108426/KG ZA 02-259 RECHTBANK BREDA 7 juni 2002 Sector Handelsrecht Voorzieningenrechter VONNIS IN KORT GEDING in de zaak van:
(1997)geeft voor het woord "live" de betekenis: ter plekke opgevoerd, dus niet met behulp van opnames of filmbeelden. Geconcludeerd wordt dat het woord "live" in zo verregaande mate beschrijvend is dat deze aanduiding op zichzelf ieder onderscheidend vermogen mist. Door een dergelijke aanduiding te monopoliseren via een merkrecht zouden derden worden verhinderd om een live uitvoering van een werk op de in de gangbare taal gebruikelijke wijze aan te duiden. Dit geldt temeer nu gesteld noch gebleken is van een bruikbaar alternatief in de Nederlandse taal voor het woord "live". Dat sprake zou zijn van begripsmatige overeenstemming, die zorgt voor verwarring, door gebruik van het woord "live" is reeds niet aannemelijk, omdat het woord "live" op zichzelf en in combinatie met muziekuitvoeringen zo breed gebruikelijk is dat dat woord niet onderscheidend en verwarringwekkend meer kan zijn. Auteursrecht 3.8 Vooropgesteld wordt dat niet is uitgesloten dat een idee voor een evenement in aanmerking kan komen voor auteursrechtelijke bescherming, mits het voldoende is uitgewerkt en geconcretiseerd, zodat het evenement een oorspronkelijk, eigen karakter draagt. Dat is hier echter niet het geval. De in punt 46 van de dagvaarding beschreven elementen van de wijze van uitvoering van het evenement door [eiser], namelijk op de vierde zaterdag in juni in Made, door diverse live-bands en/of live-formaties, met invloed van het publiek op de lijst van 100 te spelen nummers en met voorzieningen voor kinderen en/of volwassenen, bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt van [eiser] dat hij zich op auteursrechtelijke bescherming kan beroepen. Toegegeven kan worden dat het gegeven dat het een jaarlijks terugkerend evenement betreft, dat steeds op de vierde zaterdag van juni in de plaats Made wordt georganiseerd, als bijzonder element kan worden beschouwd, maar een dergelijk geografisch bepaald element leent zich niet voor auteursrechtelijke bescherming. 3.9 Van inbreuk op eventuele auteursrechten op de inhoud van de Top 100 lijsten van partijen is geen sprake, omdat vast staat dat de Top 100 lijsten van partijen inhoudelijk verschillen. Handelsnaamwet 3.10 Voor een succesvol beroep op artikel 5 van de Handelsnaamwet is allereerst vereist dat gedaagden de inbreukmakende handelsnaam daadwerkelijk als handelsnaam gebruiken, door een onderneming te drijven onder de inbreukmakende naam. Dit laatste is echter gesteld noch gebleken, zodat dit beroep wordt verworpen. 3.11 Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen wordt reeds geconcludeerd dat de vorderingen sub 3 en 4 niet voor toewijzing in aanmerking komen. Onrechtmatige daad 3.12 [eiser] stelt dat gedaagden onrechtmatig jegens hem handelen door op de vierde zaterdag in juni te Made een muziekevenement te organiseren onder de naam Top 100 Live, met gebruikmaking van hetzelfde concept en dezelfde bands waarmee [eiser] in de twee voorafgaande jaren op diezelfde datum en op de zelfde locatie een muziekfestival heeft georganiseerd onder de naam Top 100 All Times (Live). Volgens [eiser] haken gedaagden daarmee aan bij het succes van [eiser], door expliciet te verwijzen naar de eerdere geslaagde edities van 2000 en 2001, die door [eiser] zijn georganiseerd. 3.13 De voorzieningenrechter begrijpt de stellingen van gedaagden aldus, dat zij door de aan het festival deelnemende muzikanten eind 2001 zijn benaderd om de organisatie van het festival op zich te nemen. Dat een en ander is zo gelopen komt, aldus gedaagden, omdat [eiser] zich in 2001 niet aan afspraken hield, met als gevolg dat de goede naam in opbouw van het festival in het gedrang kwam, waardoor de muzikanten niet langer met hem wensten samen te werken. 3.14 Vooropgesteld wordt dat gedaagden niet "de muzikanten" zijn, zoals de raadsman van gedaagden in zijn pleitnota gedaagden aanduidt, maar de personen [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. [gedaagde 1] speelde bij het festival in 2001 een rol als toeleverancier van dranken. Ofschoon de rol van [gedaagde 2] niet nader is toegelicht, blijkt uit de producties dat [gedaagde 2] eerder met [gedaagde 1] evenementen te Made zou hebben georganiseerd. Het enkele feit dat voor het festival in 2001 op naam van [gedaagde 1] de horecavergunning was verleend is niet van doorslaggevend belang, omdat [eiser] algeheel verantwoordelijk was voor de totale gang van zaken en de drankverkoop gedurende het festival van 2001, zie de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde 1] van 23 juni
