← Nederland

ECLI:NL:RBBRE:1997:1

55619/KG ZA 97-673 PRESIDENT VAN DE ARRONDISSEMENTS- 9 december 1997 RECHTBANK TE BREDA VONNIS IN KORT GEDING in de zaak van:

  1. [persoon 1] , en
  2. [persoon 2] , echtelieden, beiden wonende te [plaats] , gemeente Loon op Zand, e i s e r s in conventie bij dagvaarding van 21 november 1997, v e r w e e r d e r s in voorwaardelijke reconventie, procureur: mr. A.M.J. van Uitert, t e g e n :
  3. [persoon 3] , en
  4. [persoon 4] , echtelieden, beiden wonende te [plaats] , gemeente Loon op Zand, g e d a a g d e n in conventie, e i s e r s in voorwaardelijke reconventie, procureur: mr. M.P.M. Meuwese. 1Het verloop van het geding. Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken: ‑ de dagvaarding; - de pleitnota van mr. Van Uitert en de door haar in het geding gebrachte producties; - de pleitnota van mr. Meuwese, tevens houdende de voorwaardelijke eis in reconventie, en de door hem in het geding gebrachte producties. Partijen hebben voorts hun standpunten ter terechtzitting mondeling toegelicht. 2Het geschil. in conventie. Eisers in conventie/verweerders in voorwaardelijke reconventie, verder tezamen te noemen " [eigenaars perceel 1] " vorderen bij wege van onverwijlde maatregel gedaagden in conventie/eisers in voorwaardelijke reconventie, verder tezamen te noemen " [eigenaars perceel 2] ", te veroordelen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de geplaatste houten schutting te verwijderen met oplegging van een dwangsom; in voorwaardelijke reconventie. Voor geval de vordering in conventie wordt toegewezen vorderen [eigenaars perceel 2] . bij wege van onverwijlde maatregel [eigenaars perceel 1] te verbieden om van de aan [eigenaars perceel 2] . in eigendom toebehorende oprit gebruik te maken anders dan om met de eigen auto daarover heen te rijden louter met de bedoeling om alsdan de achterzijde van hun perceel te bereiken en uitdrukkelijk [eigenaars perceel 1] te verbieden op dat stuk oprit te parkeren danwel daarover te rijden/of te doen rijden met elke andere auto en ook derden niet toe te staan met hun auto en/of andere voertuigen op het aan de achterzijde van hun woning gelegen gedeelte, zulks op verbeurte van een dwangsom. De vorderingen zijn over en weer betwist. 3De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor. in conventie en in voorwaardelijke reconventie. 3.
  5. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten: - Partijen zijn buren. [eigenaars perceel 1] zijn eigenaar van het perceel aan [adres 1] en [eigenaars perceel 2] . van het perceel aan [adres 2] . - Tussen de woningen van partijen bevindt zich één grote oprit waarvan beide partijen gebruik maken voor het rijden van hun auto's en andere vervoermiddelen naar de achterzijde van ieders perceel. De oprit is voor een deel (ruim de helft) eigendom van [eigenaars perceel 2] . en voor het andere deel eigendom van [eigenaars perceel 1] . - In mei 1997 hebben [eigenaars perceel 1] een bouwvergunning aangevraagd bij de gemeente Loon op Zand voor het bouwen van een garage achter de woning. De gemeente heeft in oktober 1997 een bouwvergunning verleend voor de garage. [eigenaars perceel 2] . hebben daartegen een bezwaarschrift ingediend. Hierop is nog niet beslist. - Tussen partijen hebben omstreeks begin september 1997 besprekingen plaatsgevonden betreffende het vestigen van een erfdienstbaarheid ten laste van het perceel van [eigenaars perceel 2] . ten gunste van het perceel van [eigenaars perceel 1] . Nadat deze besprekingen zijn afgebroken hebben [eigenaars perceel 2] . aan [eigenaars perceel 1] medegedeeld dat zij in het vervolg geen gebruik meer mogen maken van de oprit van [eigenaars perceel 2] .. [eigenaars perceel 2] . hebben omstreeks oktober 1997 op de oprit, naast hun poort, een houten schutting geplaatst waardoor de oprit in twee delen wordt gesplitst. Deze schutting bevindt zich op aan [eigenaars perceel 2] . in eigendom toebehorende grond. Als gevolg van het plaatsen van deze schutting is de achterzijde van het perceel van [eigenaars perceel 2] . nog wel met een auto bereikbaar, maar de achterzijde van het perceel van [eigenaars perceel 1] niet. in conventie. 3.
