Vonnis d.d. 6 november 2001- Zaaknummers 24519 en 24855.- DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ASSEN Vonnis van de Eerste enkelvoudige kamer in de gevoegde zaak met zaaknummer 24519 van: [EISER 1] wonende te [woonplaats], eiser bij dagvaarding van 16 juli 1999, advocaat mr. E. van Dijk, procureur mr. P.J.G.G. Sluijter, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NEDERLANDSE AARDOLIEMAATSCHAPPIJ B.V., statutair gevestigd te 's-Gravenhage, kantoorhoudende te 9405 TA Assen, Schepersmaat 2, alsmede zaakdoende te 7761 PK Schoonebeek, Beekweg 33, gedaagde bij gemelde dagvaarding, procureur mr. H.J. de Ruijter, alsmede in de gevoegde zaak met zaaknummer 24855 van: [EISER 2] wonende te [postcode] Emmer-Compascuum, [adres], eiser bij dagvaarding van 5 augustus 1999, procureur mr. M. Weissink, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NEDERLANDSE AARDOLIEMAATSCHAPPIJ B.V., statutair gevestigd te 's-Gravenhage, kantoorhoudende te 9405 TA Assen, Schepersmaat 2, gedaagde bij gemelde dagvaarding, procureur mr. H.J. de Ruijter, OVERWEGINGEN Het verloop van de procedures IN ZAAKNUMMER 24519 1.1. Bij een met de dagvaarding overeenstemmende conclusie van eis geeft eiser, verder te noemen: [eiser 1], gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voorzoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: A. zal verklaren voor recht dat gedaagde, verder te noemen: de NAM, bij het uitvoeren van haar werkzaamheden, te weten het verrichten van boringen op haar locatie in de omgeving Roswinkel, onrechtmatig jegens [eiser 1] handelt; B. zal bepalen dat de NAM bij wijze van schadevergoeding ƒ 387.567,05, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 19 februari 1997 dan wel een andere door de rechtbank in goede orde te bepalen datum tot de dag der algehele betaling, aan [eiser 1] dient te betalen; C. de NAM in de kosten van deze procedure zal veroordelen. 1.1. De NAM heeft bij incidentele conclusie tot voeging gevorderd dat de onderhavige zaak wordt gevoegd met de bij deze rechtbank onder zaaknummer 24855 aanhangig gemaakte zaken. [Eiser 1] heeft bij conclusie van antwoord in het incident geconcludeerd tot referte. 1.2. Bij incidenteel vonnis van 15 februari 2000 heeft de rechtbank de voeging van deze zaak gelast met de bij deze rechtbank onder zaaknummers 24855 aanhangig gemaakte zaken. Vervolgens is de zaak weer naar de rol verwezen. 1.3. De NAM heeft bij conclusie van antwoord de vorderingen van [eiser 1] bestreden. 1.4. Partijen hebben de verder gebruikelijke conclusies genomen waarbij zij hun standpunten hebben gehandhaafd. 1.5. Vervolgens hebben partijen vonnis gevraagd. IN ZAAKNUMMER 24855 2.1. Bij een met de dagvaarding overeenstemmende conclusie van eis geeft eiser, verder te noemen: [eiser 2], gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. zal verklaren voor recht dat gedaagde, verder te noemen: de NAM, aansprakelijk is voor de schade aan de onroerende zaak van [eiser 2], staande en gelegen aan de [adres, woonplaats], tengevolge van de gaswinningsactiviteiten rondom Emmercompascuum; II. de NAM zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser 2] ten titel van schadevergoeding te voldoen een bedrag van ƒ 32.547,53, te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande op de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; III de NAM in de kosten van deze procedure zal veroordelen. 2.2. De NAM heeft bij incidentele conclusie tot voeging gevorderd dat de onderhavige zaak wordt gevoegd met de bij deze rechtbank onder zaaknummer 24519 aanhangig gemaakte zaken. [Eiser 2] heeft bij conclusie van antwoord in het incident geconcludeerd tot referte. 2.3. Bij incidenteel vonnis van 15 februari 2000 heeft de rechtbank de voeging van deze zaak gelast met de bij deze rechtbank onder zaaknummers 24855 aanhangig gemaakte zaken. Vervolgens is de zaak weer naar de rol verwezen. 2.4. De NAM heeft bij conclusie van antwoord de vorderingen van [eiser 2] bestreden. 2.5. Partijen hebben verder gerepliceerd en gedupliceerd onder handhaving van hun standpunten. 2.6. [Eiser 2] heeft daarop een akte houdende overlegging producties genomen, waarop de NAM bij antwoordakte heeft gereageerd. 