99/760 CSV COO ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA 99/761 CSV COO Zevende kamer Uitgesproken d.d.: 22 september 2000 UITSPRAAK in het geding tussen: [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres, mr. K.E.H. de Klerk te Tilburg, gemachtigde, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), uitvoeringsinstelling Gak, gevestigd te Amsterdam, verweerder. 1. Procesverloop: Eiseres heeft beroep ingesteld tegen verweerders beslissingen op bezwaar van 23 maart 1999 (hierna: de bestreden besluiten), betreffende de besluiten van 30 november 1998 tot hoofdelijke aansprakelijkstelling van eiseres voor de betaling van premieschulden van [schuldenaar 1] BV (hierna: [schuldenaar 1] BV) en van [schuldenaar 2] BV. Eiseres heeft op 21 mei 1999 de gronden van de beroepschriften aangevuld. Verweerder heeft bij brieven van 29 juni 1999 de op de zaken betrekking hebbende stukken toegezonden. Bij brieven van 6 juli 1999 zijn de verweerschriften ingediend. De beroepen zijn gevoegd behandeld door een enkelvoudige kamer van de rechtbank op 14 maart 2000. Namens eiseres zijn verschenen F.A.J.M. Brouwers alsmede haar gemachtigde mr. K.E.H. de Klerk. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. M.J. van Vuuren. Vervolgens is het onderzoek in de zaken heropend en zijn de zaken ter verdere behandeling verwezen naar een meervoudige kamer. Bij brief van 28 maart 2000 heeft de rechtbank verweerder een aantal vragen gesteld, waarop verweerder heeft gereageerd bij brief van 12 april 2000. Eiseres heeft bij faxbericht van 27 april 2000 haar standpunt nader toegelicht. De verdere behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2000. Namens eiseres is verschenen mr. De Klerk, namens verweerder mr. Van Vuuren. 2. Beoordeling: Bij besluiten van 30 november 1998 is eiseres op grond van artikel 16a van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: de CSV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van premies ingevolge de WW, WAO, ZW en ZFW ten bedrage van ¦ 33.603,= en ¦ 2.566,=. Deze premies hebben betrekking op werknemers die in 1993 en 1994 door [schuldenaar 1] BV, respectievelijk in 1995 door [schuldenaar 2] BV, ter beschikking zijn gesteld aan eiseres. Bij de bestreden besluiten zijn de daartegen gerichte bezwaarschriften van eiseres ongegrond verklaard. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat eiseres geen vertrouwen mocht ontlenen aan de door de fiscus en de toenmalige bedrijfsvereniging verstrekte verklaringen van goed betalingsgedrag. Voorts heeft eiseres betoogd dat verweerder ten onrechte geen gevolgen verbindt aan de omstandigheid dat terugstortingen hebben plaatsgevonden van door [schuldenaar 1] BV en [schuldenaar 2] BV aan verweerder overgemaakte bedragen. De rechtbank overweegt op basis van deze beroepsgronden het navolgende. De door verweerders rechtsvoorganger afgegeven verklaringen van goed betalingsgedrag hebben, zoals ook uit de desbetreffende bewoordingen blijkt, betrekking op de op het moment van afgifte vastgestelde en vervallen (voorschot)premies over de in de verklaringen genoemde tijdvakken. Daarbij is in de verklaringen uitdrukkelijk vermeld dat gezien de aan de voorschotheffing ten grondslag liggende loonraming de werkelijk verschuldigde premies daarvan kunnen afwijken, alsmede dat aan de verklaring geen vrijwaring kan worden ontleend ten aanzien van artikel 16 van de CSV. Nu is gesteld noch gebleken dat in casu de verklaringen zijn afgegeven in strijd met het werkelijke betalingsgedrag van de premieschuldige, kan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn van daaraan ontleend vertrouwen dat aan hoofdelijke aansprakelijkstelling in de weg zou staan. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de door de belastingdienst afgegeven verklaringen, nog daargelaten dat de afgifte daarvan niet door verweerder is geschied en om die reden niet aan de onderhavige aansprakelijkstellingen door verweerder in de weg kan staan. De omstandigheid dat achteraf sprake blijkt te zijn van onjuiste en onvolledige loonopgaven komt derhalve in zoverre voor risico van eiseres. Voor wat betreft de terugstortingen door verweerder naar [schuldenaar 1] BV c.q. [schuldenaar 2] BV overweegt de rechtbank het volgende. Volgens de door verweerder zelf overgelegde overzichten heeft hij in 1994 en 1995 van [schuldenaar 1] BV ontvangen gelden teruggestort op de G-rekening van [schuldenaar 1] BV. Dit betreft over de in 1993 ontvangen gelden een tweetal terugstortingen tot een totaal van ruim ¦ 15.000,= en over 1994 een viertal terugstortingen van in totaal bijna ¦ 259.000,=. Voorts heeft verweerder in 1995 en begin 1996 van [schuldenaar 2] BV in 1995 ontvangen gelden teruggestort op de G-rekening van [schuldenaar 2] BV. Het betreft een drietal terugstortingen tot een totaal van circa ¦ 160.000,=. In reactie op het betoog van eiseres dat die terugbetalingen gevolgen moeten hebben voor de aansprakelijkstelling heeft verweerder aangevoerd dat hij ten tijde van deze terugstortingen in de veronderstelling verkeerde dat [schuldenaar 1] BV c.q. [schuldenaar 2] BV alle premieschulden voldaan had, zodat de teruggestorte gelden niet aangemerkt dienen te worden als ontvangsten van verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit standpunt van verweerder niet worden aanvaard. Niet in discussie is dat, zoals verweerder meermalen heeft benadrukt, de terugstortingen het gevolg zijn van te lage voorschotnota's. Verweerder heeft op een aantal momenten in genoemde jaren geconstateerd dat de van de G-rekeningen van [schuldenaar 1] BV respectievelijk [schuldenaar 2] BV ontvangen betalingen de totaalbedragen van de respectieve vastgestelde (voorschot)nota's overtroffen. Verweerder heeft zonder nader onderzoek dienaangaande deze positieve saldo's teruggestort op genoemde G-rekeningen. In het kader van de latere hoofdelijke aansprakelijkstelling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.