RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 811214-07 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 november 2007 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1982] te [woonplaats] wonende te [woonplaats] thans gedetineerd in het Huis van Bewaring De Boschpoort, Nassausingel 26 te Breda raadsman mr. Stassen, advocaat te Tilburg. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 november 2007, waarbij de officier van justitie, mr. Van Damme, en de verdediging hun standpunten hebben kenbaar gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: primair en subsidiair: [slachtoffer] in diens café heeft vermoord c.q. zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag op [slachtoffer]; tweede subsidiair: [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, waardoor die [slachtoffer] is overleden. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer]. De officier van justitie acht moord niet wettig en overtuigend bewezen nu er volgens hem uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet valt af te leiden dat er bij verdachte sprake is geweest van voorbedachten rade. Volgens de officier van justitie is uit het onderzoek niet gebleken dat er tijdens het wurgen en doodslaan van [slachtoffer] nog iemand anders behalve verdachte in het café was, zoals verdachte bij de politie en ter zitting heeft verklaard. Daarnaast wijst de officier van justitie onder andere op de wisselende verklaringen die verdachte omtrent deze onbekende derde heeft afgelegd en het feit dat geen van de gehoorde getuigen deze derde persoon uit het café heeft zien vluchten. De officier van justitie verwerpt daarmee het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn geweest van een noodweer- of noodweerexcessituatie danwel psychische overmacht aan de zijde van verdachte. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat bij verdachte sprake was van voorbedachten rade, zodat moord niet kan worden bewezen. Tevens dient verdachte vrijgesproken te worden van doodslag nu er geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, bestond aan de zijde van verdachte op de dood van het slachtoffer, aldus de verdediging. De verdediging is evenwel van mening dat het meer subsidiair ten laste gelegde, namelijk de zware mishandeling met de dood tot gevolg, bewezen kan worden verklaard. In het kader van de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte heeft de verdediging aangevoerd dat sprake was van een noodweer- of noodweerexcessituatie, danwel psychische overmacht aan de zijde van verdachte. De verdediging heeft daartoe – kort gezegd – betoogd dat indien de verklaring van verdachte omtrent de onbekende derde gevolgd wordt, er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte door het slachtoffer en de onbekende derde waartegen verdachte zich heeft moeten verdedigen. Ten aanzien van de psychische overmacht heeft de verdediging gesteld dat de psychische toestand van verdachte, in combinatie met de voorvallen die eerder die avond in het café hebben plaatsgevonden, verdachte ertoe heeft gebracht het feit te plegen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank. Vast staat dat [slachtoffer] in de vroege ochtend van 16 februari 2007 in zijn café in [woonplaats] is overleden . Hoe hij is overleden blijkt uit het deskundigenrapport van F.R.W. van de Goot, arts en patholoog. Zijn belangrijkste conclusies zijn dat bij sectie aan het hoofd vele letsels werden gezien. Er waren twee zogenaamde impressiefracturen, een aan het achterhoofd en een rechts aan het hoofd. Dit was het gevolg van herhaaldelijke inwerking van zeer hevig uitwendig botsend en mechanisch geweld op het hoofd met een of meerdere zware en harde voorwerpen waarbij aan een of meerdere voorwerpen aan een of meerdere kanten een vlak aanwezig is met afmetingen van circa 4 tot circa 5 centimeter. Het is mogelijk dat een voorwerp meerdere keren geweld heeft uitgeoefend op min of meer dezelfde plaats. Bij onderzoek aan de hals werd breuk vastgesteld van de beide grote hoorntjes van het schildkraakbeen. Rondom de breuken was een duidelijke bloeduitstorting en ook tussen de halsspieren met name rechts. Dit was het gevolg van inwerking van uitwendig samendrukkend mechanisch geweld zoals bijvoorbeeld bij (een poging tot) verwurging zou kunnen optreden. Geconcludeerd wordt dat bij het slachtoffer