2.7. Vervolgens hebben partijen vonnis gevraagd. IN ZAAKNUMMER 24519 3. De vaststaande feiten 3.1. [Eiser 1] is sedert vijfentwintig jaar eigenaar van de vrijstaande woning aan de [adres, woonplaats], alsmede van het naastliggende terrein. De woning is gebouwd rond 1935 en heeft een aanbouw die van recenter datum is. 3.2. De woning van [eiser 1] ligt nabij een gasveld, waarin in de periode van 1976 tot 1989 negen putten zijn geboord. 3.3. Er zijn bodemtrillingen te Roswinkel geregistreerd door het KNMI op onder meer: - 16 januari 1997 een aardbeving van 2,4 op de schaal van Richter, met een intensiteit op de EMS-schaal van III-IV; - 19 februari 1997 een aardbeving van 3,4 op de schaal van Richter, met een intensiteit op de EMS-schaal van VI; - 28 januari 1998 een aardbeving van 2,7 op de schaal van Richter, met een intensiteit op de EMS-schaal van IV-V. 3.4. De EMS-schaal onderscheidt drie categorieën waarop aardbevingseffecten hun uitwerking hebben: op mensen, op voorwerpen en op de natuur, en op gebouwen. Verder kent de EMS-schaal twee gradaties in schade: Gradatie 1: Verwaarloosbare tot lichte schade (geen structurele schade) haarscheurtjes in een enkele muur; neervallen van slechts kleine stukjes pleisterwerk; in een enkel geval loszittende stenen van hogere delen van gebouwen. Gradatie 2: Matige schade (lichte structurele schade, matige niet-structurele schade) scheuren in veel muren: neervallen van grotere stukken pleisterwerk; delen van schoorstenen komen omlaag. EMS-schaal: Intensiteit Aanduiding Verschijnsel (t.a.v. gebouwen) Magnitude I Niet gevoeld geen schade 0.8 - 1.3 II Nauwelijks Gevoeld geen schade 1.3 - 1.8 III Zwak geen schade 1.8 - 2.4 IV Algemeen Waargenomen geen schade 2.4 - 2.9. V Sterk schade met gradatie 1 aan enkele gebouwen 2.9 - 3.5 VI Lichte schade veel gebouwen ondergaan veroorzakend schade met gradatie 1: enkele ondergaan schade met gradatie 2 3.5 - 4.1 (...) 3.5. De bevingen in Roswinkel vinden plaats op ongeveer 1,5 tot 2 kilometer diepte. 3.6. Roswinkel was voorheen een a-seismisch gebied. 3.7. De NAM heeft een schaderegistratieprocedure ingesteld op grond waarvan bij een geregistreerde aardschok een schadeclaim kan worden ingediend. Een claim komt daarbij alleen voor behandeling in aanmerking als het gaat om een aardschok met een intensiteit van IV of meer. De NAM heeft ook schademeldingen uit gebieden waar het ging om een aardschok met een intensiteit van III in behandeling genomen. 3.8. [Eiser 1] heeft op 24 februari 1997 naar aanleiding van de beving van 19 februari 1997 een klacht ingediend bij het Centraal Meldpunt Milieuklachten van het Provinciehuis te Assen. 3.9. Ingenieursbureau [ingenieursbureau] B.V., hierna te noemen: [ingenieursbureau], heeft vervolgens in opdracht van de NAM op 8 april 1997 een bouwkundige inspectie van de woning verricht en heeft op 25 april 1997 rapport uitgebracht. [ingenieursbureau] heeft voor de omschrijving/beoordeling van geconstateerde gebreken de volgende beoordelingscode gehanteerd: A = gebrek/schade geheel terug te voeren op de recent geregistreerde bodemtrillingen, met name die van 19 februari 1997 B = gebrek/schade duidelijk geaccentueerd door de recent geregistreerde bodemtrillingen, met name die van 19 februari 1997 C = gebrek/schade enigszins geaccentueerd door de recent geregistreerde bodemtrillingen, met name die van 19 februari 1997 D = gebrek/schade niet terug te voeren op de recent geregistreerde bodemtrillingen, met name die van 19 februari 1997 [Ingenieursbureau] heeft de geconstateerde scheuren beoordeeld met een B, respectievelijk een C, en heeft daarop toegelicht dat het zou gaan om scheuren van oudere oorsprong. 3.10. De NAM heeft bij brief d.d. 18 november 1998 een aanbod gedaan van ƒ 2.800,00 ter finale afdoening van de schadeclaim van [eiser 1], zonder erkenning van aansprakelijkheid of schuld. 