RECHTBANK BREDA Sector bestuursrecht, team bestuursrecht procedurenummer: 07 / 4061 NIOAW uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak van [naam eiser] , [naam eiser2] wonende te [plaatsnaam] , eisers, en de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda, verweerder. 1Procesverloop Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 juli 2007 (bestreden besluit), voor zover dit ziet op afwijzing van hun verzoeken om vergoeding van de kosten van juridische bijstand en teruggave van reeds betaalde aflossingstermijnen. Het beroep is behandeld ter zitting van 4 april 2008, waarbij namens eisers [naam persoon] aanwezig was en namens verweerder [vertegenwoordiger2] . 2Beoordeling 2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Aan eisers is met ingang van 22 april 2002 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorzie-ning oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) toegekend, die op hun verzoek met ingang van 1 juli 2003 is beëindigd in verband met voldoende inkomsten. Bij besluit van 24 maart 2005 heeft verweerder de uitkering van eisers herzien met ingang van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2003, omdat hun inkomsten tenminste gelijk zijn aan de uitkering. Verweerder heeft voorts besloten het door eisers over deze periode ten onrechte ontvangen bedrag aan uitkering van € 7.664,65 bruto van hen terug te vorderen. Eisers hebben tegen dit besluit bij brief van 26 maart 2005 bezwaar ingediend. Bij besluit van 2 juni 2005 heeft verweerder de IOAW-uitkering van eisers herzien met ingang van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2003, omdat achteraf is gebleken dat hun inkomsten hoger waren dan die op hun uitkering zijn gekort. Verweerder heeft voorts besloten de door eisers over deze periode te veel ontvangen IOAW-uitkering ten bedrage van € 3.198,15 bruto van hen terug te vorderen. In dit besluit is voorts aangegeven dat het besluit van 24 maart 2005 komt te vervallen en dat aangenomen wordt dat hiermee tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eisers, en dat verdere afhandeling daarvan achterwege kan blijven. Eisers hebben tegen dit besluit bij brief van 13 juni 2005 bezwaar ingediend. Bij besluit van 20 maart 2007 heeft verweerder de IOAW-uitkering van eisers over de periode van 19 mei 2003 tot en met 30 juni 2003 herzien, op grond dat zij vanwege hun zelfstandigheid vanaf 19 mei 2003 geen aanspraak meer op deze uitkering kunnen maken. Verweerder heeft voorts besloten de door eisers over deze periode te veel ontvangen IOAW-uitkering ten bedrage van € 1.752,34 bruto van hen terug te vorderen. In dit besluit is voorts aangegeven dat het besluit van 2 juni 2005 komt te vervallen en dat aangenomen wordt dat hiermee tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eisers, en dat verdere afhandeling daarvan achterwege kan blijven. Eisers hebben tegen dit besluit bij brief van 27 april 2007 bezwaar ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard, onder wijziging van het besluit van 20 maart 2007 in die zin, dat het recht op IOAW-uitkering wordt ingetrokken omdat eisers inkomsten uit zelfstandigheid de voor hen geldende grondslag overtreffen. Verweerder heeft tevens besloten het verzoek van eisers tot vergoeding van de kosten van juridische bijstand af te wijzen. Hiertoe is, samengevat, overwogen dat de gestelde kosten niet zijn onderbouwd noch nader zijn gespecificeerd, en dat niet gebleken is van een onrechtmatig besluit. Verweerder heeft voorts besloten het verzoek van eisers tot teruggave van twee reeds betaalde aflossingstermijnen van € 65,98 af te wijzen, nu door middel van het bestreden besluit vaststaat dat deze termijnen niet onverschuldigd betaald zijn. 2.2 Eisers hebben in beroep, samengevat, aangevoerd dat verweerder tot tweemaal toe een beslissing tot terugvordering heeft moeten herzien en dat het verschil met het uiteindelijk teruggevorderde bedrag aanzienlijk is. Volgens eisers dienen de kosten van juridische bijstand dan ook alsnog aan hen te worden vergoed. Eisers hebben verder naar voren gebracht dat de twee termijnen van € 65,98, die zij reeds hebben voldaan, onverschuldigd zijn betaald. 2.3 Artikel 6:18, eerst lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering brengt in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit. Artikel 6:19, eerst lid, van de Awb bepaalt dat indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht wordt mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatig-heid. Volgens artikel 7:15, vierde lid, van de Awb worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb - voor zover hier van belang - is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid zijn van toepassing. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Zodanige regels zijn neergelegd in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), waarvan artikel 1, aanhef en onderdeel a - voor zover hier van belang - luidt als volgt: Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, kan uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. 2.4 De rechtbank stelt allereerst vast dat het beroep niet gericht is tegen de bij het bestreden besluit gehandhaafde herziening (intrekking) en terugvordering van de IOAW-uitkering van eisers. Namens eisers is ter zitting aangegeven dat (ook de hoogte van) het aflossingsbe-drag niet zo'n probleem is en dat het in beroep alleen gaat om de afwijzing bij het bestreden besluit van het verzoek om vergoeding van de kosten van juridische bijstand. De rechtbank zal zich hierna tot bespreking van dit punt van geschil beperken. 2.5 De afwijzing bij het bestreden besluit van het verzoek van eisers om vergoeding van de kosten van juridische bijstand berust in de eerste plaats op de overweging dat niet is gebleken van een onrechtmatig besluit. De gemachtigde van verweerder heeft dienaangaande ter zitting nader toegelicht dat bij het bestreden besluit niet is teruggekomen op het primaire besluit van 20 maart 2007, dat de bezwaren van eisers tegen dit primaire besluit ongegrond zijn verklaard en dat dit besluit niet onrechtmatig is. Gelet op het vorenstaande is de recht-bank van oordeel dat het verzoek van eisers om vergoeding van de kosten van juridische bijstand, voorzover die gemaakt zijn in de bezwaarprocedure tegen het primaire besluit van 20 maart 2007, bij het bestreden besluit op goede gronden is afgewezen nu niet voldaan is aan de voorwaarde ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, dat dit primaire besluit is herroepen wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. 2.6 Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder bij de beoordeling of op grond van voormeld artikel aanleiding bestaat voor vergoeding van in bezwaar gemaakte proceskosten, echter mede de primaire besluiten van 24 maart 2005 en 2 juni 2005 moeten betrekken. Hiertoe overweegt de rechtbank dat het primaire besluit van 2 juni 2005 een wijziging inhoudt van het primaire besluit van 24 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.