  6. [eigenaars perceel 1] leggen aan hun vordering ten grondslag dat partijen sedert jaren hebben gedoogd dat zij over en weer gebruik maken van elkaars grond om met een auto naar de achterzijde van het perceel te gaan. [eigenaars perceel 1] stellen dat [eigenaars perceel 2] . door het plaatsen en geplaatst houden van de houten schutting misbruik maken van hun eigendomsrecht. [eigenaars perceel 2] . betwisten dat er sprake is van een gedoogsituatie in de door [eigenaars perceel 1] gestelde zin; zij stellen zelf over voldoende grond te beschikken om met een auto aan de achterzijde van hun perceel te komen. Voorts stellen zij dat [eigenaars perceel 1] hun auto vrijwel nooit achter de woning hebben geparkeerd en dat derhalve niet vaak gebruik is gemaakt door [eigenaars perceel 1] van de oprit van [eigenaars perceel 2] .. [eigenaars perceel 2] . vrezen dat [eigenaars perceel 1] de door hen te bouwen garage zullen gaan gebruiken voor het verrichten van herstel- en reparatiewerkzaamheden aan auto's van derden en dat zij in dat kader frequent gebruik zullen gaan maken van het aan [eigenaars perceel 2] . in eigendom toebehorende gedeelte van de oprit. Indien [eigenaars perceel 2] . zullen worden veroordeeld tot afbraak van de schutting betekent zulks naar hun stelling niet dat [eigenaars perceel 1] gerechtigd zullen zijn zonder toestemming van [eigenaars perceel 2] . gebruik te maken van het aan hun in eigendom toebehorende gedeelte van de oprit. 3.
  7. Hoewel [eigenaars perceel 2] . de intensiteit van het gebruik van de oprit door [eigenaars perceel 1] betwisten, alsmede de tijdsduur waarin dit gebruik heeft plaatsgevonden, is voorshands voldoende aannemelijk geworden dat door [eigenaars perceel 1] al geruime tijd met goedvinden van [eigenaars perceel 2] . gebruik wordt gemaakt van het aan [eigenaars perceel 2] . in eigendom toebehorende gedeelte van de oprit om met de auto de achterzijde van hun perceel te bereiken. In dit licht bezien, en mede gezien de omstandigheid dat [eigenaars perceel 1] thans doende zijn op hun perceel een garage te realiseren, moet worden geoordeeld dat zij voldoende spoedeisend belang hebben bij hun vordering. De president begrijpt de stellingname van [eigenaars perceel 1] aldus dat zij een persoonlijk recht hebben verkregen tot gebruik van het aan [eigenaars perceel 2] . in eigendom toebehorende gedeelte van de oprit. In het kader van dit kort geding kan niet worden geoordeeld of deze stellingname juist is. Daarvoor is nader onderzoek nodig, meer speciaal middels het horen van getuigen, waarvoor in het bestek van dit kort geding geen plaats is. Voorshands moet echter rekening worden gehouden met de reële kans dat de bodemrechter voormelde stellingname zal honoreren. Onder die omstandigheden moet het plaatsen van de schutting door [eigenaars perceel 2] . -die naar zij hebben erkend geen ander doel heeft dan te beletten dat [eigenaars perceel 1] met een auto het achter hun woning gelegen perceel kunnen bereiken- worden aangemerkt als een daad van eigenrichting. Dit leidt ertoe dat de gevraagde voorziening wordt toegewezen. De dwangsommen zullen worden gebonden aan een maximum als in het dictum vermeld. 3.
