RECHTBANK BREDA SECTOR KANTON LOCATIE TILBURG VONNIS inzake: de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V., gevestigd te Amsterdam; eisende partij in conventie bij exploot van dagvaarding d.d. 9 oktober 2003; verweerster in reconventie; gemachtigden L.C.J. Netten, L.W.J. Danen en J.H. Vekemans, gerechtsdeurwaarders te Tilburg; t e g e n : [gedaagde], wonende te [woonplaats]; gedaagde partij in conventie bij voormeld exploot, eiser in reconventie; gemachtigde mr. drs. E. Oversier, advocaat te Hoofddorp. Het verloop van het geding Dit blijkt uit de navolgende stukken: A. de dagvaardingen en het tussenvonnis d.d. 31 maart 2004 van deze Rechtbank, Sector Handelsrecht, met alle daarin genoemde stukken, B. de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie tevens voorwaardelijke eis in reconventie; C. de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie tevens houdende conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie tevens houdende voorwaardelijke wijziging van eis in conventie; D. de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie en replike in voorwaardelijke reconventie tevens akte wijziging grondslag conventie/reconventie; E. de conclusie van dupliek in onvoorwaardelijke en voorwaardelijke reconventie. De inhoud van deze stukken, met inbegrip van de daarbij overgelegde bescheiden, wordt als hier ingevoegd beschouwd. Het geschil en de beoordeling daarvan Partijen worden in het hiernavolgende tevens aangeduid met respectievelijk de Bank en [gedaagde]. 1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende betwist staat tussen partijen het navolgende vast: - De Bank is rechtsopvolgster van de naamloze vennootschap Bank Labouchère N.V.; deze laatste is rechtsopvolgster van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Legio Lease B.V.; hierna worden indien gesproken wordt over De Bank haar rechtsvoorgangsters hieronder begrepen; - [gedaagde] heeft een aanmeldingsformulier op 1 april 2000 ingevuld geretourneerd aan de Bank waarop hem de door hem gewenste effecten lease overeenkomst, is teogezonden. De Bank en [gedaagde] hebben op 12 april 2000 voor de duur van 36 maanden onder toepasselijkheid van de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease een overeenkomst gesloten ten behoeve van het product WinstVerDriedubbelaar onder contractnummer op [nummer] (hierna: de overeenkomst). - In het kader van de overeenkomst diende [gedaagde] 36 maal op de eerste dag van de maand een bedrag van f.249,55 (€ 113,24) aan de Bank te betalen, alsmede een bedrag van f.100,-- op of omstreeks de 35e maand en tot slot een bedrag van f.42.716,52 (€ 19.383,91) aan het einde van de looptijd van de overeenkomst. De Bank diende op haar beurt op 11 april 2000 en daarna nog twee maal, aandelen ABN Amro, Ahold en ING te leasen aan [gedaagde]. - Op 11 april 2004 is, nadat de aandelen verkocht waren, door de Bank aan [gedaagde] een eindafrekening gezonden met het verzoek een bedrag van €11.596,96 te betalen. Na deze eindafrekening heeft [gedaagde] twee termijnen van €113,24 betaald. In conventie 2. De Bank vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van €12.766,40 vermeerderd met contractuele rente. Zij legt aan haar vordering de ten processe bedoelde overeenkomst ten grondslag en zij stelt, dat [gedaagde] uit hoofde daarvan voornoemd bedrag aan haar verschuldigd is. Tot slot stelt zij vergoeding te vorderen van de gemaakte buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van €781,= exclusief BTW. Voor het geval dat de kantonrechter de vordering zal afwijzen en de vordering in reconventie geheel of deels toewijst wijzigt de Bank haar eis in die zin dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag gelijk aan het verschil tussen de aankoop waarbij van de in artikel 1 van de overeenkomst genoemde effecten minus de verkoopwaarde van bedoelde effecten op de datum van verkoop van de aandelen, althans de datum van vernietiging van de overeenkomst. Met deze wijziging heeft de Bank het oog op de toepasselijkheid van artikel 6: 278 BW en stelt zij dat [gedaagde] in een buitengewoon comfortabele positie zou verkeren als hij kan afwachten hoe de beurskoersen zich ontwikkelen en als het tij tegen zit een beroep kan doen op de vermeende vernietigingbaarheid van de overeenkomst. 