Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Kenmerk: 01/783 en 01/850 GEMWT U I T S P R A A K In het geding tussen [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en De burgemeester van de gemeente Assen, verweerder. I. Procesverloop Bij besluit van 10 augustus 2001 (besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 16 mei 2001 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd. Bij het besluit van 16 mei 2001 heeft verweerder eiseres, op grond van artikel 3.2.1, eerste lid en artikel 3.3.2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV), opgedragen binnen veertien dagen het illegale gebruik van het pand aan de Sperwerstraat 30 te Assen als prostitutiebedrijf te staken, op straffe van het uitoefenen van bestuursdwang. Namens eiseres is bij brief van 14 september 2001 tegen het besluit van 10 augustus 2001 bij de rechtbank beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 18 oktober 2001 de op deze zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. Bij besluit van 13 september 2001 (besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 26 juni 2001, waarbij aan haar een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, van de APV is geweigerd, ongegrond verklaard en het laatstgenoemde besluit gehandhaafd. Tegen dit besluit is namens eiseres bij brief van 17 oktober 2001 beroep ingesteld. Bij brief van 27 november 2001 heeft verweerder de op deze zaak betrekking hebbende stukken en het verweerschrift ingediend. Partijen hebben afschriften van de gedingstukken ontvangen. De stukken in de zaak met kenmerk 01/248, die bij partijen bekend zijn, zijn bij de onderhavige beoordeling betrokken. Het beroep is - gevoegd met het beroep in de zaak met kenmerk 01/784 GEMWT - behandeld ter zitting van de rechtbank op 11 juni 2002, alwaar namens eiseres mr. W. Eelsing is verschenen. Voor verweerder zijn - daartoe ambtshalve opgeroepen - verschenen D. de Boer en mr. J.L.A. Kessen, beiden werkzaam bij de gemeente Assen. II. Motivering Feiten en omstandigheden Bij besluit van 6 februari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders eiseres (onder meer) aangeschreven de met de APV en het bestemmingsplan strijdige exploitatie van het pand Sperwerstraat 30 als prostitutiebedrijf voor 1 april 2001 te beëindigen, onder mededeling dat bij gebreke daarvan bestuursdwang zal worden toegepast. Tegen dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt en tevens is de president (thans: voorzieningenrechter) van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Naar aanleiding van de uitspraak van de president van 12 april 2001, waarbij is aangegeven dat het besluit van 6 februari 2001 onbevoegd is genomen en dat de burgemeester het ter zake bevoegde bestuursorgaan is, heeft het college van burgemeester en wethouders het besluit van 6 februari 2001 herroepen. Bij besluit van 16 mei 2001 heeft verweerder eiseres, onder verwijzing naar de artikelen 3.2.1, eerste lid, en 3.3.2, eerste lid, onderdeel b, van de APV aangeschreven binnen veertien dagen het illegale gebruik van het pand aan de Sperwerstraat 30 als prostitutiebedrijf te beëindigen op straffe van het uitoefenen van bestuursdwang. Tegen het besluit van 16 mei 2001 is namens eiseres op 17 mei 2001 bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift is - kortgezegd - gesteld dat het besluit onbevoegd is genomen, aangezien artikel 174 van de Gemeentewet niet van toepassing is op het onderhavige niet voor publiek openstaande gebouw en dat van strijd met artikel 3.3.2, eerste lid, onderdeel b, van de APV geen sprake is nu de activiteiten op grond van artikel 13 van de bestemmingsplanvoorschriften zijn toegestaan. Nadat eiseres in de gelegenheid is gesteld haar bezwaren tegen de aanschrijving ten overstaan van de Commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften (verder: de Commissie) toe te lichten, heeft de Commissie verweerder op 18 juli 2001 geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren. Volgens de Commissie is er sprake van een voor publiek toegankelijk gebouw, is artikel 174 van de Gemeentewet wel van toepassing, ziet artikel 3.2.1 op de toezichthoudende taak van de burgemeester en is daarmee het besluit van 16 mei 2001 bevoegd genomen. De Commissie overweegt voorts dat sprake is van een gebruik in strijd met het bestemmingsplan en dat het voor risico van eiseres komt dat zij de gemeente, in het kader van de inventarisatie van de prostitutiebedrijven, niet op de hoogte heeft gebracht van haar bedrijf. Bij het bestreden besluit van 10 augustus 2001 (besluit I) heeft verweerder het advies van de Commissie onderschreven, het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 16 mei 2001 gehandhaafd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de president en het advies van de Commissie geeft verweerder aan dat hij het bevoegde bestuursorgaan is. Voorts stelt verweerder dat de aard van het onderhavige bedrijf meebrengt dat sprake is van een voor publiek toegankelijke ruimte en dat met de regulering van de prostitutie beoogd is toezicht uit te oefenen als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet. Inmiddels had eiseres op 10 mei 2001 op de voorgeschreven wijze een aanvraag ingediend om een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, van de APV, welk aanvraag bij besluit van 26 juni 2001 is afgewezen. Verweerder heeft daarbij overwogen dat artikel 3..3.2, eerste lid, onderdeel b, van de APV aan vergunningverlening in de weg staat nu sprake is van strijd met het vigerende bestemmingsplan en legalisering niet aan de orde is. Tegen het besluit van 26 juni 2001 is namens eiseres op 25 juli 2001 bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift is - kort weergegeven - aangevoerd dat verweerder niet bevoegd is op de aanvraag te beslissen en dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Eiseres is ook in de gelegenheid gesteld haar bezwaren tegen het besluit van 26 juni 2001 ten overstaan van de Commissie toe te lichten. De Commissie heeft verweerder op 29 augustus 2001 geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren. Naar het oordeel van de Commissie is verweerder het ter zake bevoegde bestuursorgaan en is sprake van strijd met het bestemmingsplan. De Commissie merkt op dat eiseres de kans op legalisering van haar bedrijf zelf teniet heeft gedaan door niet te reageren op de oproep die van de zijde van de gemeente is uitgegaan in het kader van de beleidsvoorbereiding als gevolg van de gewijzigde wetgeving op het gebied van prostitutie. Bij het bestreden besluit van 13 september 2001 (besluit II) heeft verweerder het advies van de Commissie onderschreven, de bezwaren gericht tegen de weigering een exploitatievergunning te verlenen ongegrond verklaard en het besluit van 26 juni 2001 gehandhaafd. Standpunten partijen Eiseres stelt dat de Sperwerstraat 30 te Assen geen voor het publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet is en wijst er daarbij op dat de klanten alleen op afspraak komen, dat de deur op slot is en dat er zo bezien geen verschil bestaat met een gewoon woonhuis. Eiseres stelt verder dat artikel 174 van de Gemeentewet gericht is op de bescherming van de veiligheid en gezondheid en dat dit hier niet in het geding is. Eiseres acht verweerder dan ook niet bevoegd de onderhavige besluiten te nemen. Volgens eiseres is van strijd met de APV geen sprake, aangezien het onderhavige gebruik op grond van de overgangsbepaling opgenomen in artikel 13 van de bestemmingsplanvoorschriften toegestaan is. Eiseres stelt dat door haar niet gereageerd is op de oproep aan prostitutiebedrijven om zich te melden, aangezien zij daarmee niet bekend was. Volgens eiseres is ook nergens bepaald dat het niet tijdig reageren fatale gevolgen zou hebben. Eiseres stelt verder nog dat bezwarencommissies in het algemeen nauw gelieerd zijn aan de gemeente. Verweerder stelt dat het op grond van de APV verboden is zonder vergunning een prostitutiebedrijf te exploiteren en dat geen vergunning wordt verleend indien er sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Het beroep op artikel 13 van de bestemmingsplanvoorschriften gaat volgens verweerder niet op nu hiermee alleen beoogd is gevestigde belangen of rechten te beschermen. Volgens verweerder is toepassing van artikel 13 dan ook alleen aan de orde indien het onderhavige gebruik onder het oude bestemmingsplan wel was toegestaan. Verweerder geeft aan dat hiervan geen sprake is en wijst er verder op dat prostitutie voor oktober 2000 een strafbaar feit was en er bij verweerder pas bij de voorbereiding van het prostitutiebeleid, waarbinnen het onderhavige bedrijf overigens niet past, een vermoeden ontstond van het bestaan van het onderhavige bedrijf. Verweerder stelt dat legalisering niet mogelijk is. Verweerder is van oordeel dat het onderhavige gebouw voor publiek openstaat nu het pand de functie heeft publiek te ontvangen in het kader van de exploitatie van een prostitutiebedrijf. De bevoegdheid tot handhaving vloeit volgens verweerder voort uit artikel 148 van de Gemeentewet. Toepasselijke regelgeving Ingevolge artikel 151a van de Gemeentewet kan de raad een verordening vaststellen waarin voorschriften worden gesteld met betrekking tot het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling. In artikel 3.2.1, eerste lid, van de APV is bepaald dat het verboden is een prostitutie- of escortbedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester, waarbij het totaal aantal prostitutiebedrijven tot 2004 is bepaald op niet hoger dan twee. In artikel 3.3.2, eerste lid, van de APV is aangegeven dat de vergunning wordt geweigerd (onder andere) indien de exploitant niet aan bepaalde eisen voldoet, de vestiging of de exploitatie in strijd is met het geldend bestemmingsplan, met het maximumstelsel of met door de gemeenteraad vastgesteld vestigingsbeleid. Onder prostitutiebedrijf wordt blijkens artikel 3.1.1, aanhef en onderdeel c, van de APV verstaan: de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie wordt verricht. In onderdeel e van dit artikel is verder nog aangegeven dat het college van burgemeester en wethouders, of voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester het bevoegd bestuursorgaan is. In artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet is, voor zover hier van belang, bepaald dat de burgemeester is belast met het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Ingevolge het derde lid van artikel 174 van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht. Ingevolge het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet heeft het gemeentebestuur de bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen. De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert. De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang wordt evenwel uitgeoefend door de burgemeester, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert. Beoordeling De rechtbank dient te beoordelen of verweerder terecht heeft geweigerd aan eiseres een vergunning te verstrekken voor het exploiteren van een prostitutiebedrijf en vervolgens of verweerder heeft kunnen overgaan tot het uitvaardigen van de onderhavige bestuursdwangaanschrijving. In dit verband dient de rechtbank eerst in te gaan op de stelling van eiseres dat artikel 3.2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.