Arrondissementsrechtbank Assen Vijfde meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Kenmerk: 97 / 1053 AAW P06 U I T S P R A A K In het geding tussen A te B, eiser, en het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, (GAK Assen), verweerder. I Ontstaan en loop van het geding Namens eiser heeft mr. Y. van der Pol beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 oktober 1997. Verweerder heeft de gedingstukken ingezonden en heeft een verweerschrift ingediend. Zowel eisers gemachtigde als verweerder heeft daarna nog stukken ingediend. Partijen hebben de beschikking gekregen over alle gedingstukken. Het beroep is op 7 mei 1998 behandeld ter zitting van een meervoudige kamer. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder is, na daartoe ambtshalve opgeroepen te zijn, verschenen bij zijn gemachtigde mr. Th. Martens. II Motivering Toetsing algemeen Uit het bepaalde in artikel 8:70 Awb volgt dat de rechtbank oordeelt over het beroep. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:1 Awb richt het beroep zich steeds tegen een besluit. Beroep en het daardoor bestreden besluit zijn dan ook hetgeen aan het oordeel van de rechtbank is onderworpen. Daarover wordt beslist door de rechtbank (objectum litis). De samenhang tussen beroep en besluit leidt de rechtbank tot de opvatting dat onder "beroep" moet worden verstaan: hetgeen de insteller van het beroep (eiser) beoogt te bereiken met de beslissing die de rechtbank moet nemen. Anders gezegd: de vordering van de eiser ten aanzien van de door hem gewenste beslissing van de rechtbank over het besluit. In geval van gegrondverklaring van het beroep moet dan ook beslist worden, wat de gevolgen van dit oordeel van de rechtbank voor het bestreden besluit dienen te zijn (artikel 8:72 Awb). De rechtbank is van oordeel dat uit het bepaalde in artikel 8:1, eerste lid, juncto 6:5, eerste lid, en 8:69, eerste lid, Awb voortvloeit, dat de eiser bepaalt wat het objectum litis is (partij-autonomie). Daarbij kan deze niet treden buiten hetgeen door het bestuursorgaan is beslist, of door dat orgaan geacht moet worden te zijn beslist. Indien sprake is van één besluit (één beslissing gericht op 'n rechtsgevolg) en indien de eiser dit besluit geheel ongedaan gemaakt wil zien, is er geen sprake van enige beperking van de omvang van het geschil. De rechtbank ziet " het geschil" daarbij als de rechtsstrijd tussen partijen over beroep en besluit. Is bijvoorbeeld sprake van een kennisgeving van meerdere besluiten (ieder besluit is gericht op enig rechtsgevolg, waarbij de besluiten al dan niet samenhangen), dan kan het beroep zich bijvoorbeeld slechts tegen één besluit richten. In dat geval vallen de andere besluiten buiten de beoordeling en beslissing van de rechtbank. Dit is bijvoorbeeld het geval indien uitsluitend beroep wordt ingesteld tegen een voorwaarde bij een vergunning, of tegen de ingangsdatum van een uitkering en niet tegen het feit dat de uitkering tegelijk slechts voor een deel is toegekend. In dit verband merkt de rechtbank op het begrip "onderdeel" van een besluit niet in artikel 8:69 of overigens in de Awb te kunnen plaatsen (vgl. ABRS 29 juli 1997, JB 97/217). Naast de beperking van de ruimte waarbinnen de rechtbank moet blijven als gevolg van het al dan niet bestrijden van een besluit, geldt in de visie van de rechtbank de beperking tot hetgeen door de eiser is gevorderd. Dit vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort uit het feit dat over het beroep moet worden beslist (artikel 8:70 en 8:72 Awb). Indien de eiser bijvoorbeeld een ingangsdatum van de uitkering vordert, die een paar maanden eerder ligt dan de datum die door het bestuursorgaan is gekozen, terwijl uit feiten (blijkend uit de gedingstukken) en rechtsregels voortvloeit dat aanspraak op een nog vroegere ingangsdatum bestaat, dan kan de rechtbank niet buiten beroep en besluit om die eerdere ingangsdatum opleggen aan het bestuursorgaan (partij-autonomie). Stelt de rechtbank echter bijvoorbeeld vast dat er in het geheel geen sprake was van een recht op uitkering, en derhalve dat het besluit op dit punt niet in overeenstemming met het recht is, dan valt het buiten de bevoegdheid van de rechtbank om dit te beslissen, nu het beroep zich niet richt tegen het besluit om de uitkering toe te kennen, doch slechts tegen het besluit om daarbij een bepaalde ingangsdatum te nemen. Deze visie impliceert dat de omvang van het beroep (objectum litis) niet wordt gelijkgesteld met "een punt van geschil"; en voorts dat de omvang van het beroep niet dient te worden vastgesteld aan de hand van "grieven", zonder er daarbij acht op te slaan wat de vordering van de eiser -zonodig desgevraagdis (vgl. onder meer CRvB 8 juli 1997, JB 97/179, AB 97/329, RSV 97/272; en ABRS 29 juli 1997, JB 97/217). Het eerste en tweede lid van artikel 8:69 Awb dragen de rechtbank op bij de uitspraak ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen op grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het verhandelde tijdens het onderzoek ter zitting. Dat op grondslag van het beroepschrift moet worden beslist, heeft, nu sprake is van een door partijen bepaald objectum litis, tot gevolg dat de rechtbank niet is toegestaan rechtsregels (die in beroep kunnen zijn aangevoerd en alsdan onderdeel uitmaken van de gestelde beroepsgronden) toe te passen, welke betrekking hebben, c.q. gericht zijn, op besluiten, waartegen het beroep zich niet richt; ongeacht de vraag of zijdens partijen een beroep is gedaan op die regels. De rechtbank heeft als taak beroep en bestreden besluit te toetsen op overeenstemming met het recht/de rechtsregels (rechtmatigheidstoets; MvT 22495, pag. 31; een bepaling in de Awb ontbreekt). De rechtbank is niet bekend met enig verlangen van de wetgever, noch met een wettelijke bepaling, inhoudend dat die toetsing in bepaalde gevallen niet zou moeten geschieden of niet het hele recht zou moeten betreffen. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat de beslissing van de rechtbank over besluit en beroep, en daarmee de regeltoepassing door de rechtbank, niet is beperkt tot een bepaald soort rechtsregels. In verband hiermee overweegt de rechtbank min of meer ten overvloede nog als volgt. De tot dusver door CRvB en ARRvS gevormde jurisprudentie onderscheidt tussen rechtsregels van openbare en van niet-openbare orde. Zo is als rechtsregel van openbare orde aangemerkt de beroepstermijn (CRvB 4 maart 1997, AB 97/268). Als niet van openbare orde is aangemerkt het in de kennisgeving van het besluit vermelden van de motivering van het besluit (CRvB 8 juli 1997, JB 97/179) alsmede het horen op grondslag van artikel 7:2 Awb (ABRS 29 juni 1996, JB 96/190). Uit die jurisprudentie is de rechtbank niet duidelijk geworden welke criteria gelden voor dit onderscheid. De rechtbank is echter wel gewaar geworden dat dit onderscheid zowel wordt aangelegd indien buiten de grondslag van het beroep wordt getreden (CRvB 16 oktober 1996, JB 96/261), als indien het gaat om aanvulling van door partijen gestelde rechtsgronden (CRvB 8 juli 1997, JB 97/179). De aan de rechtbank opgedragen rechtmatigheidstoetsing van beroep en besluit leidt de rechtbank voorts tot de gevolgtrekking, dat de ingevolge het tweede lid van artikel 8:69 Awb voor de rechtbank geldende verplichting om de rechtsgronden aan te vullen, niet uitgelegd kan worden als een verplichting om een rechtsgrond als "wel of niet in geschil" aan te merken en ingeval van "niet in geschil" de rechtbank gehouden te achten daarover dus geen oordeel te vellen, ook al is dit nodig om de juiste rechtsregels ten grondslag te leggen aan de beslissing van de rechtbank. Dit speelt indien er bijvoorbeeld sprake is van eensgezindheid tussen partijen, of van een gebrek aan standpunt van een partij, over het al dan niet toepassen van een rechtsregel door het bestuursorgaan bij het voorbereiden en nemen van de bestreden beslissing. De rechtbank ziet het bepaalde in het tweede lid van artikel 8:69 Awb dan ook als niet meer dan één van de bepalingen, waarin naar voren komt dat de bestuursrechter actief dient te zijn bij de verwezenlijking van een juiste rechtstoepassing in het geschil tussen partijen. Die opdracht brengt echter tevens mee dat de rechtbank onder omstandigheden buiten het door beroep en besluit afgebakende gebied dient te treden. Dit is het geval indien de rechtbank vaststelt dat sprake is van toepasselijkheid van rechtsregels, die zich er tegen verzetten dat partijen vrij zijn om middels beroep en besluit tot die afbakening te komen. De rechtbank is van opvatting dat dit type toepassing van rechtsregels, beperkt dient te zijn tot die rechtsregels, die daarvoor expliciet door de rechter zijn of worden aangewezen, al dan niet in verband met belangen van derden bij handhaving van de werking van die regels. De rechtbank ziet hierbij, op dit moment, in ieder geval op regels