3. [gedaagde] heeft - verkort weergegeven - als volgt verweer gevoerd. Betwist wordt dat door de Bank aandelen en/of opties zijn gekocht. Het moet ervoor worden gehouden dat de aankoop van aandelen en/of opties in het geheel niet heeft plaatsgevonden. De gemaakte buitengerechtelijke incassokosten worden betwist De echtgenote van [gedaagde] heeft de overeenkomst reeds buiten rechte vernietigd. De direct-marketing tactieken van de Bank bestonden er uit dat mensen werden bestookt met de folders en telefoon om maar vooral de contracten van de Bank af te sluiten. Er werd niet bij verteld dat het om geleend geld ging, dat men in opties zou beleggen en dat beleggen in opties met een aanzienlijk hoger risico gepaard gaat. De aspirant-belegger/consument en op beleggingsgebied onkundige en onwetende klant werd ten onrechte voorgespiegeld dat er uitsluitend in aandelen zou worden belegd en dat hij zijn winst letterlijk zou kunnen verdriedubbelen. Zo ook in het geval van [gedaagde]. Door te handelen zoals de Bank heeft gedaan is de informatieplicht geschonden. De Bank had gedaagde dienen te waarschuwen voor het feit dat het om een lening ging, dat er meer risico zou worden genomen door de beleggen in opties en dat er aan het eind van de rit wel eens een aanzienlijke vordering zou kunnen overblijven. Ook de zorgplicht is geschonden. De zorgplicht moet de klanten beschermen tegen het gevaar van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht. Er is sprake van misbruik van omstandigheden; de Bank had [gedaagde] ervan dienen te weerhouden om het contract te sluiten zoals het is gesloten. Als hij zou hebben geweten wat hij nu weet dan zou hij de overeenkomst niet hebben gesloten. Zijn onderzoeksplicht houdt op waar de wederpartij om juiste mededelingen doet en essentiële informatie achterhoudt. Hij mag erop vertrouwen dat dergelijke mededelingen gedaan door een professionele beleggingsinstelling juist zijn. De mededelingsplicht gaat boven de onderzoeksplicht. De hoogte van de vordering wordt betwist 4. Nader is nog als volgt verweer gevoerd. De echtgenote van [gedaagde] heeft het recht de overeenkomst buitengerechtelijk te vernietigen en zij heeft daarvan ook gebruikgemaakt. De huurkoopovereenkomst is reeds vernietigd. Verwezen wordt naar het advies aan de Geschillencommissie Aandelen lease omtrent het punt of sprake is van een huurkoop-/koop op afbetalingsovereenkomst. [gedaagde] volhardt in zijn stellingen betreffende bedrog, misbruik van omstandigheden en dwaling alsook op het schenden van de zorgplicht bij de uitvoering van de overeenkomst; er is geen risicoprofiel opgesteld en geen informatie ingewonnen over de financiële positie van [gedaagde] en diens ervaring met de beleggen. Ten aanzien van de voorwaardelijke eiswijziging stelt [gedaagde] dat niet de koersdalingen de reden vormen voor zijn standpunt doch het doen en laten van de Bank. Er is geen sprake van de geinsinueerde relatie tussen de koersdalingen en het instellen van de eis in reconventie. De bedoeling van artikel 6: 278 BW is om misbruik en opportunistisch gebruik van de vernietiging en ontbinding van overeenkomsten tegen te gaan en de bepaling is niet bedoeld voor situaties als in het geschil dat thans de beslechting voorligt. De overeenkomst is een krediettransactie als bedoeld in de Wet op het Consumentenkrediet en is in strijd met enkele bepalingen daarvan waardoor de overeenkomst nietig c.q. vernietigbaar is. [gedaagde] is van mening dat artikel 28 lid 1 door de Bank is geschonden doordat er geen genoegzame, anders dan mondelinge, inlichtingen door de Bank zijn ingewonnen bij [gedaagde] terwijl de kredietwaardigheid niet serieus onderzocht is. Deze verplichting omvat substantieel meer dan alleen de BKR-toets waarvan het nog maar de vraag is of die door de Bank is uitgevoerd vóór het sluiten van de overeenkomst. 