RECHTBANK ASSEN Sector Civiel Beschikking d.d. 16 februari 2012 Zaaknummer F 09/291 Beschikking van de Eerste enkelvoudige kamer op het verzoekschrift van: Mr. D.C. van der Kwaak-Wamelink, curator inzake het faillissement van ICTPoint C.V., HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende: - het vonnis van deze rechtbank van 13 oktober 2009 waarbij ICT Point C.V. in staat van faillissement is verklaard met benoeming van mr. D.C. van der Kwaak-Wamelink, advocaat te Assen, tot curator; - de brief d.d. 24 augustus 2011 van de curator, houdende het verzoek een deel van het salaris als curator in de failliete C.V. als boedelschuld te mogen inbrengen in de schuldsanering van de beherend vennoot van de C.V.; - de brief d.d. 12 oktober 2011 van de rechter-commissaris aan de curator; - de brief d.d. 17 november 2011 van de curator; - het voorstel vaststellen salaris van de curator d.d. 11 januari 2012 van de rechter-commissaris. - de brief d.d. 25 januari 2012 van de curator waarin zij mededeelt niet te zullen verschijnen voor een mondelinge behandeling op 8 februari 2012en niets toe te voegen heeft aan haar brieven van 24 augustus 2011 en 17 november 2011. DE BEOORDELING Voor wat betreft de inhoud van de stukken verwijst de rechtbank naar bovengenoemde stukken. Voor zover van belang zal de rechtbank hierna nader op de inhoud ingaan. De vraag ligt voor of er ten aanzien van de daadwerkelijk gewerkte uren van de curator in het faillissement van de CV, voor zover er in dat faillissement onvoldoende actief is om deze daadwerkelijk gewerkte uren als salaris van de curator uit te betalen, een boedelschuld in de schuldsaneringregeling van de beherende vennoot van die CV is ontstaan. Voor de beantwoording van die vraag acht de rechtbank in de eerste plaats relevant om na te gaan of er terzake van die niet uitbetaalde daadwerkelijk gewerkte uren een boedelschuld in het faillissement van de CV is ontstaan. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Boedelschulden zijn verbintenissen die hun onmiddellijke grondslag vinden in een rechtsverhouding eerst ontstaan door of na het uitspreken van het faillissement of na de uitspraak tot toepassing van de schuldsanering. Salaris en verschotten van een curator in een faillissement (art. 71 Fw) en een bewindvoerder in een schuldsaneringregeling (art. 320 lid 7 Fw) kunnen als een dergelijke boedelschuld worden aangemerkt. De vraag die daarom aan de orde is, is of deze daadwerkelijk gewerkte uren de basis zullen vormen voor de vaststelling van het salaris van de curator door de rechtbank. Van belang hierbij is, dat de rechtbank bij de salarisvaststelling de Recofa -.richtlijnen van 26 maart 2009 (i.w.tr. 01-04-2009) hanteert. Deze richtlijnen bepalen in paragraaf 6.3 onder e dat het salaris inclusief verschotten in beginsel niet worden vastgesteld op een hoger bedrag dan het beschikbaar actief. Dit brengt met zich dat daadwerkelijk gewerkte uren die vanwege onvoldoende actief niet kunnen worden uitbetaald in beginsel niet als basis kunnen dienen voor de salarisvaststelling. Voor deze uren wordt geen salaris vastgesteld, omdat salaris niet hoger wordt vastgesteld dan het beschikbaar actief. Ter zake van deze niet-uitbetaalde daadwerkelijk gewerkte uren zal daarom geen boedelschuld ontstaan; in het faillissement, noch in de schuldsanering. Indien en voor zover de rechtbank het salaris van de curator ook bij onvoldoende actief zou vaststellen op de daadwerkelijk gewerkte uren, dan zou naar het oordeel van de rechtbank het volgende gelden. Er zou dan wel kunnen worden gesproken van een boedelschuld in het faillissement van de CV. De vraag die dan voorligt is, is of deze boedelschuld in het faillissement van de CV ook als boedelschuld heeft te gelden in de schuldsaneringsregeling van de beherende vennoot. De rechtbank meent deze vraag ontkennend te moeten beantwoorden. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. In de eerste plaats wijst de rechtbank op artikel 320 lid 7 Fw, waarin is bepaald dat het salaris van de bewindvoerder schuld van de boedel is. Volgens de MvA, Kamerstukken II 1993/94, 22, 969 nr.6, p.29 e.v. is het uitgangspunt bij de salarisvaststelling van de bewindvoerder, dat moet worden voorkomen, dat de activa die tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling in de boedel bijeen worden gebracht geheel of voor het overgrote deel opgaan aan het salaris van de bewindvoerder. Er wordt daarom ook uitgegaan van in beginsel vaste salarisbedragen. Met dit uitgangspunt is in strijd, dat de activa die tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling in de boedel bijeen worden gebracht ook nog voor een deel opgaan aan het salaris van de curator in het faillissement van de CV. Wanneer het salaris van de curator ook in de schuldsanering als boedelschuld zou moeten gelden, betekent dat ook deze salarisbetaling aan de curator zou gaan vóór het doen van uitkeringen op vorderingen van schuldeisers die onder de werking van de schuldsaneringsregeling vallen. Dit acht de rechtbank in strijd met voormeld uitgangspunt. De rechtbank meent voor haar standpunt dat de boedelschuld ter zake van salaris en verschotten van de curator niet als boedelschuld heeft te gelden in de schuldsanering van de beherend vennoot, tevens steun te kunnen vinden in artikel 15d onder b Fw. Daarin is immers een regeling getroffen voor boedelschulden indien het faillissement wordt opgeheven onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Boedelschulden, gedurende dat faillissement ontstaan, gelden ook in de daarop volgende schuldsaneringsregeling als boedelschulden. Hierbij gaat het dus om boedelschulden uit een aan de schuldsaneringsregeling voorafgaande faillissement. In de onderhavige zaak kan het faillissement van de CV niet als een zodanig faillissement worden aangemerkt. Het enkele feit dat de wetgever een dergelijke regeling nodig heeft geacht wettigt de conclusie dat de FW geen mogelijkheid biedt om boedelschulden uit faillissementen tevens als boedelschulden te laten gelden in schuldsaneringsregelingen. Voorts overweegt de rechtbank nog het volgende. Weliswaar is een beherend vennoot hoofdelijk aansprakelijk voor schulden van de CV, doch dit brengt niet met zich mede, dat deswege een boedelschuld uit het faillissement van de CV tevens als boedelschuld in de schuldsaneringsregeling heeft te gelden. Indien en voor zover al geoordeeld zou moeten worden, dat de beherende vennoot aansprakelijk is voor het salaris van de curator voor zover dat niet uit het actief in het faillissement kan worden betaald, dan is dat aan te merken als een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling niet werkt. Deze vordering bestond immers niet ten tijde van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. (artikel 299 Fw. Deze vordering voldoen uit het in de schuldsaneringsregeling aanwezige actief vóór het doen van de uitkeringen aan schuldeisers die wél onder de werking van de schuldsaneringsregeling vallen druist in tegen doel en strekking van de schuldsaneringsregeling. De conclusie is dat de rechtbank het salaris van de curator zal vaststellen op het aanwezige actief in het faillissement en dat dit aldus vastgestelde salaris niet als boedelschuld heeft te gelden in de schuldsaneringsregeling van de beherende vennoot. Zelfs indien de rechtbank het salaris van de curator zou hebben vastgesteld op basis van de daadwerkelijk gewerkte uren kon dit aldus vastgesteld salaris niet als een boedelschuld in de schuldsaneringsregeling van de beherende vennoot worden aangemerkt. BESLISSING De rechtbank: - wijst het verzoek af. Gegeven te Assen door mr. H. Wolthuis in tegenwoordigheid van H. Takens,griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2012 en door de rechter en de griffier voornoemd ondertekend.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.