ter zitting duidelijk naar voren gekomen. Daarnaast heeft deze gebeurtenis een enorme schok in de buurt, de stad Arnhem, het hele land en zelfs in het buitenland teweeggebracht. Aan verdachte kan worden verweten dat zij in de lange aanloop naar het delict niet op enig moment tot bezinning is gekomen en heeft afgezien van (de uitvoering van) het plan. Hiervoor had zij op meerdere momenten de mogelijkheid. Daarentegen heeft verdachte al dan niet door tussenkomst van [verdachte LJN BY2835] meermalen erop aangedrongen dat [slachtoffer] zou worden gedood. Verdachte is kil, berekenend en heimelijk te werk gegaan, hetgeen de rechtbank zeer ernstig en zorgelijk acht. De gevolgen voor het slachtoffer en de nabestaanden heeft zij op geen enkel ogenblik onder ogen gezien of willen zien. De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 01 oktober 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder door een strafrechter is veroordeeld. De rechtbank overweegt voorts het volgende. Verdachte was gedurende de tenlastegelegde periode deels vijftien en deels zestien jaar oud. Dit leidt ertoe dat er ingevolge artikel 77i Sr verschillende strafmaxima van toepassing zijn bij toepassing van het sanctierecht voor jeugdigen. Daarnaast maakt de zestienjarige leeftijd van verdachte het mogelijk ingevolge artikel 77b Sr het sanctierecht voor volwassenen toe te passen. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte gedurende de tenlastegelegde periode dient te worden beschouwd als zijnde handelingen gericht op één wilsbesluit, namelijk het uitlokken van de moord op [slachtoffer]. Dit wilsbesluit is telkens door de handelingen van verdachte bevestigd, niet alleen op momenten dat verdachte nog vijftien jaar was, maar ook nadat zij zestien jaar geworden was. Voor het naast elkaar toepassen van het strafregime voor 16-min en 16-plus biedt de wet geen ruimte zodat de rechtbank een keuze zal moeten maken. Nu verdachte ten tijde van het plegen van het delict ook zestien jaar was en het zwaartepunt van de tenlastegelegde periode, te weten het neersteken van [slachtoffer] op 14 januari 2012, in de periode ligt dat verdachte zestien jaar was, is de rechtbank van oordeel dat bij de strafoplegging rekening gehouden dient te worden met de leeftijd van zestien jaar. Ten aanzien van minderjarige verdachten is de hoofdregel dat het sanctierecht voor jeugdigen wordt toegepast. Gelet op artikel 77b, eerste lid, Sr kan het sanctierecht voor jeugdigen buiten toepassing gelaten worden en kan recht worden gedaan overeenkomstig het sanctierecht voor volwassenen indien daartoe grond wordt gevonden in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De officier van justitie heeft, gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, de rechtbank verzocht het sanctierecht voor volwassenen toe te passen. De verdediging heeft zich hiertegen verzet. De rechtbank stelt voorop dat het onderhavige feit een uitzonderlijk ernstig strafbaar feit is. Verdachte heeft door haar handelen [slachtoffer] haar meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Daarnaast zijn de nabestaanden achtergebleven met een onbeschrijfelijk verdriet en gemis en met de onbeantwoorde vraag hoe zoiets heeft kunnen gebeuren. Verdachte heeft deze moord samen met de medeverdachte gedurende langere tijd, doelbewust, gepland en uitgelokt. [slachtoffer] is op klaarlichte dag in haar eigen woning met een mes aangevallen en vermoord vanwege een relatief geringe aanleiding. Hiervan zijn haar vader en broertje getuige geweest. Het feit heeft een schok door de samenleving doen gaan, mede door de jonge leeftijd van de daders. De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan wegen voor de rechtbank zwaar en kunnen toepassing van het meerderjarigenstrafrecht rechtvaardigen. Hiertegenover staat het belang van de persoon van de verdachte. Er zijn twee persoonlijkheidsrapportages opgemaakt over verdachte. Uit de rapportage van psycholoog dr. [psycholoog] van 7 augustus 2012 blijkt dat er bij verdachte sprake is “van een achterstand in de sociaal-emotionele ontwikkeling, identiteitsproblematiek en een gedragsstoornis NAO (…); hiermee is tevens sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. In dit kader kan er gesproken worden van een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens. Tevens is er sprake van een ouder-kind relatieprobleem. (…) Tijdens het tenlastegelegde was hiervan tevens sprake. (…) Vanuit zorgoogpunt is behandeling geïndiceerd, gericht op de gebrekkige inter-persoonlijke, morele en affectieve vermogens van betrokkene, de beperkte frustratietolerantie en verhoogde impulsiviteit. Tevens dient er aandacht te zijn voor het beperkte probleeminzicht en -besef, en is het van belang voor de verdere (morele) ontwikkeling van betrokkene dat ze zich meer bewust wordt van de situatie rondom het tenlastegelegde en de betekenis hiervan voor het leven van alle betrokkenen. Bij voorkeur dient tevens het gezinssysteem hierbij betrokken te worden. Echter, mede gezien de (affectieve) opvoedingsvaardigheden van ouders en het onduidelijke toekomstperspectief van het gezin wordt van een ambulante behandeling onvoldoende effect verwacht. Betrokkene heeft duidelijke structuur en begrenzing nodig en lijkt te kunnen profiteren van het gestructureerde en veilige leefklimaat op een (behandel)groep. (…)” Gezien de aard van de problematiek en de ernst van het tenlastegelegde zou “in overweging gegeven worden deze behandeling in het kader van een PIJ-maatregel