- De stelling van gedaagden dat de vergunning voor het festival in 2001 is verleend aan de Stichting i.o. en HV Made gezamenlijk is op geen enkele wijze onderbouwd en niet aannemelijk. Uit de brief van de Gemeente Drimmelen aan de Stichting i.o. van 28 mei 2001 (productie 4 eisers) blijkt immers dat die vergunning is verleend aan de Stichting i.o. 3.15 De kern van het geschil betreft de vraag wie van partijen gerechtigd is de organisatie van het festival op 22 juni 2002 op zich te nemen. Tussen partijen is in confesso dat het idee om een festival te organiseren waarbij de Top 100 van niet recente songs live wordt uitgevoerd, vele malen eerder is vertoond. Het idee om ook in Made een dergelijk festival te organiseren is afkomstig van [betrokkene], die [eiser] in 2000 heeft benaderd om het idee praktisch uit te werken en uit te voeren. Na het eerste festival in 2000 heeft [betrokkene] zich echter teruggetrokken en heeft [eiser] het festival in 2001 geheel voor eigen rekening en risico georganiseerd. Nadat het festival in 2001 succesvol is gebleken heeft [eiser] bekend gemaakt dat dit festival een terugkerend evenement zou worden dat ieder jaar op de vierde zaterdag van juni te Made zou plaatsvinden. [eiser] stelt terecht dat dankzij zijn organisatie de voorgaande edities van het festival succesvol zijn verlopen en dat hij voor eigen rekening en risico de thans bij het publiek bestaande goodwill heeft opgebouwd. Vast staat dat [eiser] heeft geïnvesteerd in de goodwill voor die plaats en die tijd en die vorm, terwijl die goodwill tevens omvat de bekendheid bij het publiek dat [eiser] in 2001 heeft aangekondigd ieder jaar op de vierde zaterdag in juni te Made een festival te organiseren waarbij de top 100 live wordt uitgevoerd door verschillende bands. De bekendheid van die datum bij het publiek was kennelijk ook voor gedaagden de aanleiding om op 21 november 2001 bij de gemeente Drimmelen voor die datum: de vierde zaterdag in juni 2002, een vergunning voor het onderhavige festival aan te vragen. Die aanvraag is overigens gedaan zonder dat gedaagden [eiser] daarover hebben ingelicht, ofschoon gedaagden ermee bekend waren dat [eiser] voornemens was de Stichting op te richten en op naam van die Stichting op 22 juni 2002 een gelijksoortig festival te Made te organiseren. Door uitgerekend op de vierde zaterdag in juni 2002 een soortgelijk festival te organiseren haken gedaagden aan bij het succes van de voorgaande edities en beogen gedaagden thans te oogsten wat [eiser] de afgelopen twee jaar heeft gezaaid. Dit klemt temeer nu de gemeente Drimmelen bij het verlenen van de vergunning aan gedaagden als belangrijk argument heeft meegewogen dat zich tijdens het festival in 2001 geen ongeregeldheden hebben voorgedaan, hetgeen te danken is aan de organisatie van dat festival door [eiser]. Geconcludeerd wordt dan ook dat gedaagden op onrechtmatige wijze profiteren van de goodwill die [eiser] voor eigen rekening en risico heeft opgebouwd door met gebruikmaking van hetzelfde concept dat [eiser] in 2001 dankzij de successen van de voorgaande edities had aangekondigd, namelijk dat het festival jaarlijks op de vierde zaterdag in juni plaats zou vinden, uitgerekend op de vierde zaterdag in juni 2002 met dezelfde bands en op dezelfde locatie een festival met een gelijksoortige naam te organiseren. 3.16 Een en ander zou wellicht anders kunnen zijn indien gedaagden aan kunnen tonen dat de organisatie van het festival in 2000 en 2001 niet naar behoren is verlopen en dat zulks te wijten was aan ernstige tekortkomingen aan de zijde van [eiser]. Gedaagden hebben in dit verband een aantal verwijten richting [eiser] aangevoerd, die hierna puntsgewijs zullen worden besproken. 