01 / 861 HOREC VV President van de Arrondissementsrechtbank te Breda 01 / 862 HOREC Uitgesproken d.d.: 12 juni 2001 UITSPRAAK inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb in het geding tussen: [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, mr. F.J. Koningsveld te Breda, gemachtigde, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder. 1. Procesverloop: Bij besluit van 18 mei 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de weigering aan verzoeker een vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet (D&Hwet) te verlenen, gehandhaafd. Tegen dat besluit heeft verzoeker bij brief van 21 mei 2001 een beroepschrift bij verweerder ingediend. Bij brief van gelijke datum heeft verzoeker de president van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is behandeld ter zitting van 7 juni 2001. Verzoeker was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. F.J. Koningsveld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G.L. Pijnenburg. 2. Beoordeling: 2.1 Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de president de volgende feiten als vaststaand aan. Verzoeker, die voornemens is aan de [adres] te [woonplaats] een horecagelegenheid te gaan exploiteren, heeft op 26 oktober 2000 een aanvraag ingediend voor een vergunning ingevolge de D&Hwet. Verweerder heeft hierover advies gevraagd aan onder meer de politie. Op 28 december 2000 heeft de politie een ingevulde vragen-lijst inzake de D&Hwet aan verweerder gezonden en daarbij negatief geadviseerd. Bij brief van 1 februari 2001 heeft verweerder verzoeker in kennis gesteld van zijn voornemen om de gevraagde D&H-vergunning te weigeren. Op 8 februari 2001 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waar verzoeker zijn zienswijze heeft toegelicht. Bij besluit van 23 februari 2001 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan verzoeker een vergunning ingevolge de D&Hwet te verlenen. Naar het oordeel van verweerder wordt niet voldaan aan de in artikel 8, tweede lid, sub b van de D&Hwet gestelde eis dat de leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mogen zijn. Dit oordeel is gebaseerd op een achttal strafrechtelijke veroordelingen vanaf 1984, waarbij met name gewicht is toegekend aan de laatste twee veroordelingen. Het betreft een veroordeling op 20 november 1996 tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte van 50 uren in plaats van 3 weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf in verband met overtreding van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht en een veroordeling op 23 november 1998 tot een geldboete van ƒ 850,-- subsidiair 17 dagen hechtenis in verband met overtreding van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht. Voorts heeft verweerder mee laten wegen dat verzoeker over de periode van mei 1996 tot april 1997 een stadionverbod opgelegd heeft gekregen en dat hij de afgelopen twee jaren twee maal betrokken is geweest bij geweldshandelingen. Verzoeker heeft daartegen bij brief van 27 maart 2001 een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, nadat verzoeker daaromtrent op 25 april 2001 gehoord is door de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften, zijn bezwaren ongegrond verklaard. Tegen het bestreden besluit heeft verzoeker bij brief van 21 mei 2001 een beroepschrift ingediend en bij brief van gelijke datum aan de president van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat verweerder heeft getoetst aan het onjuiste wettelijk kader, nu zijn aanvraag bij verweerder op 26 oktober 2000 is ingekomen, terwijl de laatste wijziging van de D&Hwet pas per 1 november 2000 in werking is getreden. Verweerder had, gelet hierop, de aanvraag dienen te toetsen aan het vóór 1 november 2000 geldende regime. Voorts stelt verzoeker dat hij toch voldoet aan de eis dat hij "niet van slecht levensgedrag is" zoals geformuleerd in artikel 8 lid 2 sub b van de D&Hwet, zoals nader uitgewerkt in het Besluit eisen zedelijk gedrag D&Hwet 1999 (hierna: BEZ). Verzoeker stelt dat verweerder in dit kader onder meer ten onrechte heeft meegewogen de twee incidenten, waarbij hij betrokken was, doch die nooit hebben geleid tot vervolging. Voorts heeft verweerder zijn hele strafrechterlijke verleden meegewogen, terwijl in het BEZ slechts een termijn van vijf jaren wordt genoemd. Tot slot wordt erop gewezen dat verzoeker zich al geruime tijd - onder andere via overleg met gemeente en politie - serieus aan het voorbereiden is op zijn toekomst als horecaondernemer. Verzocht is het bestreden besluit te vernietigen en bij wegen van voorlopige voorziening te bepalen dat hij de horeca-onderneming kan gaan exploiteren als ware hij in het bezit van een vergunning op grond van de D&Hwet. De president overweegt als volgt. 2.2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de president van de rechtbank, die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Met verzoeker is de president van oordeel dat er sprake is van een voldoende spoedeisend belang aan zijn kant, in aanmerking genomen dat verzoekers optie tot huur van het pand [adres] op 1 juni 2001 afliep en dat deze met het oog op de behandeling ter zitting nog slechts tot 15 juni 2001 verlengd kon worden. Op grond van artikel 8:86, eerste lid, is de president bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. De president ziet aanlei-ding van die bevoegdheid gebruik te maken. Daartoe wordt het volgende overwogen. 2.3 Zowel de D&Hwet als het daarop gebaseerde BEZ zijn gewijzigd, welke wijzigingen met ingang van 1 november 2000 in werking zijn getreden. Er is geen overgangsrecht opgenomen. Voorts moet worden vastgesteld dat de criteria in artikel 3 van het BEZ aangescherpt zijn, zodat het nieuwe regime voor verzoeker ongunstiger is. Met verzoeker is de president dan ook van oordeel dat verweerder verzoekers aanvraag, die op 26 oktober 2000 bij verweerder is binnengekomen, had behoren te toetsen aan het wettelijk kader zoals dat op het moment van aanvraag luidde en niet zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het primaire besluit. Het bestreden besluit komt, gelet hierop, voor vernietiging in aanmerking en het beroep dient gegrond te worden verklaard. 2.4 De president zal vervolgens beoordelen of er aanleiding is de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder heeft zijn weigering een D&W-vergunning te verlenen gebaseerd op de overweging dat verzoeker niet voldaan heeft aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn. Zowel de D&Hwet oud (namelijk in artikel 5, lid 2 onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.