betreffende bevoegdheid en ontvankelijkheid (vgl. CRvB 16 oktober 1996, JB 96/261 en 4 maart 1997, AB 97/268; anders ABRS 21 januari 1997, AB 97/136). Dit soort regels kan worden aangeduid als regels van openbare orde. De rechtbank is voorts van oordeel dat voormelde rechtmatigheidstoetsing niet zonder meer meebrengt dat aan een door de rechtbank geconstateerde schending van een rechtsregel, leidt tot een vernietiging van het bestreden besluit en als gevolg daarvan vernietiging van de rechtsgevolgen van het besluit. De rechtbank is van oordeel dat de wet de ruimte laat voor een eiser om de rechtbank te verzoeken niet een (bepaald) gevolg te verbinden aan de schending van een rechtsregel door het bestuursorgaan. Zoals de wet ook de ruimte laat om besluiten niet te bestrijden en aan die besluiten rechtskracht toekent, ook al zijn deze strijdig met het recht (artikel 3:40 jo 1:3, eerste lid, en 8:72, tweede lid, Awb). Bij de beslissing op dit verzoek zal, al dan niet in samenhang met de regel van artikel 6:22 Awb, als regel gelden dat dit gehonoreerd wordt (vgl. rb Assen, 24 juni 1997, IB 97/204). Daarvan zal in ieder geval worden afgeweken als belangen van derden dit vergen (afwijking van wat een eiser wenst als gevolg van toepasselijkheid van regels van openbare orde, betreft een ander aspect en is reeds aan de orde geweest). Zo zou de rechtbank wel in toetsing betrekken of sprake was van een hoorplicht op grond van artikel 7:2 Awb, en of de daarvoor geldende regels zijn nageleefd, doch daaraan geen gevolg verbinden indien degene, in wiens belang die regels gegeven zijn, -desgevraagdte kennen geeft hier geen punt van te willen maken. Hiermee wordt tot dezelfde uitkomst gekomen als in de uitspraak van de ARRvS van 29 juli 1996, JB 96/190. Dit staat echter los van het feit dat de rechtbank op grond van voormelde rechtmatigheidstoetsing ook in de beoordeling zal betrekken of sprake is van toepasselijkheid van een andere dan de aan dit bestreden besluit ten grondslag gelegde weigeringsgrond, welke tot een gelijkblijvende uitkomst leidt. In dat geval zal ook geen vernietiging van het bestreden besluit volgen. Dit is bijvoorbeeld het geval indien WW-uitkering geweigerd is wegens het niet voldoen aan de wekeneis, terwijl de rechtbank vaststelt dat de betrokkene geen recht op uitkering kan hebben omdat hij niet verzekerd was op grond van de Werkloosheidswet. Tenslotte is de rechtbank de opvatting toegedaan dat zij bij de rechtmatigheidstoetsing er naar moet streven deze zo adequaat als mogelijk en doenlijk is uit te voeren. Daarbij dient zij bijzondere aandacht te hebben voor het toepassen van rechtsregels die het karakter van grondregels hebben, zoals het recht op een eerlijke en onbevooroordeelde behandeling en het recht op effectieve rechtsbescherming, onder andere waar het betreft het zoeken naar de materiële waarheid in een ongelijkwaardige verhouding tussen burger en bestuursorgaan (TK, 1991-92, 22495, nr. 3, pag 31 en 32). Beroep en toetsing Blijkens het beroepschrift en het verhandelde ter terechtzitting strekt het beroep ertoe tot een vernietiging van de beslissing van verweerder te komen, alsmede om een beslissing van de rechtbank te krijgen op grond waarvan eiser per 2 mei 1997 recht heeft op een AAW-uitkering op basis van volledige arbeidsongeschiktheid, dan wel een beslissing van de rechtbank met als strekking dat verweerder een nadere beslissing dient te nemen over dit recht op uitkering; beide gepaard gaande met een veroordeling in kosten, rente en griffierecht. Daarmee bestrijdt eiser integraal het besluit van verweerder om te weigeren zijn aanvraag in te willigen. Het beroep is dus niet op enigerlei wijze beperkt, anders dan tot de grenzen die door het besluit zelf worden getrokken. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank niet alleen acht dient te slaan op de door partijen gestelde rechtsregels die op deze weigering van toepassing zouden zijn, doch ook op de rechtsregels die niet door partijen zijn gesteld, doch wel gelden voor de aanvraag van eiser en de beslissing op die aanvraag. Nu sprake is van beroep tegen een besluit op bezwaar, dient dit besluit te worden aangemerkt als het besluit op de aanvraag. Dit heeft weer tot gevolg dat de rechtsregels voor het besluiten op bezwaar behoren tot de rechtsregels, die door de rechtbank in aanmerking moeten worden genomen bij de vraag of er reden is om tot aanvulling van rechtsgronden te komen. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat binnen het beroep wordt gebleven, indien het beroepen besluit van verweerder zou worden vernietigd en verweerder zou worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiser tegen de beslissing op zijn aanvraag van AAW-uitkering. Daarbij is niet van belang of dit geschiedt op grond van door eiser aangevoerde rechtsregels, die volgens hem door verweerder zijn geschonden, dan wel of dit geschiedt op door de rechtbank van toepassing geachte rechtsregels (vgl. CRvB 17 maart 1998, 96/9264, niet gepubliceerd, waarin de Raad een feit en beleidsregels meeneemt in de toetsing, die niet bij partijen, doch wel bij de Raad bekend is/zijn). Wel van belang is welk gevolg eiser verbonden wenst te zien aan het oordeel van de rechtbank dat een rechtsregel geschonden is. Bezwaarschriftprocedure algemeen Gelet op het door de wetgever aangegeven belang van een volledige bestuurlijke heroverweging van het besluit in primo tijdens de bezwaarprocedure (artikel 7:11 Awb), moet met nadruk aandacht worden geschonken aan de regels, welke er toe strekken te bewerkstelligen dat verweerder die opdracht nakomt. Zo zal verweerder ambtshalve hernieuwd de feiten moeten vaststellen en deze moeten waarderen, voorzover deze van belang zijn om op de aanvraag te (kunnen) beslissen, in verband met de voor die aanvraag geldende rechtsregels of naar aanleiding van het bezwaar eventueel zelfs te stellen rechtsregels. Een van de middelen om de bestuurlijke heroverweging zoveel mogelijk tot zijn recht te doen komen, is de eis dat, indien sprake is van advisering door deskundigen op grondslag van onderzoek naar feiten, het bestuursorgaan zich er van vergewist dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Indien besloten wordt het advies te volgen, is vereist dat het bestuursorgaan er zich van heeft vergewist dat het advies inhoudelijk concludent is. De rechtbank verstaat in dit verband onder deskundigen: personen die over kennis beschikken, die noodzakelijk is voor het te nemen besluit doch waarover het bestuursorgaan niet beschikt, althans niet geacht wordt te beschikken. De aanwezigheid van deze kennis wordt verondersteld bij een afgeronde opleiding. Een ander middel om de bestuurlijke heroverweging zoveel mogelijk tot zijn recht te doen komen, is het horen van de betrokkene naar aanleiding van het bezwaar. Dat horen kan, zeker indien er sprake is van een ongelijkwaardige verhouding tussen betrokkene en bestuursorgaan op het gebied van waardering van feiten en toepassing van rechtsregels, als doel hebben dat het bezwaar wordt verduidelijkt en/of dat feiten naar voren komen, die onbekend of onderbelicht zijn gebleven dan wel niet op een zorgvuldige wijze zijn gewaardeerd bij de voorbereiding en het nemen van het besluit in primo. Om het horen zoveel mogelijk te doen bijdragen aan een volledige bestuurlijke heroverweging, heeft de wetgever voorgeschreven dat, indien het horen in mandaat geschiedt, vereist is: a. indien het geschiedt door één persoon, dat die persoon niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is geweest; b. indien het geschiedt door meerdere personen, dat de meerderheid, onder wie degene die het horen leidt, van die personen niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is geweest (art.7:5, eerste lid Awb; TK 1988-89, 21221, nr. 3, pag. 150). Uit de wetsgeschiedenis van artikel 7:5 Awb blijkt voorts dat tijdens de hoorzitting discussie mogelijk is. Het bestuursorgaan kan dan bijvoorbeeld uiteenzetten hoe het beleid luidt en welke overwegingen daartoe hebben geleid en kan bijvoorbeeld ingaan op argumenten, die worden aangedragen. Naar het oordeel van de rechtbank is de strekking van de hoorzitting dan ook: eerst onbevooroordeeld (aan)horen, zonodig tijdens de zitting nog feiten vaststellen en waarderen en vervolgens een mogelijke gedachtenwisseling, onder regie van liefst een lid/leden van het bestuursorgaan zelf en in het andere geval van iemand/personen die niet betrokken is/zijn geweest bij de primaire besluitvorming. Hiermee is verenigbaar dat aan het horen voorbereidend onderzoek voorafgaat, al dan niet door een deskundige, doch niet dat dit voorbereidend onderzoek de functie van de hoorzitting overneemt. Voorbereiding en nemen van het besluit op bezwaar door verweerder De rechtbank stelt vast dat verweerder wenst dat de uitvoeringsorganen (uvi'
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.