85516 / HA ZA 00-1162 RECHTBANK BREDA 15 januari 2002 Sector Handelsrecht Enkelvoudige Kamer V O N N I S In de zaak van: 1. [eiser], wonende te [woonplaats], 2. [eiser], wonende te [woonplaats], e i s e r s bij dagvaarding van 31 mei 2000, procureur: mr. C.M.J. Peeters, t e g e n: 1. [gedaagde], wonende te [woonplaats], procureur: mr. R.A.H. Post, 2. [gedaagde], wonende te [woonplaats], procureur: mr. R.A.H. Post, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KOUTERS, DE KROON & VAN DER MEER MAKELAARS B.V., voorheen genaamd DE KROON MAKELAARDIJ B.V., gevestigd te [woonplaats], procureur: mr. N.Th. ter Haar Romeny, 4. [gedaagde], wonende te [woonplaats], procureur: mr. N.Th. ter Haar Romeny, g e d a a g d e n. 1. Het verdere verloop van het geding. Dit blijkt uit de navolgende processtukken: - het tussenvonnis van 14 november 2000 met alle daarin genoemde stukken; - de conclusie van antwoord aan de zijde van gedaagden sub 1 en 2; - de conclusie van repliek, tevens akte tot wijziging van eis, met 1 productie; - de akte verzet wijziging van eis, conclusie van dupliek in de hoofdzaak en in vrijwaring van gedaagden sub 3 en 4, met 1 productie; - het extract uit het audiëntieblad van de rolzitting van 1 mei 2001, waaruit blijkt dat de rolrechter het verzet van gedaagden sub 3 en 4 tegen de wijziging van eis ongegrond verklaart; - de conclusie van dupliek van gedaagden sub 1 en 2. Eisers zullen worden aangeduid als 'kopers'; gedaagden sub 1 en 2 als 'verkopers', gedaagde sub 3 als 'Kouters', gedaagde sub 4 als 'De Kroon'. 2. Het geschil. De kopers vorderen als weergegeven in ro. 3.1 van het genoemde tussenvonnis. Gedaagden weerspreken de vordering. 3. De beoordeling 3.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende weersproken, alsmede op grond van de door partijen overgelegde producties, voorzover niet weersproken, stelt de rechtbank de volgende feiten vast. a. Bij een daartoe strekkende schriftelijke opdracht van 24 juli 1999 hebben de verkopers aan Kouters, vertegenwoordigd door De Kroon, opdracht verleend tot bemiddeling bij de verkoop van de onroerende zaak, staande en gelegen aan [kadaster], groot een are en tachtig centiare (hierna te noemen: de woning). De vraagprijs was bepaald op f 349.000 k.k. b. In opdracht van de Provincie Noord-Brabant (hierna genoemd: de Provincie) is door Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. een aanvullend nader bodemonderzoek verricht op het voormalige gasfabrieksterrein aan de Turfhoofd/Kaaistraat te Oudenbosch. Aanleiding voor het onderzoek vormen de resultaten van een aantal in de jaren '80 door Witteveen en Bos uitgevoerde bodemonderzoeken. Oranjewoud B.V. heeft in juli 1998 een rapport over haar onderzoek uitgebracht. c. Op 28 december 1998 hebben Gedeputeerde Staten van de Provincie een beschikking genomen ingevolge de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming (Wbb), zulks ten aanzien van gedeelten van de percelen C 2080, C 1274, C 1273 en C 1312 die voor registratie in aanmerking komen. De beschikking vermeldt - samengevat - : - dat sprake is van een geval van ernstige verontreiniging als bedoeld in artikel 29, lid 1, van de Wbb; - dat geen sprake is van een actueel humaan risico; - dat geen sprake is van ecologische risico's; - dat sprake is van urgentie op basis van verspreidingsrisico's, aangezien de grondwaterverontreiniging het oppervlaktewater negatief beïnvloedt; - dat met de sanering uiterlijk in 2014 moet worden begonnen. De zakelijke inhoud van de beschikking is op 29 december 1998 in BN/De Stem gepubliceerd. d. Tussen kopers en verkopers is op 19 oktober 1999 een koopovereenkomst tot stand gekomen waarbij de woning is verkocht voor een bedrag van f 322.500,--. e. Op 11 oktober 1999 hebben de kopers de woning bezichtigd. Hierbij waren tevens aanwezig de verkopers en De Kroon. Op 23 oktober 1999 is de woning voor de tweede maal door de kopers bezichtigd. Hierbij waren verder alleen de verkopers aanwezig. f. Op 25 oktober 1999 hebben de kopers en de verkopers de koopovereenkomst getekend ten kantore van Kouters. In de koopovereenkomst zijn - voor zover hier van belang - de volgende bepalingen opgenomen: "5.3 De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn. Koper is voornemens de onroerende zaak te gebruiken als: woonhuis. Indien de feitelijke levering eerder plaatsvindt, zal de onroerende zaak op dat moment de eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn. Verkoper staat niet in voor andere eigenschappen dan die voor een normaal gebruik nodig zijn, noch voor gebreken die dat normale gebruik belemmeren en die aan koper kenbaar zijn op het moment van het tekenen van deze koopovereenkomst. 5.4.1 Aan verkoper is niet bekend, dat de onroerende zaak enige verontreiniging bevat die ten nadele strekt van het in lid 3 omschreven gebruik door koper of die heeft geleid of zou kunnen leiden tot een verplichting tot schoning van de onroerende zaak, dan wel het nemen van andere maatregelen." g. Op 20 december 1999 heeft de overdracht van de woning plaatsgevonden ten overstaan van notaris Lanen te Halderberge. Artikel 6 van de leveringsakte luidt - voorzover hier van belang - als volgt: "1. Verkoper is niet bekend met feiten die erop wijzen dat het verkochte enige verontreiniging bevat die ten nadele strekt van het voormeld aangegeven gebruik door koper of die heeft geleid of zou kunnen leiden tot een verplichting tot schoning van het verkochte, dan wel tot het nemen van andere maatregelen. 