vonnis RECHTBANK ASSEN Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 77584 / KG ZA 10-15 Vonnis in kort geding van 16 februari 2010 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NS VASTGOED B.V., gevestigd te Utrecht, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. P.L. Visser, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ESSO NEDERLAND B.V., gevestigd te Breda, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. A.R. de Jonge. Partijen zullen hierna NS en Esso genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 22 januari 2010; - de mondelinge behandeling van 8 februari 2010; - de eis in reconventie van 8 februari 2010; - de pleitnota van NS; - de pleitnota van Esso; - de overige in het geding gebrachte producties. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. NS is eigenaresse van het station te Assen en de daarbij behorende terreinen, waaronder een perceel grond, dat thans in geding is. 2.2. Partijen hebben op 29 juli 1955 een huurovereenkomst gesloten, waarbij NS een nabij het station Assen gelegen (onbebouwd) terrein, ter grootte van 1701 vierkante meter, heeft verhuurd aan Esso, die op dat terrein een benzinestation wenste te stichten. De huursom bedraagt ƒ 2.000,00 per jaar. Nadien zijn partijen een drietal wijzigingsovereenkomsten van respectievelijk 24 oktober 1962, 20 februari 1975 en 16 augustus 1976, aangegaan. 2.3. Op 21 augustus 1978 hebben partijen met terugwerkende kracht tot 1 januari 1978 een nieuwe huurovereenkomst gesloten, nu Esso op het terrein een tankstation voor de detailverkoop en opslag van benzine, L.P.G. en dieselolie wenste te handhaven. Naast de vaste huurprijs van ƒ 3.402,00 per jaar is Esso voor het hebben en exploiteren van een servicestation op het NS-terrein NS een variabele extra vergoeding voor benzines en L.P.G. verschuldigd (artikel 3 lid 1). 2.4. In artikel 7 van deze overeenkomst is onder meer bepaald: “ NS verleent aan de huurder vergunning tot het op het gehuurde terrein hebben van een tankstation voor de detailverkoop van benzines, L.P.G. en olie als in de aanhef van deze overeenkomst bedoeld (…) Deze toestemming houdt niet in dat daardoor wordt gevestigd een recht van opstal als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek, zodat het in deze overeenkomst overeengekomene ten aanzien van de opzegbaarheid van kracht blijft.” En in artikel 15: “ Deze overeenkomst is, behoudens het bepaalde in artikel 14, aangegaan voor het tijdvak van 1 januari 1978 t/m 31 december 1988. Na deze (laatstgenoemde) datum zal, indien van deze zijde van NS de verhuur kan worden voortgezet, de huurder eerstgegadigde zijn voor wederhuur onder nader tussen partijen overeen te komen voorwaarden hetgeen uit een nieuw te sluiten overeenkomst zal moeten blijken.” En voorts in artikel 16: “Ingeval deze overeenkomst eindigt tengevolge van opzegging of van enige ander oorzaak, moet de huurder voor eigen rekening en tot genoegen van NS het terrein volledig ontruimen en in goede staat opleveren, bij gebreke waarvan NS zonder dat enige ingebrekestelling nodig zal zijn, bevoegd zal zijn in een en ander te voorzien voor rekening van de huurder, die alsdan verplicht zal zijn alle deswege door NS bestede kosten, verhoogd met die ten tijde van uitvoering bij NS geldende percentage voor algemeen geldende kosten, alsmede met de eventueel wegens de uitvoering verschuldigde belastingen, binnen acht dagen na aanvraag, aan NS te vergoeden. (…)” Met het sluiten van de nieuwe overeenkomst op 21 augustus 1978 zijn, gelet op artikel 18, de voorgaande overeenkomsten komen te vervallen. 2.5. Nadien zijn wederom een aantal wijzigingsovereenkomsten gevolgd, te weten van 21 september 1981, 28 september 1985 en 31 januari 1996. 2.6. In de tweede wijzigingsovereenkomst van 28 september 1985 is in artikel 1 vastgelegd: (…) “Deze overeenkomst is, behoudens het bepaalde in artikel 14, aangegaan voor het tijdvak van 1 januari 1978 tot en met 31 december 1988 en wordt geacht na expiratiedatum stilzwijgend te zijn verlengd voor telkenmale een aaneensluitende periode van twee jaar, met dien verstande dat de laatste verlenging voor twee jaar eventueel zal plaatsvinden op 1 januari 2002.” (…) Na 31 december 2004 zal, indien NS de verhuur wenst voort te zetten, de huurder eerst gegadigde zijn voor wederhuur van het terrein onder alsdan nader overeen te komen voorwaarden, hetgeen uit een nieuwe overeenkomst zal moeten blijken. (…)” 2.7. Op 16 januari 2004 heeft NS Esso schriftelijk aangegeven op basis van welke uitgangspunten en voorwaarden NS bereid is een nieuwe overeenkomst te sluiten. 