RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 800005-08 en 615456-07 (TUL) [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 april 2008 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren [adres]en plaats] wonende te [adres] thans gedetineerd in het Huis van Bewaring De Boschpoort, Nassausingel 26 te Breda raadsman mr. A.M.C. Verheul, advocaat te Lelystad 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 april 2008, waarbij de officier van justitie, mr. Breman, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: samen met iemand anders [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] met onder andere een pistool heeft bedreigd; Feit 2: in een periode van drie jaar [slachtoffer 3] een aantal malen heeft mishandeld. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd feit 1 bewezen te verklaren gelet op de voorhanden zijnde bewijsmiddelen. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte van feit 2 vrij te spreken, nu naar haar mening het overtuigend bewijs ontbreekt. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de bedreigingen onder feit 1 bewezen kunnen worden, met uitzondering van de handelingen die de medeverdachte van verdachte zou hebben verricht, namelijk het bedreigen met het pistool en de uitspraak: “Ik schiet jullie allemaal dood en daarna mezelf”. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er ten aanzien van deze feitelijkheden geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte, zodat niet van medeplegen gesproken kan worden. Verdachte was namelijk naar de opvatting van de verdediging, niet op de hoogte van het feit dat de medeverdachte een pistool bij zich droeg en had er voorafgaande aan het voorval geen overleg tussen verdachte en de medeverdachte plaatsgevonden. Ten aanzien van feit 2 is de verdediging van mening dat er geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs, zodat verdachte van dit feit vrijgesproken dient te worden. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 26 december 2007 te Bergen op Zoom de ruit van de achterdeur van de woning van [slachtoffer 1] kapot heeft gemaakt en vervolgens samen met zijn medeverdachte het huis van die [slachtoffer 1] is binnengedrongen. De reden hiervoor was volgens verdachte om met [slachtoffer 3] te praten over haar vermeende zwangerschap. Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij zag dat een persoon een pistool op het achterraam zette. Zij zag dat het pistool in hun richting gericht was. Deze persoon zei hierbij: “ik maak jullie dood, ik maak jullie dood”. [slachtoffer 1] verklaart vervolgens dat verdachte het raam van de achterdeur insloeg en dat hij samen met de andere jongen binnen kwam. Dit laatste wordt bevestigd door de aangifte van [slachtoffer 2]. [slachtoffer 3] heeft in haar aangifte verklaard dat ze zag dat de een manspersoon in de woonkamer stond en dat deze met een soort vuurwapen zwaaide. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verklaren beide dat [slachtoffer 2] een pistool op zich gericht kreeg. Het wapen werd ter hoogte van het hoofd van [slachtoffer 2] gehouden, aldus [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] heeft voorts verklaard dat hij op een later moment zag dat de man met het vuurwapen het wapen wederom op hem richtte en vervolgens de slede naar achter haalde en het vuurwapen door laadde. In haar aanvullende verklaring heeft [slachtoffer 1] verklaard dat zowel verdachte als de andere man bleven roepen dat ze hen dood gingen maken als zij de politie hadden gebeld. [slachtoffer 2] heeft in zijn aangifte verklaard dat de man met het pistool tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd dat als hij de politie had gebeld, dat hij hem dood zou schieten. Dit wordt tevens bevestigd door de aangifte van [slachtoffer 3]. Zij heeft immers verklaard die persoon vroeg of er politie was gewaarschuwd en hij zei dat als ze dat niet hadden gedaan er niets aan de hand was, maar als we dat wel hadden gedaan zou hij hen allemaal kapot schieten. Daarnaast heeft [slachtoffer 3] verklaard dat het pistool ook op haar gericht werd. Op een gegeven moment is [slachtoffer 1] naar boven gegaan. Verdachte is haar achterna gelopen. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat op het moment dat zij naar boven ging, naar haar moeder, zij verdachte heeft horen zeggen: “ik heb een handgranaat in de auto”. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat toen [slachtoffer 1] boven was met verdachte, die andere man met het vuurwapen begon te zwaaien. Hij heeft daarbij het vuurwapen op iedereen een keer gericht gehouden. De man met het vuurwapen wilde nog steeds weten of [slachtoffer 2] de politie had gebeld. Hierbij zei de man dat het hem allemaal niet interesseerde of [slachtoffer 2] de politie had gebeld. Hij zou hen allemaal dood maken en daarna zou hij zichzelf dood maken of woorden van gelijke strekking volgens [slachtoffer 2]. Ook hoorde [slachtoffer 2] hem zeggen dat ze een vijftiental vrienden hadden meegenomen. Deze zouden buiten staan en zouden een handgranaat bij zich hebben. Telkens wanneer de man [slachtoffer 2] aansprak richtte hij het vuurwapen op hem om zo zijn woorden kracht bij te zetten. Nadat [slachtoffer 1] weer beneden kwam hoorde ze de dat de andere jongen steeds weer riep: “Ik schiet jullie dood en daarna mezelf. Ik heb toch geen zin meer om te leven”. Zij hoorde voorts dat verdachte tegen haar zei: “Je kent mij, ik heb vijftien man van de Kroeven bij me en ik heb een handgranaat”. In haar latere verklaring heeft [slachtoffer 3] nog verklaard dat die avond die vriend van verdachte, [naam vriend van verdachte], dat vuurwapen ook nagenoeg tegen haar voorhoofd heeft gehouden. Zij schat dat het vuurwapen ongeveer 10 centimeter van haar hoofd was verwijderd. [naam vriend van verdachte] vroeg haar daarbij: “Ben jij zwanger?”, aldus [slachtoffer 3]. Ze zei daarop dat zij dat niet was. Hierop haalde [naam vriend van verdachte] dat vuurwapen weer weg van haar hoofd. Hij hield het wel in zijn handen maar richtte het nu naar beneden. Volgens [slachtoffer 3] zag verdachte dat [naam vriend van verdachte] dat vuurwapen op haar hoofd richtte. Verdachte stond hier ongeveer anderhalve meter vandaan, bij de deur. Op het moment dat [naam vriend van verdachte] dat pistool weer naar haar hoofd richtte, hoorde zij dat verdachte tegen [naam vriend van verdachte] zei: “Laat maar zitten, ik ga met haar praten”. Naast de aangevers hebben de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] verklaard dat de persoon die bij verdachte was, een vuurwapen in zijn hand had. Zij hebben voorts verklaard dat zij dat wapen reeds zagen door het raam heen, dus toen verdachte en zijn medeverdachte nog buiten stonden. Ten slotte hebben [getuige 1] en [getuige 2] verklaard dat het wapen door de medeverdachte van verdachte werd doorgeladen. In het proces-verbaal d.d. 23 januari 2008 is gerelateerd door de verbalisant [naam verbalisant] dat er in de bosschages aan de Rheastraat te Bergen op Zoom, daar waar de beide achtervolgde mannen uit het zicht waren verdwenen, een pistool werd aangetroffen. In het onderzoek met betrekking tot dit vuurwapen staat beschreven dat dit een vuurwapen betrof in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie. De rechtbank komt op grond van vorengenoemde bewijsmiddelen tot het oordeel dat verdachte het vuurwapen, waarvan uit onderzoek is gebleken dat het echt was, gezien moet hebben. Uit de aangiftes en de getuigenverklaringen volgt namelijk dat het vuurwapen op verschillende momenten is getoond waar verdachte bij was. De verklaring van verdachte dat hij het vuurwapen niet heeft gezien is niet aannemelijk geworden, temeer nu verdachte samen met zijn medeverdachte een groep van zeven personen in bedwang heeft weten te houden, hetgeen zonder het gebruik van een wapen moeilijk voor is te stellen. Verdachte moet daar dan ook aandacht aan hebben besteed. Ten slotte was de medeverdachte van verdachte op de hoogte van de reden van het bezoek aan de woning, namelijk [slachtoffer 3] dwingen tot het doen van uitlatingen met betrekking tot de vermeende zwangerschap. Zij zijn beiden met geweld de woning binnengedrongen en hebben beide bedreigingen jegens de aldaar aanwezigen geuit. Naar het oordeel van de rechtbank is er derhalve sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte dat van medeplegen gesproken kan worden. De rechtbank acht feit 1 dan ook integraal wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 2 is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte hiervan vrijgesproken dient te worden wegens het ontbreken van wettig bewijs. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.