2. Betreffende de eventuele verontreiniging van het verkochte is geen opdracht voor een bodem- en grondwateronderzoek gegeven." 3.2 De kopers leggen aan hun vordering jegens de verkopers ten grondslag, dat laatstgenoemden toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. De woning bevindt zich op verontreinigde grond en beantwoordt derhalve niet aan de overeenkomst. Indien geen sprake mocht zijn van een toerekenbare tekortkoming, doen de kopers een beroep op gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst. Voorts stellen de kopers dat de verkopers jegens hen onrechtmatig hebben gehandeld, nu zij bewust informatie ten aanzien van de verontreinigde grond op het gekochte perceel hebben achtergehouden. De kopers hebben bij repliek tot slot een beroep op dwaling gedaan. Zij stellen dat zij de koopovereenkomst zijn aangegaan in de gerechtvaardigde veronderstelling dat het woonhuis zich niet op verontreinigde grond zou bevinden en beroepen zich op de dwalingsgevallen, genoemd in artikel 6:228, lid 1, onder a tot en met c, BW. Zij vorderen geen vernietiging van de koopovereenkomst, maar, op de voet van artikel 6:230 BW, wijziging van de overeenkomst ter opheffing van het nadeel dat kopers lijden bij instandhouding van de overeenkomst, in dier voege dat de schade in mindering wordt gebracht op de koopprijs. 3.3 De kopers leggen aan hun vordering jegens Kouters en De Kroon ten grondslag, dat beiden onrechtmatig jegens de kopers hebben gehandeld door bewust informatie ten aanzien van de verontreinigde grond op het gekochte perceel achter te houden. Als deskundigen dienden Kouters en De Kroon de kopers over de verontreiniging te informeren. 3.4 Door het handelen van de verkopers, Kouters en De Kroon stellen de kopers primair schade te lijden ter hoogte van een bedrag van f 150.000,--, waarvoor zij gedaagden hoofdelijk aansprakelijk houden. 3.5 De Kroon heeft bij conclusie van antwoord betoogd dat eisers, in hun vordering jegens hem niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden, "nu uit de opdracht tot dienstverlening bij verkoop duidelijk blijkt dat de opdracht door hen is verleend aan De Kroon Makelaardij B.V., de rechtsvoorgangster van gedaagde sub 3." Ervan uitgaande dat met "hen" de verkopers is bedoeld faalt dit verweer, nu de kopers aan hun vordering mede ten grondslag hebben gelegd dat De Kroon, door het nalaten van het verstrekken van informatie jegens kopers onrechtmatig heeft gehandeld. Op die grondslag zijn de kopers in hun vordering jegens De Kroon ontvankelijk. 3.6 Ter beoordeling staat in de eerste plaats de vraag, of de bodem dan wel het grondwater van het perceel waarop de woning is gelegen, verontreinigd zijn. Gedaagden betwisten dat het perceel waarop de woning is gelegen daadwerkelijk is getroffen door een grondwaterverontreiniging. Op de kopers rust dan ook de bewijslast van hun stelling, dat het perceel waarop de woning is gelegen verontreinigd is. Gesteld noch gebleken is, dat sanering is vereist van het in geschil zijnde perceel. Uit de in ro. 3.1, onder c, genoemde beschikking blijkt zulks ook niet. Ter onderbouwing van hun stelling dat sprake is van een verontreiniging op het perceel van de woning hebben de kopers het in ro. 3.1, onder b, genoemde rapport van Oranjewoud B.V. als productie bij conclusie van eis in het geding gebracht, overigens zonder expliciet in de dagvaarding of die conclusie te motiveren met welke onderdelen van dit rapport hun stellingen worden gestaafd. Gedaagden hebben de in dat rapport besloten liggende feiten en conclusies niet weersproken, zodat van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan. Uit het rapport komen de volgende gegevens naar voren. a. Pagina 21 van dit rapport bevat een samenvatting van de onderzoeksresultaten, met de daaraan verbonden conclusies. Hieruit blijkt, dat de grond van het terrein van de voormalige gasfabriek sterk verontreinigd is. Ook het slib in de haven ten oosten van het voormalige gasfabrieksterrein is sterk verontreinigd. Er is (vermoedelijk) sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. b. Voor het grondwater geldt, dat de verontreiniging zich mede heeft verspreid naar de woonwijk Spui-Noord, Duiventoren. c. Er is geen sprake van actuele humane risico's, noch van actuele ecologische risico's. Er is sprake van actuele verspreidingsrisico's, omdat de verontreinigingen in het grondwater uitstromen in een oppervlaktewater, namelijk de haven. d. Gelet op de bij conclusie van eis als productie 5 overgelegde kaarten, in samenhang met de als productie 1 en 4 overgelegde kadastrele tekeningen, moet worden aangenomen dat in de nabijheid van het in ro. 3.1, onder a, genoemde perceel door Oranjewoud B.V. een onderzoek is verricht naar het aldaar aanwezige grondwater met peilbuis nummer 117. Op pagina 15 van het onderzoeksrapport staat een analyse van deze meting vermeld. Uit deze meting blijkt dat het grondwater ter plaatse verontreinigd is met cyanide. De hierbij gevonden waarde (16 mg/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.