bloedverlies en weefselschade, waaronder hersenschade door excessief herhaaldelijk botsend en klievend geweld op het hoofd de oorzaak van het intreden van de dood was. Voorts is van belang het onderzoek dat de technische recherche heeft verricht naar de aangetroffen bloedsporen en het bloedspattenpatroon. De technische recherche concludeert dat gezien het bloedbeeld op de vloer, tussen de plas bloed waar het slachtoffer heeft gelegen en de linkerzijgevel kan worden gesteld dat (..) dit bloedspattenbeeld kan zijn ontstaan door het slaan in een reeds bloedende wond, dan wel door kracht uit te oefenen op een bloedbron. Een zelfde conclusie trekt de technische recherche uit bloedspattenbeeld aangetroffen op de linkerzijgevel ter hoogte waarvan het slachtoffer heeft gelegen. De technische recherche heeft voorts onderzoek laten verrichten naar bemonsteringen van bloed uit het café en aan de schoenen van verdachte. Het NFI heeft onder meer geconcludeerd dat het bloed/celmateriaal in de bemonstering van de rechterschoen een mengsel betrof van zowel bloed/celmateriaal van de verdachte als bloed/celmateriaal van het slachtoffer [slachtoffer]. Tenslotte is vermeldenswaard de conclusie van de technische recherche dat gezien de met bloed gestempelde bloedsporen op de vloer van het café komende vanaf de plas bloed waarin het slachtoffer was aangetroffen en verlopende in de richting van de voordeur, daarbij mede gelet op de uitslagen van het vergelijkend schoensporenonderzoek en de resultaten van het DNA-onderzoek aan de schoenen van verdachte met deze schoenen is gelopen vanaf het slachtoffer naar de voordeur, nadat het slachtoffer reeds veel bloed had verloren. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in de vroege ochtend van 16 februari 2007 samen met het slachtoffer in diens café aanwezig was. Op een gegeven moment heeft het slachtoffer toenadering tot verdachte op seksueel gebied gezocht. Kort daarop is verdachte door een derde persoon van achteren belaagd en vastgepakt. Verdachte heeft uit alle macht geschreeuwd en getracht om los te komen. Terwijl verdachte vast is gepakt, heeft het slachtoffer hem betast. Daarbij probeerde het slachtoffer de broek van verdachte uit te trekken, aldus verdachte. Verdachte stond op een bepaald moment tegen de zijkant van de bar aangedrukt, daar waar barkrukken voor de bar stonden. Toen verdachte los probeerde te komen, hebben de derde persoon, het slachtoffer en hij niet de hele tijd op dezelfde plaats gestaan, zo verklaart verdachte. Op enig moment heeft verdachte met zijn achterhoofd de derde persoon een kopstoot gegeven waarbij verdachte een flinke bult op zijn hoofd zou hebben opgelopen. Volgens verdachte is hij uiteindelijk gedeeltelijk los weten te komen. Daarbij heeft hij iets gepakt waarmee hij het slachtoffer één maal heeft geslagen. Wat er daarna precies is gebeurd, weet hij niet meer. Wanneer technisch onderzoek dat uitwijst, zal hij het slachtoffer wel vaker hebben geraakt, aldus verdachte. In ieder geval is de derde persoon weggegaan, naar verdachte aanneemt, door de voordeur. Verdachte heeft verklaard dat hij absoluut niet heeft getracht om het slachtoffer op enig moment te verwurgen. Verdachte wilde vervolgens vertrekken uit het café. Op het moment dat hij bijna bij de voordeur was, bedacht hij zich en heeft hij achter de bar een geldkistje met inhoud gepakt en is vervolgens vertrokken. De rechtbank concludeert uit de voorgaande technische bewijsmiddelen en het dossier dat de verklaring van verdachte op een groot aantal onderdelen niet kan kloppen. In de eerste plaats kan de verklaring van verdachte niet kloppen op het punt van het door hem toegepaste geweld jegens het slachtoffer. Zo is de verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer niet heeft getracht te wurgen, strijdig met het letsel dat in dat kader bij het slachtoffer tijdens de sectie is geconstateerd. Voorts heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij is vastgepakt door een derde, waarna voor de bar een worsteling heeft plaatsgevonden, zo begrijpt de rechtbank. Foto 24 getiteld ‘Bar gesitueerd in lengterichting (rechts entree)’ in de map van het technisch onderzoek, geeft het gedeelte van de bar weer waar volgens verdachte deze worsteling heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet op grond van deze foto geen enkele aanwijzing dat de verklaring van verdachte op dit punt zou kloppen. Immers, de spullen op de bar en de barkrukken voor de bar lijken op hun plek te liggen c.q. te staan. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij de derde persoon een kopstoot met de achterkant van zijn hoofd heeft gegeven, waarbij hij een flinke bult zou hebben opgelopen. Op 18 februari 2007 is verdachte door Djadoenath, arts forensische geneeskunde bij de GGD onderzocht. Uit het verslag van dit onderzoek blijkt dat op het hoofd van verdachte geen uitwendige letsels waren te zien en het hoofd nergens drukpijnlijk was. Ook heeft verdachte verklaard dat hij heeft geschreeuwd ten tijde van de aanranding. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2], die beiden ten tijde van het plegen van het delict in de woning boven het café verbleven, hebben dit niet kunnen bevestigen. Ten slotte zijn ook voor het overige uit het technisch onderzoek of getuigenverklaringen geen aanwijzingen naar voren gekomen voor de aanwezigheid van een derde persoon.De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaring van verdachte met betrekking tot de onbekende derde persoon ongeloofwaardig is. Bovendien zijn er geen aanwijzingen in het dossier dat een ander dan verdachte het geweld heeft toegepast. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte degene is geweest die het geconstateerde letsel bij het slachtoffer heeft toegebracht, ten gevolge waaraan het slachtoffer is komen te overlijden. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, zodat moord niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Wel kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte door het door hem toegepaste excessieve geweld opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Het opzet ligt naar het oordeel van de rechtbank besloten in de aard van de gedragingen van verdachte, nu uit het sectierapport volgt dat verdachte – cru gezegd – de schedel van het slachtoffer heeft ingeslagen en er sporen van verwurging in de hals van het slachtoffer zijn aangetroffen. Dat verdachte heeft verklaard dat hij de dood van het slachtoffer nooit heeft gewild, doet hier niet aan af. Ten aanzien van de door de verdediging aangevoerde strafuitsluitingsgronden overweegt de rechtbank het volgende. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen blijkt dat de rechtbank de verklaring van verdachte niet geloofwaardig acht. De rechtbank kan de ware toedracht van hetgeen is gebeurd dan ook niet vaststellen Dit heeft tot gevolg dat zij zich geen oordeel kan vormen over de vraag of er sprake is geweest van een situatie waarin een beroep op noodweer of noodweerexces zou kunnen slagen. Dit geldt ook voor de vraag of er sprake is van psychische overmacht. Gelet hierop verwerpt de rechtbank het beroep op noodweer, noodweerexces en psychische overmacht. Ten overvloede merkt de rechtbank in dat kader nog het volgende op. Uit het dossier is vast komen te staan dat verdachte, nadat hij het slachtoffer heeft geslagen, nog een geldkistje van achter de bar heeft meegenomen. Een dergelijke rationele actie past naar het oordeel van de rechtbank niet in de verklaring van de verdachte dat hij vlak daarvoor in een hevige gemoedsbeweging danwel psychische overmachtsituatie verkeerde. Voor zover de verdediging nog heeft willen betogen dat er ook sprake is van een of meer strafuitsluitingsgronden wanneer alleen het slachtoffer verdachte belaagd en/of aangerand zou hebben, overweegt de rechtbank het volgende. Op basis van het dossier is er wel een aantal aanwijzingen dat er bepaalde dingen op seksueel gebied zijn voorgevallen c.q. besproken. Zo is er op de dansvloer in het café een slaapzak met daarbij condooms aangetroffen en was de broek van het slachtoffer een stukje naar beneden geschoven. Echter nu de rechtbank de verklaring van verdachte op essentiële onderdelen ongeloofwaardig acht, kan de rechtbank hierover niets vaststellen. Alleen al op die grond verwerpt de rechtbank dit verweer, voor zover dit betoogd mocht zijn. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte primair: hij op of omstreeks 16 februari 2007 te [woonplaats] opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg di[slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een of meer fles(sen), in elk geval een of meer hard(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.