3.17 Gedaagden hebben aangevoerd dat [eiser] inbreuk maakt op auteursrechten van Buma/Stemra en op intellectuele eigendomsrechten van HMG door op zijn website songteksten te plaatsen en het Yorin-logo af te beelden. Afgezien van het feit dat niet goed valt in te zien dat de gestelde inbreuken kunnen worden aangemerkt als een ernstige tekortkoming in de zin zoals hiervoor onder r.o. 3.16 is overwogen, is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] met Yorin een overeenkomst heeft gesloten, tevens voor radiocommercials, en dat hij zich niet heeft gerealiseerd dat hij mogelijk aan Buma/Stemra een vergoeding verschuldigd is voor het plaatsen van songteksten. Indien zal blijken dat dit laatste zich voordoet, heeft [eiser] toegezegd die vergoeding te betalen. 3.18 De stelling van gedaagden dat [eiser] bepaalde afspraken niet is nagekomen is door [eiser] weerlegd. Daarbij heeft [eiser] erkend dat er enkele problemen waren, hetgeen volgens hem niet ongebruikelijk is bij dergelijke festivals, maar hij heeft gemotiveerd uiteengezet dat die problemen thans zijn opgelost, ondermeer door aan te voeren dat een de klacht van HV Made omtrent een beschadigd hekwerk is oplost doordat het hek inmiddels is hersteld, dat betalingen aan EHBO-vrijwilligers op dezelfde avond contant zijn geschied en door te verwijzen naar schriftelijke afspraken met HV Made, door gedaagden overgelegd als productie 16, waaruit blijkt dat in de totaalprijs die door [eiser] aan HV Made is betaald, tevens een bedrag is inbegrepen voor arbeid en bewaking. 3.19 De stelling van gedaagden dat in 2001 bleek dat de benadering van [eiser] hoe langer hoe meer een puur commerciële benadering was, met minder hart voor het evenement zelf is door gedaagden niet nader onderbouwd en niet aannemelijk geworden. Daarbij wordt opgemerkt dat [eiser] juist vanwege zijn kwaliteiten en ervaring op organisatorisch gebied in 2000 door [betrokkene] is benaderd, en dat het een feit van algemene bekendheid is dat voor een succesvolle organisatie en het waarborgen van een terugkerend evenement een commerciële benadering niet gemist kan worden. In de brief van de gemeente Drimmelen van 10 april 2002, verzonden 11 april 2002 aan [gedaagde 1] (productie 6 van eisers) is vermeld dat er bij de vorige edities van het festival geen klachten waren van nabijwonenden over geluidsoverlast en dat er op de dag van het evenement en de dag erna geen aangiften zijn gedaan van vernielingen, zodat geconcludeerd mag worden dat het evenement twee keer eerder naar tevredenheid van de gemeente is verlopen. 3.20 Gedaagden hebben aangevoerd dat de muzikanten niet meer met [eiser] wensen samen te werken. [eiser] heeft dit standpunt, dat namens de muzikanten door de [woordvoerder muzikanten] aan hem is kenbaar gemaakt, gerespecteerd. [eiser] heeft een en ander correct afgewerkt door dit besluit op de website mede te delen en de muzikanten te bedanken voor hun inzet waardoor de voorgaande festivals mede een groot succes zijn geworden. Dat alle muzikanten niet meer met [eiser] wensen samen te werken is overigens niet geheel duidelijk geworden, aangezien uit de overgelegde producties blijkt dat de mededeling dat de muzikanten van verdere samenwerking met [eiser] afzien uitsluitend is ondertekend door de [woordvoerder muzikanten]. Uit de producties blijkt wel dat bij voornoemde [woordvoerder muzikanten] kennelijk grote weerstand tegen [eiser] bestaat, hetgeen blijkt uit de inhoud van de door hem aan [eiser] verzonden e-mails, maar de aanleiding voor die weerstand wordt niet duidelijk. Wat daar ook van zij, ook volgens [eiser] staat het de bandleden vrij om de samenwerking met hem te verbreken en om zelf een top 100 te organiseren op een willekeurig door hen te kiezen datum, echter niet op de vierde zaterdag in juni, de datum die [eiser] in 2001 voor de toekomst heeft aangekondigd. 3.21 Gedaagden betogen tenslotte dat eisers thans het publiek misleiden door kaartjes te verkopen voor een festival waarvoor zij nog geen vergunning hebben, waarbij eisers aangegeven dat eenmaal gekochte kaartjes niet worden teruggenomen. [eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in staat is om op 22 juni 2002 te Oosterhout een compleet festival te organiseren, met vijf andere bands. Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat een ambtenaar van de gemeente Oosterhout hem telefonisch heeft medegedeeld dat hem een vergunning zal worden verleend voor het festival op 22 juni 2002 op de locatie Weststad noord te Oosterhout, zodra vast komt te staan dat niet op dezelfde dag op 1,5 kilometer afstand te Made een gelijksoortig popfestival wordt gehouden. Bovendien heeft [eiser] ter terechtzitting toegezegd dat hij reeds verkochte kaarten zal restitueren indien het festival op 22 juni 2002 onverhoopt niet door mocht gaan. 3.22 Het feit dat [eiser] thans nog niet beschikt over een vergunning behoeft niet aan toewijzing van de vordering in de weg te staan, aangezien de belangrijkste reden om die vergunning aan [eiser] te weigeren het feit is dat gedaagden voor dezelfde dag reeds een vergunning is verleend. Dat het aanvragen van die vergunning op de vierde zaterdag in juni 2002 een onrechtmatige daad van gedaagden jegens [eiser] oplevert is hiervoor onder r.o. 3.15 reeds geconcludeerd. Het is derhalve aan de onrechtmatige handelwijze van gedaagden te wijten dat eisers thans niet over een vergunning beschikken. 3.23 Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen worden de vorderingen sub 1 en 2 toegewezen. Nu gedaagden na het uitbrengen van de dagvaarding de naam Top 100 Live hebben gewijzigd in Top 100 Aller Tijden Live, zullen de vorderingen tevens voor de gewijzigde naam worden toegewezen. Ter wille van de uitvoerbaarheid zal gedaagden voor de nakoming van het sub 2 gevorderde een termijn worden gegund tot 12 uur dinsdag 11 juni
- De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding de gevorderde dwangsommen te matigen en maximeren als in de beslissing vermeld. In reconventie 3.24 De vordering sub 1 wordt afgewezen omdat gesteld noch gebleken is dat gedaagden de bevoegdheid om een zelfstandige vordering instellen van de merkhouder heeft bedongen, conform art. 11D BMW. 3.25 Op grond van hetgeen in conventie onder r.o. 3.12 tot en met 3.23 is overwogen worden de vorderingen sub 2 en 4 afgewezen. 3.26 De auteursrechten op de foto- en videoportretten van muzikanten, die volgens gedaagden op de internetsite w ww.top100alltimes.nl\com worden vertoond, berusten niet bij gedaagden, maar bij de muzikanten zelf. Nu gesteld noch gebleken is dat deze auteursrechten op enige wijze aan gedaagden zijn overgedragen, behoort de vordering sub 3 te worden afgewezen.
- De kosten. In conventie en in reconventie: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dienen als de in het ongelijk te stellen partij te worden verwezen in de kosten van het geding.
- De beslissing in kort geding. De voorzieningenrechter In conventie: gebiedt gedaagden om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de voorbereiding, de organisatie en de feitelijke uitvoering van het muziekevenement Top 100 Live en/of Top 100 Aller Tijden Live", te houden op zaterdag 22 juni te Made, gemeente Drimmelen, te staken en gestaakt te houden; gebiedt gedaagden om uiterlijk dinsdag 11 juni 2002 om 12.00 uur de Burgemeester van de gemeente Drimmelen te informeren dat de organisatie van het muziekevenement Top 100 Live en/of Top 100 Aller Tijden Live is gestaakt en dat het muziekevenement op zaterdag 22 juni 2002 géén doorgang zal vinden, alsmede hiervan mededeling te doen middels het uitgeven van een persbericht gericht aan de lokale media in en rond de gemeente Drimmelen; bepaalt dat gedaagden een dwangsom verbeuren van € 1.000,-- per dag of gedeelte van een dag dat zij in gebreke blijven aan een van voormelde veroordelingen te voldoen, met bepaling dat aan dwangsommen maximaal € 25.000,-- kan worden verbeurd; bepaalt dat een in dit vonnis genoemde dwangsom vatbaar is voor matiging door de bodemrechter voorzover handhaving van verbeurte van die dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding; veroordeelt gedaagde partij in de kosten van het geding deze voorzover aan de zijde van de wederpartij gevallen tot op heden begroot op € 973,92, waaronder begrepen een bedrag van € 703,36 aan salaris; verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; weigert het meer of anders gevorderde. In reconventie: weigert de gevorderde voorzieningen; veroordeelt eisende partij in de kosten van het geding deze voorzover aan de zijde van de wederpartij gevallen tot op heden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Andel, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van vrijdag 7 juni 2002, in tegenwoordigheid van mr. D.G.E.C.Th. Schütz, waarnemend griffier.