Arrondissementsrechtbank Assen Zevende meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Kenmerk: 00 / 594 WET P09 G01 U I T S P R A A K In het geding tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder. I. Procesverloop Bij besluit van 26 juni 2000 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 25 mei 1999 gedeeltelijk gegrond verklaard en vastgesteld dat eiser recht heeft op een tege-moetkoming ingevolge de Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998 (hierna: Wts2-regeling) ten bedrage van f 36.277,--. Namens eiser is bij brief van 3 augustus 2000 tegen dit be-sluit beroep ingesteld bij de rechtbank, aangevuld bij brief van 31 augustus 2000. Verweerder heeft bij brief van 25 oktober 2000 de op de zaak betrekking hebbende stuk-ken alsmede een verweer-schrift inge-zonden. De gemachtigde van eiser heeft hiervan een afschrift ontvan-gen. Bij brief van 6 november 2000 heeft verweerder een aanvullend verweer ingezonden, hetgeen eveneens in afschrift aan de gemachtigde van eiser is gezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van de zevende meervoudi-ge kamer van de rechtbank op 1 maart 2001, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.W. van der Kooij, advocaat te Rotterdam. Verweerder, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen bij gemachtigden [gemachtigden]. II. Motivering Feiten Eiser is eigenaar van een golfbaan te Tiendeveen. De golfbaan wordt geëxploiteerd door een derde (een golfvereniging). Eiser verzorgt het onder-houd en beheer. Als gevolg van zware regenval op 27 en 28 oktober 1998 heeft eiser - door middel van het daartoe bestemde formulier - bij Laser (de Dienst Landelijke service bij regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) een aan-vraag ingediend voor een tegemoetkoming in de schade als gevolg van deze regenval. Bij het (primaire) besluit van 25 mei 1999 heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde dat de totale schade en kosten meer dan f 2.000,-- moet bedragen. Eiser heeft hiertegen bij verweerder bezwaar gemaakt. Eiser is op 10 februari 2000 namens verweerder in de gelegen-heid gesteld zijn bezwaren mondeling toe te lichten, waarvan eiser gebruik heeft gemaakt. Experts van het BCE, waaronder [gemachtigde] voornoemd, hebben namens verweerder op 17 april 2000 een bezoek gebracht aan de golfbaan van eiser. Hun bevindingen hebben zij neergelegd in een rapport van mei 2000. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard en hem een tegemoet-koming toegekend van f 36.277,--. Standpunten partijen In beroep stelt eiser dat aan hem alsnog een tegemoetkoming moet worden toegekend van f 990.035,--, zijnde de totale door hem geleden schade aan en gemaakte kosten voor zijn golfbaan. Voorts stelt eiser dat bij de toekenning van de tegemoetkoming van f 36.277,-- voor de golfbaan aan hem ten onrechte een eigen risico van f 10.000,-- toegerekend, omdat hij een dergelijk eigen risico al heeft voldaan in het kader van de aan hem toegekende tegemoet-koming - ingevolge onderhavige regeling - als gevolg van schade aan en kosten van zijn landbouwbedrijf. Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat eiser door verweerder als een relatie, met een en hetzelfde nummer, wordt aangemerkt. Eiser stelt dan ook dat hij reeds het eigen risico van f 10.000,-- heeft voldaan. Eiser heeft kort na de extreem zware regenval eind oktober 1998 twee offertes laten uitbrengen voor herstel van de golf-baan - waarvan het verschil in prijs wordt verklaard door de aard van de bedrijven, namelijk een sociale werkvoorziening en een commercieel aannemingsbedrijf - en stelt dat deze offertes beter weergeven wat de daadwerkelijke kosten zijn dan de bevindingen van het door verweerder ingeschakelde BCE. Eiser stelt dat de twee bedrijven die op zijn verzoek een offerte hebben uitge-bracht beter op de hoogte zijn van de staat van het bedrijf vlak voor de zware regenval dan BCE. Hierbij stelt eiser tevens dat het niet uitgesloten is dat in april 2000, het jaar en de maand waarin BCE kwam kijken, niet of moeilijk waarneembaar is geweest welke schade de golfbaan heeft geleden, omdat sedert de regen-val eind oktober 1998 met man en macht is gewerkt om de golf-baan te herstellen. Dat door eiser uiteindelijk geen gebruik is gemaakt van de twee uitge-brachte offertes laat zich verklaren, aldus eiser, door het feit dat hij niet over de financiële middelen daarvoor beschikte. Door deze omstandigheden kan in april 2000 bij BCE de indruk zijn gewekt dat sprake is van een niet goed onderhouden golfbaan. Eiser be-strijdt dit ten stelligste. Verweerder stelt dat de twee op verzoek van eiser uitgebrachte offertes enorm ver uit elkaar liggen, hetgeen niet alleen kan