← Nederland

ECLI:NL:RBASS:2011:BP1641

RECHTBANK ASSEN Sector Civiel Beschikking d.d. 11 januari 2011 Zaaknummer 83539 / FA RK 10-3418 Vervallen verklaring aanwijzing van de kinderrechter in bovenvermelde rechtbank, gegeven in de zaak met betrekking tot de minderjarigen: [A], geboren in de gemeente [geboorteplaats] op [geboortedatum] en [B], geboren in de gemeente [geboorteplaats] op [geboortedatum], kinderen van [vader en moeder], beiden wonende te[adres]. Verloop van de procedure Bij beschikking d.d. 15 september 2010 is door de kinderrechter te Assen de ondertoezichtstelling van de minderjarigen voornoemd verlengd. Daarnaast is tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen, voornoemd, verlengd. Bij schrijven van 1 december 2010, ter griffie van de rechtbank ontvangen op 2 december 2010, heeft mr. A.A. Vogelsang namens de ouders een verzoek ingediend betreffende het uitblijven van een aanwijzing met betrekking tot de omgang van de ouders tussen de minderjarigen, voornoemd. Dit naar aanleiding van een schrijven van mr. A.A. Vogelsang d.d. 29 oktober 2010 De zaak is behandeld ter zitting van 22 december

  1. Verschenen zijn: mw. E. Harbers en mw. F.J. Dijkstra (namens de Stichting Christelijke Jeugdzorg (SGJ)) en de ouders met hun advocaat mr. A.A. Vogelsang. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat het schrijven van de SGJ d.d. 16 november 2009 als een aanwijzing kan worden gezien. Ter zitting hebben partijen aangegeven prijs te stellen op een nadere zitting om de minderjarigen te horen en om de pleegouders in de gelegenheid te stellen hun mening ter zitting kenbaar te maken. Vervolgens is de zaak behandeld ter zitting van 11 januari
  2. Verschenen zijn: mw. E. Harbers en mw. F.J. Dijkstra (beiden namens de SGJ), de ouders met hun advocaat mr. A.A. Vogelsang, de minderjarigen, de pleegouders en dhr. [X] (pleegzorgwerker). Gronden van de beslissing De aanwijzing van de SGJ houdt in dat er tussen de ouders en de minderjarigen geen extra bezoeken tijdens de feestdagen zal plaatsvinden naast de reguliere omgangsregeling. Er is verzocht de aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Ten aanzien van het verzoek overweegt de kinderrechter het volgende. De kinderrechter verstaat de brief van 16 november 2009 zoals opgesteld door SGJ als aanwijzing in de zin van art. 1:263a BW. Daarin is onder meer vervat dat aan de eerder door haar vastgestelde omgangsregeling niet zal worden getornd. Dit besluit is per brief van 6 december 2010 bevestigd. In samenhang met de eerstgenoemde brief, kan ook dit schrijven gezien worden als een (verlenging van de) aanwijzing. In dit verband merkt de kinderrechter op dat het in de rede had gelegen, expliciet aan te geven dat beide brieven als aanwijzing in de betekenis van art. 1:263a BW waren bedoeld, waardoor het voor belanghebbenden buiten twijfel staat wat de aard en het rechtsgevolg ervan is, en waartegen belanghebbenden bovendien tijdig het geëigende rechtsmiddel hadden kunnen aanwenden. De kinderrechter verstaat het verzoek dat de raadsman, namens de ouders, heeft gedaan als een verzoek dat op de voet van art. 1:263a lid 2 BW, in samenhang met art. 1: 259 BW, is gedaan. Verzocht is de aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren, in die zin dat – zo begrijpt de kinderrechter het verzoek van de advocaat - de in de aanwijzing vastgestelde omgang gedurende of omstreeks de feestdagen ten uitvoer kan worden gelegd. De kinderrechter acht de raadsman ontvankelijk in zijn verzoek, nu hij naar het oordeel van de kinderrechter - gelet op de hierboven aangehaalde handelwijze van SGJ – redelijkerwijze niet in verzuim is geweest. De kinderrechter overweegt het volgende. Niet betwist is de frequentie van de omgang tussen ouders en de minderjarige [A] en [B], zoals deze in de aanwijzing is neergelegd. In die zin kan niet volgehouden dat de vader en de moeder de uitoefening van het recht op gezinsleven of family life als bedoeld in art. 8 EVRM wordt ontzegd. Het gaat de ouders er om hun beide kinderen op of omstreeks de algemeen erkende feestdagen te zien. Het is de kinderrechter, na het horen van de minderjarigen op de voet van art. 809 Rv, gebleken dat de minderjarigen in elk geval geen behoefte hebben aan de ten uitvoerlegging van het omgangsrecht op andere tijdstippen, bijvoorbeeld op of rond de bedoelde feestdagen, dan op de dagen die er reeds voor zijn vastgesteld. Wat er zij van de ter zitting ruimschoots ter sprake gekomen zijnde kwaliteit van de ouderlijke bezoeken aan hun kinderen, het komt de kinderrechter geraden voor om in het belang van beide minderjarigen de tenuitvoerlegging van het omgangsrecht niet te wijzigen. In het bijzonder komt het de evenwichtige emotionele groei van beide minderjarigen nu niet ten goede als zij worden geconfronteerd met de bezoeken van hun ouders op dagen die daarvoor niet zijn bestemd. Het is de kinderrechter voor het overige niet gebleken dat omstandigheden die aanleiding zijn geweest voor de aanwijzing zijn gewijzigd, noch dat bij het opstellen van bedoelde aanwijzing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Beslissing De kinderrechter: wijst af het verzoek van de ouders tot geheel of gedeeltelijk vervallen verklaring van de aanwijzing van de SGJ af. Aldus gewezen door mr. A.L.J.M.A. Janssens, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 januari 2011, in tegenwoordigheid van mw. J.R. Vijfschagt - Teekens, griffier, en door de rechter en de griffier ondertekend.- Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te Leeuwarden. Het hoger beroep moet door tussenkomst van een advocaat worden ingesteld.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.