  8. Aangezien de vordering in conventie wordt toegewezen, is de voorwaarde voor het instellen van de reconventionele vordering in vervulling gegaan. in reconventie. 3.
  9. Vaststaat dat in het kader van de tussen partijen gevoerde onderhandelingen ter zake van de te vestigen erfdienstbaarheid door [eigenaars perceel 2] . een drietal voorwaarden zijn gesteld:
  10. niet parkeren op de oprit;
  11. de oprit niet gebruiken ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten;
  12. het gebruik van de oprit beperken tot de eigenaren. Voorts staat vast dat [eigenaars perceel 1] niet hebben ingestemd met voorwaarde sub 3, en dat zij hunnerzijds als voorwaarde hebben gesteld dat de bestaande pilaster ± 1 meter naar achter wordt verplaatst. 3.
  13. De president vermag niet in te zien welke bezwaren [eigenaars perceel 1] redelijkerwijs kunnen hebben tegen voorwaarde sub
  14. De omstandigheid dat men de auto van een familielid op het achterperceel wil kunnen wassen legt onvoldoende gewicht in de schaal. Het desondanks niet accepteren van de voorwaarde sub 3 en het stellen van de eigen voorwaarde rechtvaardigen daarentegen naar voorlopig oordeel de vrees van [eigenaars perceel 2] . dat de garage mede zal gaan worden gebruikt voor andere doeleinden dan louter stalling van de eigen auto, zulks te meer nu de aanwezigheid van de pilaster in het verleden geen probleem heeft opgeleverd. Derhalve hebben [eigenaars perceel 2] . belang bij hun vordering, zodat deze kan worden toegewezen zoals hierna omschreven. De dwangsommen zullen worden gebonden aan een maximum als in het dictum vermeld. 4De kosten. in conventie en in reconventie. Aangezien partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld zullen de kosten van het geding worden gecompenseerd als hierna vermeld. 5De beslissing in kort geding. De President in conventie. veroordeelt gedaagden binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de geplaatste houten schutting te verwijderen, zulks op straffe van een dwangsom van f. 250,= per dag dat gedaagden hieraan niet voldoen, een gedeelte van de dag daaronder begrepen, met een maximum van f. 25.000,= aan te verbeuren dwangsommen; bepaalt dat een in dit vonnis genoemde dwangsom vatbaar is voor matiging door de bodemrechter voorzover handhaving van de hiervoor gekozen dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding; compenseert de kosten van het geding aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; weigert het meer of anders gevorderde; in reconventie. verbiedt verweerders om van het aan eisers in eigendom toebehorende gedeelte van de oprit gebruik te maken anders dan om met de eigen auto daarover heen te rijden louter met de bedoeling om alsdan de achterzijde van hun perceel te bereiken; verbiedt verweerders op het aan eisers in eigendom toebehorende gedeelte van de oprit te parkeren danwel daarover met elke andere auto te rijden/of te doen rijden; verbiedt verweerders derden toe te staan zich met een niet aan verweerders in eigendom toebehorende auto en/of andere voertuigen te begeven op het aan eisers in eigendom toebehorende gedeelte van de oprit; bepaalt, dat verweerders een dwangsom verbeuren van f. 500,= per overtreding van een der voormelde verboden, met dien verstande dat maximaal f. 25.000,= aan dwangsommen kan worden verbeurd; bepaalt dat een in dit vonnis genoemde dwangsom vatbaar is voor matiging door de bodemrechter voorzover handhaving van de hiervoor gekozen dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding; compenseert de kosten van het geding aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; weigert het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. Paalvast, President, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van 9 december 1997, in tegenwoordigheid van mr. Van de Kar, waarnemend griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.