2.8. Op 6 juli 2005 en 31 oktober 2005 zijn niet door partijen ondertekende concept overeenkomsten tot stand gekomen. 2.9. Op 5 februari 2008 bericht NS Esso dat, ondanks de onderhandelingen, nog geen nieuwe overeenkomst tot stand is gekomen. Voorts worden de uitgangspunten aangegeven op basis waarvan NS bereid is te verhuren. 2.10. In reactie op een mail van 5 maart 2008 van Esso heeft NS op 1 juli 2008 aangegeven bereid te zijn het huurvoorstel te verlagen naar € 75.000,00. 2.11. Nadien blijven partijen in onderhandeling tot een laatste email van 8 oktober 2008 van Esso aan NS. In die fase van de onderhandelingen stelde NS een vaste indexeerbare huurprijs van € 66.000,00 op jaarbasis voor, terwijl Esso bereid was een bedrag ad € 64.000,00 te voldoen. 2.12. Op 14 april 2009 heeft een medewerker Backoffice (van de NS) Esso in reactie op een brief van 4 maart 2009 per email verzocht een ondertekend exemplaar van de overeenkomst toe te zenden, dit ook met het oog op de op te stellen declaratie over 2008. 2.13. NS heeft informatie ingewonnen bij Jones Lang LaSalle. Dit heeft geleid tot de keuze van NS het in het geding zijnde terrein te verkopen via een vrijwillige veiling op 17 februari 2010. 2.14. Bij brief van 6 november 2009 heeft NS Esso de huurovereenkomst van 21 augustus 1978, waarvan de duur uiterlijk is verlengd tot 31 december 2004 (tweede wijzigingsovereenkomst van 28 september 1983) tegen 31 maart 2010 opgezegd. NS wijst er op dat, nu ondanks onderhandelingen geen nieuwe overeenkomst tot stand is gekomen, de huurovereenkomst stilzwijgend is voortgezet. Voorts wijst zij op het bepaalde in artikel 16 van de overeenkomst. 2.15. In reactie heeft Esso NS op 20 november 2009 bericht de tussen partijen gesloten huurovereenkomst dient te worden gekwalificeerd als een huurovereenkomst ex artikel 7:290 BW bedrijfsruimte. Esso stemt niet in met de huurbeëindiging en zal niet voldoen aan het verzoek tot ontruiming. Esso wijst voorts onder meer op de concepthuurovereenkomst van 31 oktober 2005, die het resultaat is van onderhandelingen van partijen. 2.16. Bij brief van 10 december 2009 betwist NS de lezing van Esso en geeft zij aan dat NS uitsluitend een onbebouwd terrein grond aan Esso verhuurd, waarop Esso zelf voor eigen rekening en risico opstallen heeft gebouwd die zij aan het eind van de huur weer af dient te breken. Esso kan, zo deelt NS mee, geen recht doen gelden op enige vorm van huurbescherming. NS kondigt voorts aan dat zij voornemens is het terrein op 17 februari 2010 via een veiling te verkopen. 2.17. Esso heeft NS op 23 december 2009 schriftelijk onder meer laten weten niet in te stemmen met de huurbeëindiging en ontruiming. Esso spreekt de wens uit dat alsnog tot tekening van de laatste huurovereenkomst wordt overgegaan. NS wordt verzocht een koopvoorstel te doen. 2.18. Op 12 januari 2010 heeft NS Esso laten weten een kort gedingprocedure te zullen starten 2.19. Op 3 februari 2010 heeft Jones Lang LaSalle bericht dat de huurwaarde van het in het geding zijnde object per 31 december 2009 gewaardeerd wordt op € 272.000,00 per jaar. 3. Het geschil in conventie 3.1. NS vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: A. Esso zal bevelen om uiterlijk 31 maart 2010, althans op een in goede justitie door de voorzieningenrechter te bepalen datum, het gehuurde terrein gelegen op het emplacement van het station Assen aan de Overcingellaan te Assen conform het bepaalde in artikel 16 van de huurovereenkomst d.d. 21 augustus 1978 leeg en ontruimd, vrij van opstallen en verontreiniging en voor het overige in goede staat aan NS op te leveren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag voor iedere dag dat Esso nalaat aan dit bevel te voldoen; B. Esso zal veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure. 3.2. Ter onderbouwing heeft NS aangevoerd dat de tussen partijen gesloten huurovereenkomst betrekking heeft op onbebouwd onroerend goed, waarop uitsluitend het algemeen deel van het huurrecht van toepassing is. Voorts is aangevoerd, dat de contractueel overeengekomen duur van de huurovereenkomst op 31 december 2004 is geëxpireerd, zodat de overeenkomst vanaf 1 januari 2005 voor onbepaalde tijd voortduurt tot het moment dat door een der partijen wordt opgezegd. NS stelt dat er voor haar geen wettelijke of contractuele beperkingen bestaan om de overeenkomst via opzegging te doen beëindigen, terwijl