RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 800404-08 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 juli 2008 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [datum en plaats] thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda raadsman mr. Verstrepen, advocaat te Oosterhout 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 juli 2008, waarbij de officier van justitie, mr. Van Delft, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: (Feit 1) een bedrijfsinbraak bij het Vitalis College heeft gepleegd waarbij een plasma beeldscherm is weggenomen; (Feit 2) een bedrijfsinbraak bij Triple O B.V. heeft gepleegd waarbij een plasma beeldscherm is weggenomen; (Feit 3) een winkeldiefstal heeft gepleegd waarbij scheerschuim en deodorant is weggenomen; (Feit 4) een winkeldiefstal heeft gepleegd waarbij 15 luchtverfrissers zijn weggenomen. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het oordeel van de rechtbank Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank de feiten 1, 2 en 4 wettig en overtuigend bewezen gelet op: (voor feit 1) - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 3 juli 2008; - de aangifte van [aangever] namens Vitalis College. (voor feit 2) - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 3 juli 2008; - de aangifte van [aangever] namens Triple O B.V. (voor feit 4) - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 3 juli 2008; - de aangifte van [aangever] namens Super de Boer. De rechtbank is ten aanzien van feit 3 met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte een winkeldiefstal heeft gepleegd waarbij hij scheerschuim en deodorant heeft weggenomen. Er is geen aanvullend bewijs voor de aangifte van Super de Boer. Derhalve spreekt de rechtbank verdachte vrij van dit feit. 4.2 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (Feit 1) op 29 augustus 2007 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een school te weten: Vitalis College heeft weggenomen een plasma beeldscherm, toebehorende aan Vitalis College, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, verbreking en inklimming; (Feit 2) op 29 november 2007 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een bedrijf reduitlaan 33 heeft weggenomen plasma beeldscherm toebehorende aan Triple O B.V., waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak (Feit 4) op 01 april 2008 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 15 luchtverfrissers, toebehorende aan Super de Boer Tuinzigt B.V. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6 De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een drietal vervelende feiten die de bedrijfsgang van de betrokken bedrijven en instelling ernstig hebben verstoord. Verdachte is in het verleden al meerdere keren veroordeeld voor vermogensdelicten. Dit heeft echter niet het gewenste effect gehad op verdachte. Er is voldaan aan de voorwaarden om een ISD-maatregel op te kunnen leggen en dit is ook wenselijk en noodzakelijk. Derhalve heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte voor feit 4 een ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren op te leggen. De officier van justitie heeft aangevoerd dat het voor de feiten 1 en 2 niet mogelijk is om de ISD-maatregel op te leggen omdat deze feiten zijn begaan voordat verdachte zijn laatste gevangenisstraf heeft uitgezeten. Om die reden heeft de officier van justitie voor de feiten 1 en 2 een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel gevorderd. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair aangevoerd dat er geen ISD-maatregel opgelegd zou moeten worden aangezien de resocialisatie ook op een andere manier tot stand kan worden gebracht. Subsidiair dient de ISD-maatregel in geheel voorwaardelijke zin opgelegd te worden. Uiterst subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de gevorderde duur van de ISD-maatregel beperkt moet worden indien de rechtbank van oordeel mocht zijn dat er toch een ISD-maatregel dient te worden opgelegd. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is op grond van de bevindingen in de rapportage van Reclassering Nederland van oordeel dat het opleggen van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders wenselijk en noodzakelijk is. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd ziet de rechtbank gelet op het stelselmatige karakter en het hoge recidiverisico geen aanleiding om de maatregel in voorwaardelijke zin op te leggen. De rechtbank heeft tevens vastgesteld dat voldaan wordt aan de eisen die de wet aan het opleggen van een ISD-maatregel stelt. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit ook geldt voor de feiten 1 en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.