te laten plaatsvinden. (…) Gezien de achterstand in de sociaal-emotionele ontwikkeling – en de gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens – van betrokkene is toepassing van het meerderjarigenstrafrecht niet geïndiceerd. Betrokkene functioneert ten tijde van dit onderzoek nog op een lager (moreel) ontwikkelingsniveau. (…)” De diagnose en het advies worden gedeeld door de mederapporteur, kinder- en jeugdpsychiater dr. [jeugdpsychiater]. Ook de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering hebben ter zitting van 26 oktober 2012 geadviseerd het jeugdsanctierecht toe te passen. Een van de uitgangspunten van het jeugdrecht is dat minderjarigen nog niet uitontwikkeld zijn. Hierdoor ligt in het jeugdrecht de nadruk op de persoon van de dader en op het pedagogisch karakter en minder op vergelding. De rechtbank leidt uit voornoemde rapportages af dat behandeling van verdachte noodzakelijk is en dat er binnen de kaders van het sanctierecht voor jeugdigen middelen en mogelijkheden zijn verdachte te behandelen. De rapporteurs verwachten dat behandeling in het kader van een PIJ-maatregel nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden biedt aan verdachte om de scheefgroei, die er in de persoonlijkheid van verdachte is ontstaan, te compenseren. Daarnaast acht de rechtbank het, gelet op de rapportages, van belang dat de ouders van verdachte en het gezinssysteem betrokken worden bij de behandeling, hetgeen bij uitstek in het jeugdstrafrechtelijk kader past en ook enkel dit kader hier passende mogelijkheden voor biedt. Voorts zit verdachte vanaf februari 2012 in voorarrest in een Justitiële Jeugdinrichting (hierna: JJI). In de JJI is er gedurende het voorarrest reeds aangevangen met de behandeling van verdachte. Uit de stukken en de ter zitting van 26 oktober 2012 naar voren gebrachte informatie door de Jeugdreclassering, is gebleken dat verdachte gedurende de afgelopen maanden reeds een positieve ontwikkeling heeft ingezet. Bij detentie in een gevangenis, waartoe toepassing van volwassenenstrafrecht zou leiden, zijn er geen mogelijkheden voor behandeling. Toepassing van het sanctierecht voor volwassenen zou betekenen dat, nu de rechtbank alsdan een langere onvoorwaardelijke detentiestraf passend acht, de ingezette behandeling van verdachte zal worden gestopt en pas na het voltooien van de gevangenisstraf kan worden voortgezet. De rechtbank acht het niet wenselijk de ingezette positieve ontwikkeling van verdachte te doorbreken door een overplaatsing naar een gevangenis. De rechtbank betrekt hierbij dat verdachte op een lager niveau dan haar kalenderleeftijd functioneert. De rechtbank vindt het belangrijk dat de behandeling nu plaatsvindt, terwijl er nog ontwikkelingsmogelijkheden zijn en niet pas na enkele jaren detentie als de ontwikkelingsmogelijkheden zijn afgenomen en de scheefgroei naar verwachting is toegenomen. Hoewel er in het onderhavige geval sprake is van een volwassen daad, dient naar het oordeel van de rechtbank in de afweging van de belangen van verdachte en die van de samenleving die van de behandeling van de persoon van verdachte zwaarder te wegen dan de ernst van het feit. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het sanctierecht voor jeugdigen toepassen en geen toepassing geven aan artikel 77b Sr. De rechtbank wil daarmee niets afdoen aan het verlies en het verdriet van de nabestaanden. Dit verlies kan op geen enkele wijze gecompenseerd worden, ook niet door het strafrecht. Hier is het strafrecht ook niet alleen voor bedoeld. Bij toepassing van het strafrecht moet recht worden gedaan aan de samenleving, de slachtoffers en ook aan de verdachte. De rechtbank acht gelet op de bijzondere ernst van het feit evenwel enkel de maximale straf voor een zestienjarige verdachte passend, zijnde een jeugddetentie voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat, eveneens gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en mede gelet op het feit dat verdachte een feit heeft gepleegd waarop voorlopige hechtenis is toegelaten en voorts in aanmerking genomen dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist, terwijl de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte en de noodzakelijke behandeling kan bieden, het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen geboden is. De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist, nu is gebleken dat er door de deskundigen met het oog op herhalingsgevaar geen andere mogelijkheden gezien worden een gedragsverandering bij verdachte teweeg te brengen dan met een klinische behandeling. De psychiater heeft de kans op recidive zonder behandeling ingeschat op matig tot hoog en geen beschermende factoren geconstateerd. De psycholoog heeft geen concreet advies gegeven over de kans op recidive, doch uit de eerder aangehaalde rapportage d.d. 7 augustus 2012 en haar verklaring ter zitting van 26 oktober 2012 blijkt dat gelet op de sociaal-emotionele ontwikkeling van verdachte en de beperkte empathische vermogens de kans op dwingend, manipulatief en instrumenteel gedrag aanwezig blijft. De rechtbank is van oordeel dat, zonder behandeling in een PIJ-kader, de kans op recidive reëel te achten is. 6a. De beoordeling van de civiele vorde¬ring(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij dhr. [vader slachtoff[slachtoffer] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van beide vorderingen, strekkende tot vergoeding van geleden schade. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [vader slachtoffer] als nabestaande hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 9.036,20 met toepassing van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde als slachtoffer toe te wijzen tot een bedrag van € 12.487,91, waarbij de zaakschade ad € 836,50 en de shockschade ad € 8.500,-- hoofdelijk en het overige bedrag van € 3.151,41 niet hoofdelijk dient te worden toegewezen. Een en ander met toepassing van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie verzoekt de overige delen van de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren. Het standpunt van de verdachte, de verdediging De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vorderingen dienen te worden afgewezen, nu de verdediging vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Beoordeling van de standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij [vader slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vorderingen (deels) zullen worden toegewezen. Ten aanzien van de vordering ingediend als nabestaande wordt dat deel van de vordering dat betrekking heeft op de kosten van lijkbezorging toegewezen. Voor het overige wijst de rechtbank de vordering af nu deze op grond van artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek niet voor toewijzing in aanmerking komt. De rechtbank acht daarbij zowel de primaire als de secundaire uitvaartkosten toewijsbaar en acht daarnaast de gevorderde reiskosten en verlenging columbarium toewijsbaar, zodat in totaal een bedrag van € 9.036,20 zal worden toegewezen. Deze vergoeding zal hoofdelijk worden opgelegd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij als slachtoffer, zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 9.336,50. De bedragen ten aanzien van de zaakschade (€ 836,50) en shockschade (€ 8.500,-) zullen hoofdelijk worden toegewezen. De overige bedragen zien op de verwondingen van de benadeelde partij zelf. De vordering zal op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard, nu niet uit te sluiten valt dat er civielrechtelijke aansprakelijkheid voor deze schade bestaat. Het al dan niet vaststellen hiervan vormt een onevenredige belasting voor dit strafgeding. Voor het toewijsbare deel van de vordering geldt tevens dat de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en verdachte de verplichting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij. 7. De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77l, 77s en 289 van het Wetboek van Straf¬recht. 8. De beslissing De rechtbank, rechtdoende: Spreekt verdachte vrij van het tweede alternatief tenlastegelegde. Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden. Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht. En voorts tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij dhr. [vader slachtoffer] Wijst de vordering van de benadeelde partij toe voor zover deze betrekking heeft op de kosten van lijkbezorging. - Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover de medeverdachte(
- n)beta(a)lt(
- en)ook veroordeelde daardoor tegenover [vader slachtoffer] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [vader slachtoffer], te betalen € 9.036,20 zegge negenduizendzesendertig euro en twintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2012. - Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken. Wijst de vordering voor het overige af. Maatregel van schadevergoeding ad € 9.036,20, subsidiair 15 dagen jeugddetentie. - Legt op aan veroordeelde – met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader(
- s)betaalt/betalen ook veroordeelde daardoor tegenover de Staat zal zijn gekweten - de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [vader slachtoffer], te betalen € 9.036,20, (zegge negenduizendzesendertig euro en twintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2012, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. - Bepaalt daarbij dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [vader slachtoffer] Wijst de vordering van de benadeelde partij deels toe. - Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover de medeverdachte(
- n)beta(a)lt(
- en)ook veroordeelde daardoor tegenover [vader slachtoffer] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [vader slachtoffer], te betalen € 9.336,50 zegge negenduizenddriehonderdzesendertig euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2012. - Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken. - Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk nu behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Verstaat dat de vordering wat dit betreft kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter. Maatregel van schadevergoeding ad € 9.336,50, subsidiair 15 dagen jeugddetentie. - Legt op aan veroordeelde – met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader(
- s)betaalt/betalen ook veroordeelde daardoor tegenover de Staat zal zijn gekweten - de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [vader slachtoffer], te betalen € 9.336,50, (zegge negenduizenddriehonderdzesendertig euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2012, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. - Bepaalt daarbij dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen. Aldus gewezen door: mr. M.E. Snijders, kinderrechter, als voorzitter, mr. J.Th. van Belzen, kinderrechter, mr. W.J. Vierveijzer, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Baaziz, griffier. en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 november 2012.