3.11. [Eiser 1] heeft Espébé Schademanagement, hierna te noemen: Espébé, ingeschakeld. Dit bureau heeft de woning op 20 juli 1998 bezocht en heeft op 10 september 1998 een rapport en een aanvullend rapport uitgebracht, waarin onder meer het volgende is vermeld: "De conclusie dat de scheuren te wijten zijn aan de door de NAM verrichte werkzaamheden lijkt ons daarom gerechtvaardigd." Espébé berekent de herstelkosten op ƒ 306.240,05, terwijl zij de blijvende waardevermindering van de woning als gevolg van de bodemtrillingen, nadat de benodigde werkzaamheden zijn uitgevoerd, taxeert op ƒ 50.000,00. Het door [eiser 1] te lijden vermogensverlies bij verkoop van het terrein taxeert zij op ƒ 16.000,00. 3.12. Naar aanleiding van de beving van 28 januari 1998 heeft [eiser 1] wederom een klacht ingediend. Op 21 april 1998 is hierop een bouwtechnische inspectie door [ingenieursbureau] gevolgd, waarbij als volgt wordt geconcludeerd: "n.v.t. afwijzing verklaring De gemelde gebreken zijn van oudere oorsprong en hebben geen relatie met de beving van 28-01-1998." 3.13. Op 31 december 1999 heeft zich een beving waarover [eiser 1] zich bij de NAM heeft beklaagd en in verband waarmee [ingenieursbureau] een inspectierapport d.d. 16 februari 2000 heeft opgesteld. [ingenieursbureau] heeft voor de omschrijving/beoordeling van geconstateerde gebreken de volgende beoordelingscode gehanteerd: A = gebrek/schade geheel terug te voeren op de geregistreerde bodemtrillingen van 31 december 1999 B = gebrek/schade duidelijk geaccentueerd door de geregistreerde bodemtrillingen van 31 december 1999 C = gebrek/schade enigszins geaccentueerd door de geregistreerde bodemtrillingen van 31 december 1999 D = gebrek/schade niet terug te voeren op de geregistreerde bodemtrillingen van 31 december 1999 [Ingenieursbureau] heeft de geconstateerde scheuren beoordeeld met een C, respectievelijk een D, en heeft daarop toegelicht dat het zou gaan om scheuren van oudere oorsprong, respectievelijk scheuren van bouwtechnische oorsprong. 3.14. [Ingenieursbureau] heeft geconcludeerd dat de geconstateerde gebreken niet zijn terug te voeren op de geregistreerde bodemtrillingen van 31 december 1999, dan wel dat zij daardoor enigszins zijn geaccentueerd. 4. De vordering van [eiser 1] 4.1. [Eiser 1] stelt dat de NAM onrechtmatig handelt bij het uitvoeren van haar werkzaamheden, waarbij door haar aardgas wordt gewonnen uit het gasveld bij Roswinkel. Door de gaswinning door de NAM, op twee kilometer ten zuidwesten van de woning van [eiser 1], en de dientengevolge regelmatig plaatsvindende (aard-)bevingen, lijdt [eiser 1] schade en zal hij ook in de toekomst schade lijden. 4.2. In Roswinkel en omgeving hebben zich vanaf 1992 tot en met januari 1998 regelmatig bevingen en grondverschuivingen c.q. grondinzakkingen voorgedaan. [eiser 1] vordert vergoeding van schade ontstaan door alle bevingen. 4.3. Uit onderzoek is gebleken dat aan de ontwikkelde EMS-intensiteitsschaal met betrekking tot de ondiepe bevingen in Roswinkel geen absolute waarde kan worden toegekend. Ieder schadegeval dient op zich te worden beoordeeld. 4.4. [Eiser 1] beroept zich op het arrest van de Hoge Raad van 26 januari 1996 NJ 1996, 607 waarin is bepaald dat, indien, zoals hier, door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en deze schade zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee in beginsel het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade is gegeven en het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken is om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan. Tevens verwijst [eiser 1] naar HR 2 oktober 1998 NJ 1998, 831. 4.5. Het rapport van [ingenieursbureau] heeft zich enkel beziggehouden met de beving van 19 februari 1997, omvat geen algehele beoordeling van het pand en is gespeend van iedere onderbouwing. Dit alles in tegenstelling tot het rapport van Espébé. Verder bestaat een nauwe relatie tussen [ingenieursbureau] en de NAM zodat op zijn minst het risico in het leven wordt geroepen c.q. de indruk wordt gewekt dat de inspecties niet op objectieve wijze plaatsvinden. Verder wekt [ingenieursbureau] met zijn commentaar een onjuiste indruk c.q. doet onjuiste veronderstellingen. 5. Het verweer van de NAM 5.1. Het winnen van gas kan bezwaarlijk als het voortdurend plegen van een onrechtmatige daad gekwalificeerd worden. 