worden verklaard door het feit dat Howerco, de sociale werkvoor-ziening, een lager arbeidsloon hanteert. De door het Aanne-mingsbedrijf [aannemingsbedrijf] uitgebrachte offerte van f 990.035,-- is dan ook volgens verweerder ongeloofwaardig. Verweerder stelt dat bij het opmaken van de offertes niet is uitgegaan van de uitgangspunten die de BCE-experts hebben gehanteerd. Er is geen rekening gehouden met de vraag of de schade het rechtstreekse en onmiddellijk gevolg is van de extreme regenval. Verweerder stelt dat het door BCE ingestelde onderzoek is uitge-voerd door vier experts, waaronder een specialist op het gebied van golfterreinen. Alle vier de experts kwamen aan de hand van dezelfde argumenten tot een gelijkluidende taxatie. Verweerder handhaaft zijn standpunt met betrekking tot de hoogte van de schade en overlegt in dat verband een nadere verklaring van BCE van 26 oktober 2000. Met betrekking tot het eigen risico stelt verweerder dat eiser naast de golfbaan een agrarisch bedrijf heeft. De golfbaan en de hoofdvestiging van het agrarisch bedrijf zijn verschillend. De golfbaan is particulier bezit van eiser en geen onderdeel van het agrarisch bedrijf. Eiser exploiteert meerdere besloten vennootschappen. Verweerder stelt dat alleen indien eiser aannemelijk maakt dat geen sprake is van verschillende bedrij-ven, hij bereid is zijn standpunt in dezen te herzien. Relevante regelgeving Ingevolge artikel 1, sub d, van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (hierna: de Wet) wordt onder schadegebied verstaan het bij ministeriële regeling vastge-stelde, in Nederland gelegen gebied waarin een overstroming door zoet water, een aardbeving dan wel een ramp of een zwaar ongeval waarop deze wet ingevolge artikel 3 van toepassing is verklaard, heeft plaatsgevonden en waarin als gevolg daarvan schade is geleden dan wel kosten zijn gemaakt als bedoeld in artikel 4, eerste of tweede lid. Onder e van artikel 1 van de Wet is bepaald dat onder gedupeerde wordt verstaan degene die schade heeft geleden dan wel kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 4, eerste of tweede lid. In artikel 3 van de Wet is bepaald dat bij koninklijk besluit deze wet van toepassing kan worden verklaard in geval van een ramp of een zwaar ongeval als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet rampen en zware ongevallen, die van ten minste vergelijkbare orde is als een overstroming door zoet water of een aardbeving. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet heeft een gedu-peerde recht op een tegemoetkoming in de in deze bepaling nader aangeduide categorieën van schaden, voor zover de schade die hij heeft geleden, is ontstaan in het schadegebied en het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van een overstroming door zoet water, een aardbeving dan wel een ramp of een zwaar ongeval waarop deze wet ingevolge artikel 3 van toepassing is verklaard. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat, met uitzon-dering van schade die het gevolg is van gederfde omzet, andere schade- en kostencategorieën dan de in het eerste lid genoemde voor een tegemoetkoming in aanmerking komen. Artikel 5, eerste lid, van de Wet bepaalt dat de omvang van de schade en, voor zover nodig, van de kosten door of onder verantwoordelijkheid van een door de Minister van Binnenlandse Zaken aangewezen schade-expert, wordt opgenomen en neergelegd in een schaderapport. Ingevolge het tweede lid verstrekt de schade-expert aan de gedupeerde een afschrift van het schade-rapport. In het derde lid is bepaald dat al dan niet op ver-zoek van de gedupeerde de omvang van de schade en de kosten opnieuw door of onder verantwoordelijkheid van een schade-expert bedoeld in het eerste lid kan worden opgenomen en neergelegd in een schaderapport. Het tweede lid is van toepas-sing. Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Wet kan bij het bepa-len van de hoogte van de tegemoetkoming een eigen risico en een drempelbedrag worden gehanteerd, waarvan de hoogte bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. In het derde lid is bepaald dat bij ministriële regeling regels worden gesteld over de hoogte van de tegemoetkoming. In artikel 8 van de Wet is bepaald dat van de ministeriële regelingen, bedoeld in de artikelen 6, derde lid, en 7, eerste lid, kan worden afgeweken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Onder toepassing van artikel 3 van de Wet is bij Koninklijk Besluit van 5 maart 1999 (inwerking getreden op 24 maart 1999) de Wet van toepassing verklaard op de schade en kosten die zijn ontstaan ten gevolge van de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998 (artikel 1 van het KB). In de Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998 (Wts2-regeling) is het schadegebied overeenkom-stig het bepaalde in artikel 1, sub d, van de Wet vastgesteld. Ingevolge artikel 1, sub b, van de Wts2-regeling wordt in deze regeling onder regeling verstaan de Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regenval 1998 (hierna: Wts1-rege-ling). Artikel 2 van de Wts2-regeling luidt als volgt: "1. Deze regeling is van toepassing op de schade en kos-ten die zijn ontstaan als gevolg van de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998. 