RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 800364-07 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 maart 2008 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [datum en plaats], wonende te [adres], raadsman mr. Schoenmakers, advocaat te Breda. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 maart 2008, waarbij de officier van justitie, mr. De Brouwer, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: - heeft geprobeerd haar [voornaam slacht[slachtoffer] te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en - hem voorts een aantal keren heeft mishandeld en - haar man [echtgenoot verdachte] en haar [voornaam slacht[slachtoffer] heeft bedreigd met de dood. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd haar [voornaam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en baseert zich daarbij op de aangifte en verklaringen van [echtgenoot verdachte], de verklaring van [slachtoffer], de verklaring van getuige [getuige 1], en de verklaring van verdachte zelf, zoals ter zitting is herhaald, dat er iets gebeurd is waardoor [slachtoffer] moest huilen en dat zij met haar handen in de buurt van zijn keel is geweest. Voorts acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] gedurende de periode 1 januari 2005 tot en met 17 januari 2007 een aantal keren heeft geslagen en baseert zich daarbij op de aangifte van [echtgenoot verdachte] en de verklaring van [slachtoffer], die op 26 augustus 2000 is geboren, dat hij vaker is geschopt en geslagen toen hij nog 5 jaar was. Ten slotte acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [echtgenoot verdachte] met de dood heeft bedreigd en baseert zich daarbij op de aangifte van G.C.Th.M. Jacobs-de Jong alsmede de verklaring van [echtgenoot verdachte]. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte is van mening dat de aangifte en verklaringen van [echtgenoot verdachte] niet als bewijs kunnen dienen omdat ze onbetrouwbaar, ongeloofwaardig en leugenachtig zijn. [echtgenoot verdachte] heeft immers wisselend verklaard over de vermeende mishandelingen van hem door verdachte, terwijl zijn verklaringen ook niet overeenkomen met die van zijn broer en zus. Voorts is de raadsman van verdachte van mening dat de verklaring van [slachtoffer] evenmin als bewijs kan worden gebruikt, omdat [slachtoffer] aantoonbaar door zijn vader is beïnvloed. De verdediging is dan ook van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen omdat er onvoldoende bewijs is. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Kunnen de verklaringen van [echtgenoot verdachte] en [slachtoffer] als bewijs worden gebruikt De rechtbank is met de raadsman van verdachte en de officier van justitie van oordeel dat er bezwaren kleven aan de verklaringen van [echtgenoot verdachte] met betrekking tot zijn eigen jarenlange mishandelingen door verdachte, omdat deze inconsistent zijn. [echtgenoot verdachte] heeft in zijn aangifte van 18 januari 2007 verklaard dat hij al diverse jaren wordt bedreigd en geslagen door verdachte. Op 4 juli 2007 heeft hij verklaard dat het slaan is gestopt toen [slachtoffer] is geboren. Op 2 augustus 2007 heeft [echtgenoot verdachte] verklaard dat hij na de geboorte van [slachtoffer] nog wel eens een klap heeft gehad van verdachte. Voorts worden zijn verklaringen op dit onderdeel niet ondersteund door andere bewijsmiddelen of zijn daarmee in strijd. De zus van [echtgenoot verdachte] heeft verklaard dat zij haar broer in juli 2006 tegenkwam op de kermis in Tilburg en dat hij haar vertelde over de mishandelingen die verdachte pleegde naar hem en [slachtoffer]. Voorts heeft de broer van [echtgenoot verdachte] verklaard dat hij pas na jaren iets had gehoord van zijn broer over de mishandelingen en dat [echtgenoot] heeft toegegeven dat hij werd geslagen door verdachte. Dit was ongeveer 1 à 2 jaar voor het einde van de relatie met verdachte. Anders dan de verdediging is de rechtbank echter van oordeel dat dit niet betekent dat de verklaringen van [echtgenoot verdachte] omtrent de mishandeling van [slachtoffer] om die reden niet als bewijs mogen worden gebruikt. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [echtgenoot verdachte] met betrekking tot de mishandeling van [slachtoffer] wel consequent heeft verklaard en dat zijn verklaringen worden ondersteund door wat [slachtoffer] tijdens het studioverhoor op 27 maart 2007 hierover heeft verklaard . Dat [slachtoffer] voorafgaand aan het studioverhoor in enige mate is beïnvloed is niet uit te sluiten. De rechtbank wijst hierbij op het feit dat [slachtoffer] tijdens het verhoor het - naar het de rechtbank voorkomt voor een zesjarige niet gebruikelijke - woord ademsappel heeft gebruikt, alsook uit het feit dat [slachtoffer] op de vraag hoe hij weet dat het één keer met zijn hoofd op het bed slaan door verdachte niet hard genoeg was, heeft geantwoord dat hij dit van papa had gehoord en dat papa had gezegd dat het niet hard genoeg was en dat ze het toen nog een keer deed. De rechtbank is evenwel van oordeel dat niet is gebleken dat [slachtoffer] zodanig is beïnvloed dat hij dingen heeft verklaard die niet gebeurd zijn. De rechtbank acht hierbij van belang dat er vanaf 28 november 2006 een observatieschrift over [slachtoffer] is opgemaakt door de leerkrachten van groep 3 van basisschool “De Meander”, waar [slachtoffer] op school zit . Op 13 december 2007 is hierin het volgende over [slachtoffer] opgetekend: woede-aanval na een klein conflict met [klasgenoot] tijdens overblijven. Zijn vader, die toevallig overbleef, vroeg hoe het kwam dat hij zo boos werd. [slachtoffer] zei:“door mama, die doet ook zo lelijk en dat zit dan in mijn hersens en dan doe ik zo”. Voorts is op 20 december 2006 het volgende opgetekend: tijdens de kerstviering vraagt [slachtoffer] hoe lang het nog duurt, want hij wil niet naar huis. Vervolgens acht de rechtbank van belang dat beide leerkrachten van [slachtoffer] op 20 maart 2007 hebben verklaard dat [slachtoffer] zindelijkheids- en gedragsproblemen had. Ten slotte acht de rechtbank van belang dat de huisarts van [slachtoffer] op 17 januari 2007 het volgende in het dossier van [slachtoffer] heeft opgetekend: Op school: [slachtoffer] uit klas. Gaat graag met vader mee. Zegt: mama zit altijd in mijn hoofd en dan weet ik het niet meer. Ze knijpt in mijn keel en dat vind ik heel eng. Ze is altijd boos op mij. Naar het oordeel van de rechtbank worden zowel de verklaring van [slachtoffer] als de verklaringen van [echtgenoot verdachte], voor zover deze betrekking hetbben op [slachtoffer], voldoende ondersteund door voornoemde overige bewijsmiddelen. De rechtbank zal deze verklaringen derhalve voor het bewijs gebruiken. Feit 1 primair en subsidiair [echtgenoot verdachte] heeft verklaard dat er begin december 2006 in de woning een voorval is geweest waarbij [slachtoffer] straf had gekregen van verdachte en op de trap moest zitten. [slachtoffer] maakte vervolgens een opmerking richting verdachte in de trant van dat zij niet zo lelijk moest doen, waarna verdachte erg kwaad op [slachtoffer] werd en op hem afging, hem met de rechterhand bij de keel kneep en zijn keel dichtkneep, zodanig dat hij van kleur verschoot. [echtgenoot verdachte] zag een geweldige angst en paniek in de ogen van zijn zoon. Hij heeft verdachte weggeduwd bij [slachtoffer] en geroepen of zij helemaal gek was geworden. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte hem één keer in zijn keel heeft geknepen, dat dit pijn deed en dat hij toen niet meer kon ademhalen. Hij verklaarde dat dit ongeveer een tel duurde of een halve seconde. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij niet snel boos wordt, maar dat zij, als ze boos wordt, erg boos wordt. Verdachte heeft verklaard dat zij tijdens het voorval eind 2006 op de trap in de woning erg boos was op [slachtoffer] en dat zij hem bij zijn schouders heeft beetgepakt en goed hard op de trap heeft geduwd. Tevens heeft verdachte verklaard dat het zou kunnen dat ze daarbij met haar vingers zijn keel heeft geraakt, dat ze zich goed kan voorstellen dat [slachtoffer] door dit voorval van streek is geraakt en dat ze heeft gehoord en gezien dat [slachtoffer] moest huilen. Deze verklaring komt overeen met wat verdachte bij de politie heeft verklaard . De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze bewijsmiddelen niet kan worden gezegd dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de keel van [slachtoffer] zolang heeft dicht geknepen gehouden dat het gevaar bestond dat [slachtoffer] zou worden gedood of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging doodslag dan wel poging toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Wel kan op grond van deze bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte met haar handen de keel van [slachtoffer] heeft dichtgeknepen, waardoor [slachtoffer] pijn heeft ondervonden. De rechtbank acht dan ook de subsidiair ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen. Feit 2 [echtgenoot verdachte] heeft verklaard dat [slachtoffer] in de periode van 2001 tot 2006 gemiddeld één keer per week door verdachte werd mishandeld. Tevens heeft hij verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte [slachtoffer] tijdens een vakantie in Cadzand in de zomer 2006 heeft geslagen, alsook dat zij [slachtoffer] zand in de ogen heeft gegooid. Voorts heeft hij verklaard dat er net voor kerst 2006 ’s ochtends in bed ruzie was tussen verdachte en [slachtoffer] en dat hij zag dat verdachte [slachtoffer] een klap met haar vlakke hand op haar hoofd gaf. De eerste klap ging niet hard genoeg voor verdachte, waarna een tweede klap volgde. Hij zag dat [slachtoffer]s hoofd voorover klapte. [slachtoffer] heeft tijdens het studioverhoor verklaard dat hij tweemaal achtereen met zijn hoofd tegen het bed is geslagen en dat hij door verdachte is geschopt, maar dat dit was toen hij nog vijf jaar was, een jaar geleden. De rechtbank is op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] in de periode van 1 januari 2005 tot en met 17 januari 2007 heeft mishandeld door met haar vlakke hand tegen zijn hoofd te slaan, waardoor [slachtoffer] pijn heeft ondervonden. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] in de periode vóór 2005 heeft geslagen, nu de verklaring van de aangever niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Evenmin acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft geschopt, nu de verklaring van [slachtoffer] niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Ten slotte stelt de rechtbank vast dat verdachte weliswaar [slachtoffer] zand in de ogen heeft gegooid, maar dat niet is komen vast te staan dat [slachtoffer] daardoor pijn of letsel heeft ondervonden. Feit 3 Getu[getuige 2] heeft verklaard dat zij op 29 maart 2007 door verdachte op haar mobiele telefoon is gebeld en dat verdachte haar vertelde dat zij van plan was een vuurwapen aan te schaffen en daarmee een einde aan het leven van [echtgenoot verdachte] en [slachtoffer] te maken. Vervolgens zei verdachte tegen haar dat het haar wel binnen twee of drie weken zou lukken om aan een wapen te komen en dat zij hen daarmee om het leven zou brengen. Indien zij [slachtoffer] niet zou krijgen zou zij er voor zorgen dat [echtgenoot] [slachtoffer] ook niet meer zou hebben. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat ze zodanig overstuur is geraakt na dit telefoongesprek, dat ze heeft besloten aangifte te doen. [echtgenoot verdachte] heeft verklaard dat hij op 29 maart 2007 is gebeld door [getuige 2], die hem vertelde dat zij zojuist was gebeld door verdachte die tegen haar had gezegd dat zij nu nog geen pistool had maar binnen een week of drie wel en dat verdachte hieraan had toegevoegd dat als zij [slachtoffer] niet kreeg dan [echtgenoot] ook niet. Verdachte heeft vervolgens tegen [getuige 2] gezegd dat zij hen beiden zou doodschieten en dat [echtgenoot] en [slachtoffer] het eerstvolgende familiedrama in Nederland zouden worden. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij [getuige 2] op 29 maart 2007 inderdaad heeft gebeld en dat het gesprek op een bepaald moment ging over familiedrama’s naar aanleiding van tv-programma’s en het nieuws in het algemeen van de afgelopen tijd. Gaandeweg het gesprek heeft verdachte gezegd dat zij het zich voor kon stellen dat mensen zoiets zouden doen. De woorden over het aanschaffen van een vuurwapen heeft zij wel gezegd maar niet in die context. Verdachte was in een emotionele bui en denkt dat [getuige 2] haar verkeerd heeft begrepen. Verdachte heeft verklaard niet te begrijpen dat [getuige 2] zich bedreigd heeft gevoeld. Verdachte kon zich niet herinneren waarom zij de combinatie van woorden ‘familiedrama’s en vuurwapens’ heeft gebruikt, nu er kennelijk volgens de verbalisanten bij de laatste gezinsdrama’s helemaal geen vuurwapens zijn gebruikt. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij zich kan voorstellen dat [getuige 2] bang was, maar dat dit waarschijnlijk komt omdat zij verdachte niet zo goed kent en wellicht is geschrokken van haar felheid en haar intonatie. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen feit 3 wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ter zitting heeft verdachte alsnog ontkend dat zij heeft gesproken over vuurwapens of familiedrama’s, en dat zij uitsluitend heeft gezegd dat het een drama was dat zij haar [voornaam slachtoffer] al tien weken niet had gezien. Nu [getuige 2] en aangever [echtgenoot] hier geheel anders over verklaren en deze verklaring ook niet overeenkomt met wat verdachte eerder bij de politie heeft verklaard, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte op dit punt ongeloofwaardig is. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.