5.2. Voor zover [eiser 1] zich beroept op schades die hij al vijf jaar kende voor hij NAM aansprakelijk stelde, kende wordt een beroep op verjaring gedaan. Subsidiair stelt de NAM dat de desbetreffende trillingen (van voor 19 februari 1997) zodanig gering zijn geweest dat zij nimmer geleid kunnen hebben tot het veroorzaken van enige schade. 5.3. De NAM betwist dat de aard en de hoogte van de door [eiser 1] gevorderde schade het gevolg is van de door [eiser 1] genoemde bodembewegingen. Hoewel er kan worden uitgegaan van enig causaal verband tussen de gaswinning door de NAM in het gasveld bij Roswinkel en de door het KNMI geregistreerde trillingen d.d. 19 februari 1997 en 28 januari 1998, is het causaal verband tussen de aardschokken en de aard, omvang en hoogte van de gestelde schade aan de gebouwen niet aannemelijk. Uit het rapport van [ingenieursbureau] blijkt dat er sprake is van reeds bestaande gebreken, ontstaan door autonome schadeontwikkeling. 5.4. Er is vastgesteld dat bij aardbevingen tot een intensiteit van IV geen verhoogde kans op schade is ten gevolge van de betreffende ondiepe geïnduceerde aardbevingen. 5.5. De door Espébé gedane rapportage rept niet over het causaal verband tussen bevingen en schade. 5.6. Onderzocht wordt de schade die door [eiser 1] zelf als zodanig wordt gekwalificeerd. [Ingenieursbureau] heeft haar expertise in volledige onafhankelijkheid verricht naar aanleiding van concrete schademeldingen. 5.7. De NAM ontkent uitdrukkelijk de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke incassokosten. 6. De beoordeling Onrechtmatige daad 6.1. Indien de gaswinning door de NAM niet enkel heeft geleid tot aardschokken, maar deze aardschokken ook hebben geleid tot schade aan de woning van [eiser 1], valt dit handelen van de NAM te kwalificeren als een inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser 1], die kan worden toegerekend aan de NAM. Aardschokken van voor 1992 6.2. Het beroep van de NAM op verjaring voor zover het schades betreft die [eiser 1] al vijf jaar voor hij de NAM aansprakelijk stelde, kende, namelijk schade van voor 1992, wordt verworpen. De rechtsvordering van [eiser 1] kan immers enkel betrekking hebben op schade ontstaan in de periode vanaf 1992. Uit de door [eiser 1] opgeworpen stellingen blijkt dat hij zich enkel beroept op schade ontstaan door aardschokken die zich hebben voorgedaan vanaf 1992, terwijl uit de door [eiser 1] overgelegde producties geen andersluidende conclusie kan worden afgeleid. Het door hem als productie 1 bij zijn conclusie van eis overgelegde "overzicht events Roswinkel" heeft betrekking op de periode vanaf 11 juni 1992 tot 28 januari 1998. De bij conclusie van repliek als productie 1 overgelegde kopie van Nederquake ziet op de periode vanaf 11 juni 1992 tot 7 januari 2000. Tot slot maakt ook het rapport van Espébé enkel melding van aardschokken die zich sinds 1992 hebben voorgedaan. Om diezelfde reden wordt de subsidiaire stelling dat de trillingen van voor 19 februari 1997 zodanig gering zijn geweest dat zij nimmer geleid kunnen hebben tot het veroorzaken van enige schade, terzijde geschoven. Causaal verband 6.3. De NAM heeft erkend dat aannemelijk is geworden dat er causaal verband is tussen haar boringen en de daarna optredende aardschokken, waarbij zij expliciet de aardschokken van 19 februari 1997 en 28 januari 1998 heeft genoemd. Het bestaan van causaal verband tussen deze aardschokken en de aard, omvang en de hoogte van de door [eiser 1] gestelde schade heeft zij gemotiveerd weersproken. 6.4. Uit de overgelegde stukken kan niet worden afgeleid of dit causaal verband daadwerkelijk gelegd kan worden, met name niet nu in de beide overgelegde rapporten van partijdeskundigen op dit punt tot conclusies wordt gekomen die lijnrecht tegenover elkaar staan. Anders dan [eiser 1] betoogt, meldt [ingenieursbureau] dat er geen sprake is van causaal verband, omdat het volgens [ingenieursbureau] gaat om scheuren van oudere oorsprong. Het bestaan van het causaal verband tussen de schade en de aardschokken zal dan ook alsnog aannemelijk moeten worden gemaakt. 