2. Als schadegebied, bedoeld in artikel 1, onder deel d, van de wet worden aangewezen de gemeenten en delen van gemeenten die zijn aangewezen in de bijlage behorende bij deze regeling.". Omtrent de hoogte van de tegemoetkoming, de berekenings-grond-slag en de procedure die moet worden gevolgd ter verkrijging van een tegemoetkoming zijn in de Wts2-rege-ling de desbetref-fen-de artikelen van de Wts1-regeling van toepassing verklaard. In de bijlage als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wts2-regeling zijn de volgende gemeen-ten (al dan niet gedeel-telijk) aangewezen als vallende binnen het schadegebied ten gevolge van de extreme regenval van 27 en 28 oktober 1998: Aa en Hunze (ged.), Assen (ged.), Borger-Odoorn (ged.), Coevor-den, De Wolden, Emmen, Hoogeveen, Meppel, Middenveld (thans: gemeente Midden-Drenthe), Noorden-veld (ged.), Westerveld en Zuidlaren (ged.; thans: gemeente Tynaarlo). In de bijlage wordt voorts aan de hand van de postcodes (het cijfergedeelte) en de ligging ten opzichte van waterwegen de begrenzing van het schadegebied aangegeven. Ingevolge artikel 4 van de Wts2-regeling juncto artikel 10 van de Wts1-regeling bedraagt de hoogte van de tegemoetkoming in de schade 65% van het schadebedrag. In artikel 4 van de Wts2-regeling juncto artikel 13 van de Wts1-regeling bedraagt het eigen risico voor bedrijven niet meer dan f 10.000,--. Beoordeling De rechtbank stelt voorop dat bij haar uitspraak van 15 november 2000 de Wts2-regeling onverbindend is geacht voor zover deze betrekking heeft op de gebiedsbepaling dan wel de aanwijzing van (de grenzen van) het schadegebied. Deze uitspraak alsmede de door verweerder toegezegde nieuwe gebiedsvaststelling in het kader van onderhavige regeling hebben naar het oordeel van de rechtbank geen (inhoudelijke) consequenties voor onderhavige zaak. De rechtbank gaat dan ook over tot een beoordeling van het aan haar in dit geding voorgelegde geschil. In geschil is de hoogte van de tegemoetkoming ingevolge de Wts2-regeling. Hierbij hebben de geschilpunten - meer concreet - betrekking op het tweemaal in rekening brengen van een eigen risico van f 10.000,-- aan eiser en op de hoogte van de schade, waarbij mede de causaliteitsvraag een rol speelt. Betreffende het tweemaal door verweerder ten aanzien van eiser gehanteerde eigen risico overweegt de rechtbank het volgende. In artikel 6, tweede lid, van de Wet is de bevoegdheid van verweerder opgenomen om een eigen risico toe te passen bij het toekennen van een tegemoetkoming. Van deze bevoegdheid heeft verweerder gebruik gemaakt in de Wts2-regeling (vergelijk artikel 4 van de Wts2-regeling juncto artikel 13 van de Wts1-regeling). Het hanteren van een eigen risico is derhalve gebaseerd op een wettelijk voorschrift. Geoordeeld wordt dat het thans door verweerder gehanteerde eigen risico per bedrijf niet in strijd komt met hetgeen in de wet is neergelegd en niet onredelijk kan worden geacht, omdat dit samenhangt met het normale bedrijfsrisico van een ondernemer (van een agrariër, maar ook van een golfbaan-verhuurder) als gevolg van slechte weersomstandigheden. Eiser exploiteert als particulier, dat wil zeggen niet in de vorm van een rechtspersoon, een agrarische onderneming. Daarnaast verhuurt hij en heeft hij in onderhoud - eveneens als particulier - een golfbaan. Zowel voor de agrarische onderneming als voor de golfbaan heeft verweerder een eigen risico van f 10.000,-- bij eiser in rekening gebracht. Verweerder gaat er vanuit dat sprake is van twee afzonderlijke bedrijven. Ter zitting is gebleken dat verweerder eiser ziet als een bedrijfsmatig gedupeerde, waarbij wordt gekeken naar het aantal bedrijven (bedrijfsoorten). Voor elk bedrijf hanteert verweerder een eigen risico. Volgens verweerder staat de Wet een dergelijke benadering toe. De rechtbank deelt deze opvatting niet. De Wet kent voor het begrip gedupeerde een definitie. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt naar een bedrijfsmatig gedupeerde of een persoon die in zijn privé-vermogen wordt aangetast (gedupeerd). Blijkens de Memorie van Toelichting behorende bij de Wet (paragraaf 3, onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.