5.De kantonrechter verwijst naar en neemt over de overwegingen in voormeld tussenvonnis ten aanzien van de vraag of ten aanzien van de overeenkomst sprake is van huurkoop c.q. koop op afbetaling. De Bank heeft in het vervolg van de procedure deze oordelen onvoldoende weerlegd. De Bank heeft er onder meer een beroep opgedaan dat is geen sprake is van de vereiste "aflevering" omdat een overeenkomst waarbij de koper pas de macht over de zaak verkrijgt nadat hij de koopsom volledig heeft voldaan, wel een overeenkomst van koop is maar nooit een overeenkomst van koop op afbetaling. In de effectenleaseovereenkomst wordt de eigendom van de effecten voorbehouden totdat de laatste termijn is voldaan; het bezit van de effecten is dus niet verschaft. Omdat in de overeenkomst de clausules zijn opgenomen dat [gedaagde] zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de Bank niet over de aandelen beschikken kan en het risico van het verloren gaan van de effecten berust bij de Bank alsmede dat [gedaagde] geen - direct of indirect - recht op de dividenden heeft die op de aandelen betaalbaar worden gesteld, is hij in geen enkel opzicht in de positie gebracht van eigenaar van de aandelen. Anders dan bij koop op afbetaling het geval is, kreeg [gedaagde] een zuiver voorwaardelijk recht, namelijk het recht op de eigendom van de aandelen na betaling van de volledige koopsom. De enige handeling die met betrekking tot de effecten plaatshad was dat in de door de Bank ex artikel 17 Wet Giraal Effectenverkeer aangehouden boekhouding een aantekening werd geplaatst met betrekking tot de voorwaardelijke overdracht van de effecten. Het enkel overdragen van het economisch risico kwalificeert niet als machtsverschaffing en dus ook niet als "aflevering" in de zin van lid 1 van artikel 7A:1576 BW. 6. [gedaagde] heeft de stellingen van de Bank op dit punt weersproken onder meer wijzend op artikel 17 van de Wet Giraal Effectenverkeer dat regelt dat levering van effecten plaats vindt door bijschrijving op naam van de verkrijger in het daartoe bestemde deel van de administratie van de betreffende instelling, hetgeen ook is gebeurd althans had moeten gebeuren in dit geval. Betwist wordt dat de rechten van [gedaagde] zuiver voorwaardelijk waren. Dat hij (nog) niet over de effecten kon beschikken duidt nu juist wel op huurkoop. 7. De kantonrechter volgt als vorenoverwogen de visie van [gedaagde] op dit punt. In het kader van huurkoop behoefde nog geen beschikkingsbevoegdheid te volgen terwijl de Bank er zelf op wijst dat in de brochure de zinsnede is opgenomen: "na drie jaar kunnen de aandelen voor u worden verkocht". Geconcludeerd moet worden - op grond van de wijze waarop de overeenkomst wordt gepresenteerd - dat levering c.q. daadwerkelijke verkrijging mogelijk is maar dat andere aantrekkelijke opties open worden gehouden. Aldus verzet de omschrijving van de overeenkomst zich niet tegen het karakter van de levering in het kader van huurkoop. In dat kader moet ook worden verwezen naar artikel 5 van de overeenkomst waarin is geregeld dat lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden(=de aandelen/effecten) geworden is zodra hij al datgene heeft betaald dat hij krachtens de overeenkomst verschuldigd is of zal worden, dat ook een sterke aanwijzing voor de (strekking van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.