Esso geen wettelijke of contractueel recht kan doen gelden op huurbescherming. NS heeft de huurovereenkomst derhalve rechtsgeldig (artikel 7:228 lid 2 BW) opgezegd per 31 maart 2010 en Esso dient op grond van artikel 16 van de huurovereenkomst het gehuurde terrein op uiterlijk 31 maart 2010 in geheel ontruimde en goede staat op te leveren, vrij van opstallen en verontreiniging. In verband met de aangekondigde veiling op 17 februari 2010 heeft NS een spoedeisend belang, nu NS dan aan dient te geven per welke datum het terrein beschikbaar komt. NS ziet geen aanleiding voor de door Esso gesuggereerde bodemsanering en overigens is de door Tauw aangegeven proceduretijd voor sanering onjuist. NS concludeert dat Esso in ieder geval op 30 september 2010 moet kunnen opleveren. NS stelt dat ook de eisen van redelijkheid en billijkheid in dit geval geen zwaarwegend belang voor de opzegging vereisen. NS was onverplicht bereid om in onderhandeling te treden over de voorwaarden waarop de huur zou kunnen worden voortgezet en zijn in dit verband voorstellen aan Esso gedaan. Esso heeft deze voorstellen steeds afgewezen. Esso heeft, zo stelt NS, ondertussen wel gedurende langere tijd voor een (extreme) lage huurprijs gehuurd. Naar de mening van NS heeft Esso aan zichzelf te danken dat de huur door NS is opgezegd. Esso heeft immers vanaf 2004 de mogelijkheid gehad een nieuwe huurovereenkomst met NS te sluiten. 3.3. Esso heeft ten verweer aangevoerd dat NS niet rechtsgeldig heeft opgezegd. In tegenstelling tot NS is Esso van mening dat het gehuurde dient te worden gekwalificeerd als een gebouwde onroerende zaak, zodat sprake is van een "290-bedrijfsruimte". In dit verband wordt erop gewezen dat volgens vast rechtspraak voor de kwalificatie van het gehuurde beslissend is hetgeen partijen omtrent het gebruik daarvan bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan. Esso voert aan dat in 1978 een nieuwe huurovereenkomst is gesloten, waarbij in tegenstelling tot 1955 niet langer terrein werd verhuurd voor het stichten van een benzinestation, maar een terrein voor het handhaven van een benzinestation. Het huurcontract is, naar de mening van Esso, ten opzichte van het contract van 1955 niet alleen qua gedaante en bestemming veranderd, maar ook de inhoud. Dit nu, naast de vaste huurvergoeding, ook een variabele huurvergoeding is overeengekomen. Esso wijst erop dat ingevolge artikel 16 van de huurovereenkomst op haar niet de verplichting rust om het gehuurde in oorspronkelijke staat terug te brengen, doch slechts in goede staat. Ook het feit dat Esso het terrein dient te ontruimen en in goede staat dient op te leveren wijst niet op de verhuur van een ongebouwde onroerende zaak. Tevens wordt in dit verband gewezen op de projectinformatie van NS terzake de door haar voorgenomen verkoop van het perceel. De huuropzegging kan daarom geen stand houden. Esso betwist voorts dat, zoals NS stelt, sprake is van een huurovereenkomst uit 1978 die na 31 december 2004 voor onbepaalde tijd is doorgelopen. In dat verband wordt gewezen op het voorstel tot huurverlenging van januari 2004, waarbij de huurovereenkomst met ingang van 1 januari 2005 met 10 jaar wordt verlengd tegen betaling van een vaste , alsmede een variabele huurprijs. Esso betaalt sinds 2004 de gevraagde variabele huurprijs, zodat de huurovereenkomst na 31 december 2004 is gecontinueerd. Esso wijst voorts op de tussen partijen gevoerde mailwisselingen waaruit de intentie van partijen blijkt. Nu de huurovereenkomst na 31 december 2004 met 10 jaar is verlengd, komt de huuropzegging van NS veel te vroeg. Esso voert daarnaast aan dat ook de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat NS de huurovereenkomst niet zonder een voldoende zwaarwegende grond kan opzeggen. In dit verband schetst Esso de gang van zaken met betrekking tot de tussen partijen gevoerde onderhandelingen vanaf medio 2004. Esso meent dat, gelet op die gang van zaken, bezwaarlijk kan worden volgehouden dat Esso zich als een onredelijke onderhandelingspartner heeft opgesteld dan wel dat zij zich anderszins onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van haar contractspartij. Ook overigens is Esso niet gebleken dat NS thans een zwaarwegend belang heeft bij de verkoop. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. Het geschil in reconventie 4.1. Esso vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair I. NS zal gebieden de - voorbereiding(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.