RECHTBANK BREDA Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 06/708 Uitspraakdatum: 7 juni 2007 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats], eiseres, en de heffingsambtenaar van de gemeente, verweerder. Eiseres wordt hierna aangeduid als belanghebbende. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. De verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per de waardepeildatum 1 januari 2003, vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2005 tot 1 januari 2007 op € 10.334.000. In het desbetreffende geschrift zijn ook de aanslagen onroerende-zaakbelastingen 2005 bekend gemaakt. 1.2. De verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 4 maart 2006 de waarde verminderd tot € 9.695.000 en de aanslagen dienovereenkomstig verminderd. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 7 februari 2006, ontvangen bij de rechtbank op 8 februari 2006, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 276. 1.4. De verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2007 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord,belanghebbende, alsmede de verweerder. 1.6. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en bepaald dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1. Belanghebbende is eigenares en gebruikster van de onroerende zaak, gelegen op Industrieterrein [terrein]. 2.2. De oppervlakte van de onroerende zaak bedraagt 42.583m2. De opstallen betreffen een golfkartonfabriek met bouwjaar 1993. In 1998 heeft een uitbreiding van de opstallen plaatsgevonden. Het hoofdgebouw bestaat uit een kelder, begane grond en een (eerste) verdieping. 3. Geschil 3.1. In geschil is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2003. Belanghebbende bepleit een waarde van € 8.300.000. De verweerder verdedigt een waarde van € 9.695.000 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij hieraan, zakelijk weergegeven, het volgende toegevoegd: Belanghebbende: Het centrale punt is de door de verweerder gehanteerde kapitalisatiefactor. Deze is berekend op basis van gegevens van panden die in de omgeving van de onroerende zaak liggen. Omdat de onroerende zaak specifiek voor de golfkartonindustrie is gebouwd en geen courant pand is, hebben wij bezwaar tegen de door de verweerder gehanteerde factor. Het pand is niet onder te verdelen en niet in gedeelten te verhuren. De door de verweerder verdedigde waarde kan juist zijn indien er een koper is die in dezelfde industrie werkzaam is. Op dit moment is er een sterke concurrentiestrijd gaande. Veel fabrieken gaan dicht. De door de verweerder verdedigde waarde kan ook juist zijn als wij de onroerende zaak zouden verkopen aan de holding of bij sale en lease back. De gehanteerde factor van 9 geldt alleen bij going concern. Naar mijn mening is de kapitalisatiefactor gelijk aan de factor die is toegepast bij de vorige waardering, namelijk 7,2. De waarde van de onroerende zaak bij die factor is € 8.300.000. De verweerder: De thans toegepaste kapitalisatiefactor moet los worden gezien van de kapitalisatiefactor die is toegepast bij de waarderingen op de vorige peildata. De factoren die destijds zijn toegepast zijn tot stand gekomen op basis van markinformatie rond de toen geldende peildata. De huidige kapitalisatiefactor komt voort uit gegevens omtrent verkopen en markthuren rond de peildatum 1 januari 2003. Uit de onderbouwende verkopen blijkt dat deze factor voor die objecten rond de 10 ligt. De onroerende zaak is inderdaad specifiek gebouwd, heeft meer leegstandrisico en is minder courant. Met deze omstandigheden is rekening gehouden door voor de onroerende zaak uit te gaan van een kapitalisatiefactor van 9. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. Krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ, wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Partijen zijn beiden van oordeel dat de methode van huurwaardekapitalisatie een goede methode is om vorenbedoelde waarde van de onroerende zaak vast te stellen. Mede gelet op de aard en het gebruik van de onroerende zaak sluit de rechtbank zich hierbij aan. 4.2. De verweerder, op wie de bewijslast rust van de juistheid van de in geschil zijnde waarde van de onroerende zaak, beroept zich op een taxatierapport dat is opgemaakt door [taxateur], gediplomeerd WOZ-taxateur bij [BV]. Als doel van de taxatie is in het rapport vermeld: Het bepalen van de waarde in het economisch verkeer, zoals bedoeld in artikel 17 van de Wet WOZ, per waardepeildatum 1 januari 2003, naar de toestand op die datum. De in het rapport aan de onroerende zaak toegekende waarde van € 9.800.000 is berekend volgens de methode van huurwaardekapitalisatie. 4.3. De rechtbank heeft onvoldoende reden aan de betrouwbaarheid van het taxatierapport te twijfelen, zodat de verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk heeft gemaakt dat de onroerende zaak op de waardepeildatum een waarde in het economische verkeer had van € 9.800.000. Hierbij wordt opgemerkt dat naar het oordeel van de rechtbank de door de verweerder vastgestelde huurwaarde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.