RECHTBANK BREDA SECTOR KANTON LOCATIE TILBURG VONNIS inzake: de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V., gevestigd te Amsterdam; eisende partij in conventie bij exploot van dagvaarding d.d. 7 mei 2004; verweerster in reconventie; verweerster in het incident; gemachtigden L.C.J. Netten, L.W.J. Danen en J.H. Vekemans, gerechtsdeurwaarders te Tilburg; t e g e n : [[gedaagde], wonende te [adres]; gedaagde partij in conventie bij voormeld exploot, eiser in reconventie; gemachtigde mr. R.H.J.M. Silvertand, advocaat te Voerendaal, rolgemachtigde de heer C.M.P. Jonkers, gerechtsdeurwaarder te Tilburg. en [De echtgenote], wonende te [adres]; eiseres in het incident gemachtigde mr. R.H.J.M. Silvertand, advocaat te Voerendaal, rolgemachtigde de heer C.M.P. Jonkers, gerechtsdeurwaarder te Tilburg. Het verloop van het geding Dit blijkt uit de navolgende stukken: a. de dagvaardingen en het tussenvonnis d.d. 7 april 2004 van deze Rechtbank, Sector Handelsrecht, met alle daarin genoemde stukken, b. de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie en akte houdende voorwaardelijke wijziging van eis; c. de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,incidentele conclusie tot voeging; d. de conclusie van antwoord in het incident tot wroeging wegens conclusie van dupliek in reconventie. De inhoud van deze stukken, met inbegrip van de daarbij overgelegde bescheiden, wordt als hier ingevoegd beschouwd. Het geschil en de beoordeling daarvan Partijen worden in het hiernavolgende tevens aangeduid met respectievelijk de Bank en [gedaagde]. In het incident [De echtgenote], hierna ook te noemen: “de echtgenote”, wenst zich te voegen in de noodzaak als partij, zodat zij zich als proces partij op de buitengerechtelijke vernietiging kan beroepen. Zij stelt daartoe dat zij en [gedaagde] met elkaar gehuwd zijn en dat de door deze in april 2000 gesloten aandelen lease overeenkomst ten laste van het huwelijk vermogen komt terwijl zij deze niet mede heeft ondertekend. Zij stelt bij brief van 11 februari 2003 de overeenkomst buitengerechtelijke vernietigd te hebben op de voet van artikel 1: 88 van het Burgerlijk Wetboek(BW). De Bank heeft zich verzet tegen de gevorderde voeging stellende dat de echtgenote geen beroep op artikel 1: 88 BW toekomt en zij derhalve geen belang heeft om zich te voegen in deze zaak. De kantonrechter oordeelt dat in het kader van dit incident niet op voorhand uitgegaan kan worden van het ontbreken van elk belang bij de gevorderde voeging en dat in het kader van de hoofdzaak het verweer beoordeeld moet worden zodat de vordering toewijsbaar geacht moet worden. De echtgenote dient aldus eveneens als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie beschouwd te worden. De kosten van de procedure in dit incident zullen tussen partijen worden gecompenseerd. In de hoofdzaak In conventie De Bank heeft haar eis nog vermeerderd aldus dat onder de voorwaarde dat de vordering in reconventie van [gedaagde] geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen: [gedaagde] veroordeeld zal worden tot betaling van een bedrag gelijk aan het verschil tussen de aankoop waarbij van de in artikel 1 van de overeenkomst genoemde effecten minus de waarde van bedoelde effecten op de datum van verkoop, althans de datum van vernietiging c.q. ontbinding van de bedoelde overeenkomst. De kantonrechter verwijst naar en neemt over de overwegingen in voormeld tussenvonnis - ook inhoudelijk - ten aanzien van de vraag of sprake is van huurkoop c.q. koop op afbetaling. 1. De Bank heeft nader betoogd dat artikel 1: 88 BW niet van toepassing is op de effectenleaseovereenkomst die [gedaagde] heeft gesloten met name omdat in artikel 7A:1576 BW bij koop op afbetaling melding wordt gemaakt van een “zaak” terwijl effecten niet kwalificeren als zaken maar als vermogensrechten. In lid 5 van dat artikel wordt weliswaar de werkingsfeer uitgebreid naar vermogensrechten maar deze bepaling bevat geen uitbreiding van de definitie van koop op afbetaling. De uitbreiding betreft een titel waartoe artikel 1:88 BW niet behoort. [gedaagde] heeft een beroep gedaan op de niet gewijzigde terminologie van artikel 7 A:1576 lid 1 BW bij de invoering van het nieuw BW en de daaraan gekoppelde omissie van de wetgever die nimmer heeft beoogd de beschermingsomvang van artikel 1:88 