6.5. [Eiser 1] heeft zich beroepen op rechtsgevolgen van de door hem gestelde feiten, zodat ex artikel 177 Rv. in beginsel de bewijslast op hem rust. [eiser 1] heeft aangevoerd dat, nu door een als onrechtmatige daad aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en deze schade zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee in beginsel het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade is gegeven en het aan de NAM is om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan, hetgeen door de NAM wordt betwist. 6.6. De rechtbank is van oordeel dat de door [eiser 1] ingeroepen "omkeringsregel" hier toepassing mist. [Eiser 1] miskent dat de gaswinning als zodanig geen onrechtmatige gedraging is. Dat zou mogelijk anders zijn indien de NAM bij de gaswinning in strijd heeft gehandeld met voor haar geldende voorschriften, doch zulks is gesteld noch gebleken. Van een anderszins als onrechtmatig aan te merken gedraging van de NAM is niet gebleken. Onrechtmatig is de inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser 1] die voortvloeit uit de mogelijk door de gaswinning opgewekte aardschokken. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat in het Wetsvoorstel Mijnbouwwet 26219, zoals dat thans voorligt, bewust is gekozen voor het niet omkeren van de bewijslast met betrekking tot het causaal verband tussen gaswinning en schade. Er is voor gekozen dat de benadeelde zich tot een technische commissie zal kunnen wenden voor advisering omtrent het causaal verband. Verder wordt ervan uitgegaan dat de rechter de benadeelde in eventuele bewijsnood tegemoet kan komen (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26129, nr. 7). 6.7. Zo er al reden zou zijn voor enige verlichting van de bewijslastverdeling zoals die uit artikel 177 Rv. voortvloeit, dan gaat dit niet verder dan dat de rechtbank vermoedt dat de opgetreden aardschokken zijn veroorzaakt door de gasboringen. De NAM heeft in de procedure de aansprakelijkheid erkend voor de schade die het gevolg is van aardschokken vanaf een intensiteit van IV op de in rechtsoverweging 4.4. vermelde EMS-schaal, waarbij de NAM zich baseert op de conclusie van TNO dat vanaf deze intensiteit er een merkbare invloed van de aardschok is op de kans op schade. In de periode vanaf 1992 is meermalen sprake geweest van een aardschok met een dergelijke intensiteit. 6.8. Voorts is de rechtbank van oordeel dat schade die is opgetreden nadat de aardschokken zich hebben voorgedaan, wordt vermoed door de aardschokken te zijn veroorzaakt. Op [eiser 1] blijft derhalve de bewijslast rusten om aan te tonen dat de door hem gestelde schade is opgetreden nadat de aardschokken hebben plaatsgevonden, waarna de NAM mag aantonen dat die schade niet het gevolg is van de aardschokken. In het door [eiser 1] in het geding gebrachte deskundigenbericht wordt ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende ontstaansdata van de scheurvorming in de muren. 6.9. Op grond van het vorenstaande dient [eiser 1] te bewijzen dat de door hem gestelde schade is veroorzaakt door de vanaf 1992 opgetreden aardschokken. De rechtbank is van oordeel dat [eiser 1] daarbij zou kunnen volstaan met het bewijs dat in de periode daarvoor nog niet aanwezig waren in de woning, dan wel dat bestaande scheuren of andere gebreken zijn verergerd. 6.10. De rechtbank zal [eiser 1] in de gelegenheid stellen zich bij akte nader uit te laten over de ontstaansdatum van de diverse gestelde gebreken, zoveel mogelijk gedocumenteerd met bewijsstukken. Deskundigenbericht 6.11. Het komt de rechtbank geraden voor dat een deskundige zich uitlaat over de vraag welke gebreken door de sedert 1992 opgetreden aardschokken zijn veroorzaakt en hoe groot de schade is die daaruit is ontstaan. Nu de bewijslast terzake van de door de deskundige te beantwoorden vragen deels bij de NAM en deels bij [eiser 1] ligt, is de rechtbank van oordeel dat het voorschot van de kosten van het deskundigenbericht voor 75% door de NAM en voor 25% door [eiser 1] dienen te worden gedragen. 6.12. Alvorens het onderzoek te gelasten zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen gezamenlijk een voorstel te doen omtrent de te benoemen deskundige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.