RECHTBANK BREDA Sector bestuursrecht, team bestuursrecht procedurenummer: 04 / 536 WW uitspraak op een verzoek om proceskostenveroordeling in de zaak van [naam verzoeker], wonende te Goirle, verzoeker, gemachtigde mr. [naam gemachtigde], en de Raad van bestuur van het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Tilburg) verweerder. 1. Het procesverloop De gemachtigde van verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 maart 2004 (bestreden besluit) inzake de weigering van een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Bij gewijzigd besluit op bezwaar van 1 september 2004, gecorri-geerd bij brief van 9 september 2004, heeft verweerder bericht het bestreden besluit niet te handhaven en alsnog WW-uitkering toe te kennen. Vervolgens heeft de gemachtigde van verzoeker het beroep ingetrokken, met het verzoek verweerder te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding en van de proceskosten. Verweerder heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren. Verzoeker heeft op verzoek van de rechtbank nadere inlichtingen verstrekt. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven uitspraak te doen zonder nadere zitting. 2. De beoordeling 2.1 Ingevolge artikel 8:73a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, op verzoek van de indiener de door haar aangewezen rechtspersoon - bij afzonderlijke uitspraak en met toepassing van artikel 8:73 - veroordelen tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt, indien daarom bij de intrekking van het beroep wordt verzocht. Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank – bij afzonderlijke uitspraak en met toepassing van artikel 8:75 – een bestuursorgaan in de proceskosten veroordelen, indien daarom bij de intrekking van het beroep wordt verzocht en verweerder geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen. 2.2 Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 1 september 2004, gecorrigeerd bij besluit van 9 september 2004, dat verweerder (in ieder geval gedeeltelijk) aan verzoeker is tegemoet gekomen. Bij brief van 14 oktober 2004 heeft de gemachtigde van verzoeker verzocht om vergoeding van schade die verzoeker in verband met de eerdere besluitvorming van verweerder heeft geleden. Concreet wordt verzocht om schadevergoeding in verband met de gedwongen verkoop van een auto, de wettelijke rente over het alsnog uit te keren bedrag, alsmede vergoeding van de belastingschade in verband met het later betalen van de uitkering. De rechtbank zal de verschillende posten hierna afzonderlijk bespreken. 2.3 Inzake de gestelde schade in verband met de gedwongen verkoop van de auto overweegt de rechtbank het volgende. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (bijvoorbeeld de uitspraak van 16 april 1996, gepubliceerd in Jurisprudentie Bestuursrecht 1996/118) overweegt de rechtbank dat artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de omvang en de duur van de verplichting tot vergoeding van de schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom normeert. In het eerste lid van dat artikel is bepaald dat schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest. Een en ander brengt mee dat er in dit geval geen plaats is voor vergoeding van de uit de vertraagde betaling van de uitkering beweerdelijk voortgevloeide schade in verband met de verkoop van de auto. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om in het onderhavige geval anders te oordelen. Zelfstandige vergoeding van deze gestelde schadepost acht de rechtbank dan ook niet aangewezen. 2.4 Verzoeker heeft voorts gevraagd om verweerder te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het bedrag dat hem alsnog toekomt. Nu verweerder heeft aangegeven het bestreden besluit van 11 maart 2004 niet te handhaven, en aan verzoeker alsnog een WW-uitkering heeft toegekend, is komen vast te staan dat dit besluit onrechtmatig is en dat de toerekening aan verweerder in beginsel is gegeven. De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aan deze toerekening in de weg zouden kunnen staan. Hiervan uitgaande is de rechtbank van oordeel dat verzoeker ten gevolge van het bestreden besluit schade heeft geleden, te weten schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom bestaat in de wettelijke rente over die geldsom over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment dat het onrechtmatig gebleken besluit schade tot gevolg heeft gehad. De wettelijke rente dient derhalve te worden berekend met ingang van de datum waarop verweerder de WW-uitkering alsnog heeft toegekend in het gecorrigeerde besluit van 9 september 2004, telkens per betalingstijdvak, steeds uitgaande van de datum waarop de betaling had moeten plaatsvinden, tot aan de dag van voldoening. De rente dient te worden berekend over de bruto-uitkering. Voorts is de wettelijke rente slechts toewijsbaar over het verschil tussen de bruto-uitkering die verzoeker had behoren te genieten en de bruto-uitkeringen die verzoeker eventueel heeft genoten op basis van andere sociale zekerheidswetten. Uitkeringen die in de plaats van de onderhavige uitkering aan verzoeker zijn verstrekt, dienen derhalve in mindering te worden gebracht op de grondslag voor de renteberekening. De rechtbank wijst er nog op dat ingevolge artikel 6:119, tweede lid, van het BW telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden verhoogd met de over dat jaar verschuldigd geworden wettelijke rente. 2.5 Inzake het verzoek om vergoeding van belastingschade overweegt de rechtbank als volgt. In aanmerking nemend dat de heffing van loon- en inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen is geïntegreerd, verstaat de rechtbank het verzoek van verzoeker aldus dat deze vergoeding beoogt van het nadeel dat ontstaat doordat hij bij de nabetaling van de uitkering ingevolge de WW achteraf in 2004 een hoger bedrag aan loon- en inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen verschuldigd is dan het geval zou zijn geweest indien hem al in 2003 een WW-uitkering was uitbetaald. Schade als hier gevorderd, valt, zoals de CRvB herhaaldelijk heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 20 mei 1999, gepubliceerd in Rechtspraak Sociale Verzekeringen 1999/315) buiten de schade wegens vertraging in de betaling van een geldsom, waarop artikel 6:119 van het BW betrekking heeft en kan derhalve in beginsel voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. Van de zijde van verweerder is niet betwist dat evenbedoeld nadeel kan zijn ontstaan en aan hem, als gevolg van het onrechtmatige besluit, kan worden toegerekend. Op grond van de thans beschikbare gegevens gaat ook de rechtbank daarvan uit. Verweerder betwist wel de hoogte van de door verzoeker gestelde belastingschade. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder in 2004 de alsnog verschuldigde WW-uitkering over 2003 en 2004 aan verzoeker heeft nabetaald. In het licht van voormelde uitspraak van 20 mei 1999, is vergoeding van belastingschade in beginsel toewijsbaar, met inachtneming van het navolgende. De schade beloopt in beginsel het (positieve) verschil tussen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.