BW te verkleinen. Voorts wordt betoogd dat het artikel inhoudt dat aandelen op grond van de wet evident vatbaar zijn voor koop op afbetaling en/of huurkoop. Ook wijst hij op de strekkingbepaling van lid 2 van artikel 7A:1576h BW die tot gevolg heeft dat alle overeenkomsten met dezelfde strekking als huurkoop, ongeacht onder welke benaming aangegaan, als huurkoop worden aangemerkt met als gevolg dat de daarop betrekking hebbende bepalingen overeenkomstig van toepassing zijn. De kantonrechter schaart zich achter de argumenten van [gedaagde] in dit verband en is in navolging van de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam, Sector Kanton, van 25 augustus 2004 met rolnummer CV 03-5323 [LJN: AQ7412] alsmede de uitspraak van de Rechtbank Zwolle Sector Kanton van 25 augustus 2004 met nummer 218878 CV03-10210 [LJN:AQ7409] van oordeel dat artikel 1:88 BW van toepassing geacht dient te worden in dit geval. Zonder uitdrukkelijke melding – en daarvan blijkt niet althans onvoldoende - daarvan kan inderdaad niet worden aangenomen dat de wetgever de beschermingsomvang van artikel 1:88 BW heeft willen inperken op de wijze die de Bank bepleit. 2. De Bank heeft er onder meer een beroep opgedaan dat is geen sprake is van de vereiste “aflevering” omdat een overeenkomst waarbij de koper pas de macht over de zaak verkrijgt nadat hij de koopsom volledig heeft voldaan, wel een overeenkomst van koop is maar nooit een overeenkomst van koop op afbetaling. In de effectenleaseovereenkomst wordt de eigendom van de effecten voorbehouden totdat de laatste termijn is voldaan; het bezit van de effecten is dus niet verschaft. Omdat in de overeenkomst de clausules zijn opgenomen dat [gedaagde] zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de Bank niet over de aandelen beschikken kan en het risico van het verloren gaan van de effecten berust bij de Bank alsmede dat [gedaagde] geen - direct of indirect - recht op de dividenden heeft die op de aandelen betaalbaar worden gesteld, is hij in geen enkel opzicht in de positie gebracht van eigenaar van de aandelen. Anders dan bij koop op afbetaling het geval is, kreeg [gedaagde] een zuiver voorwaardelijke recht, namelijk het recht op de eigendom van de aandelen na betaling van de volledige koopsom. De enige handeling die met betrekking tot de effecten plaatshad was dat in de door de Bank ex artikel 17 Wet Giraal Effectenverkeer aangehouden boekhouding een aantekening werd geplaatst met betrekking tot de voorwaardelijke overdracht van de effecten. Het enkel overdragen van het economisch risico kwalificeert niet als macht verschaffing en dus ook niet als “aflevering” in de zin van lid 1 van artikel 7A:1576 BW. [gedaagde] heeft de stellingen van de Bank op dit punt weersproken onder meer wijzend op artikel 17 van de Wet Giraal Effectenverkeer dat regelt dat levering van effecten plaats vindt door bijschrijving op naam van de verkrijger in het daartoe bestemde deel van de administratie van de betreffende instelling, hetgeen ook is gebeurd althans had moeten gebeuren in dit geval. Betwist wordt dat de rechten van [gedaagde] zuiver voorwaardelijk waren. Dat hij (nog) niet over de effecten kon beschikken duidt nu juist wel op huurkoop. Dat het verloren gaan van de effecten voor risico van de Bank blijft, hangt nauw samen met de bewaarverplichtingen rond effecten in fysieke en thans administratieve zin. De kantonrechter volgt de visie van [gedaagde] op dit punt. In het kader van huurkoop behoefde nog geen beschikkingsbevoegdheid te volgen terwijl de Bank er zelf op wijst dat in de brochure de zinsnede is opgenomen: “na drie jaar kunnen de aandelen voor u worden verkocht”. Geconcludeerd moet worden dat levering c.q. daadwerkelijke verkrijging mogelijk is maar dat andere aantrekkelijke opties open worden gehouden. Aldus verzet de omschrijving van de overeenkomst zich niet tegen het karakter van de levering in het kader van huurkoop. In dat kader maar ook worden verwezen naar artikel 5 van de overeenkomst zelf waarin is geregeld dat lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden(=de aandelen/effecten) geworden is zodra hij al datgene heeft betaald dat hij krachtens de overeenkomst verschuldigd is of zal worden, dat ook een sterke aanwijzing voor de (strekking van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.