RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 02/801470-07 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 augustus 2008 in de [bijnaam]zaak tegen [verdachte] geboren te [plaats en datum] wonende te [adres] raadsman mr. J.Y. Taekema, advocaat te Den Haag. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 augustus 2008, waarbij de officier van justitie, mr. Janssen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: met anderen heeft geprobeerd [slacht[slachtoffer] en [slachtoffer] in hun woning te vermoorden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, althans hen heeft bedreigd, door met een vuurwapen meermalen door de ruit van hun woning te schieten. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met anderen de be[adres] heeft bedreigd met de dood. Zij baseert zich daarbij op het volgende. Verdachte gaf, aldus de officier van justitie, ter zitting van 4 augustus 2008 toe dat hij op 30 april 2005 een van de drie mannen bij de woning aan [adres] was. Er was geen sprake van voorbedachten rade, dus een poging tot moord kan volgens de officier van justitie niet bewezen worden. En alhoewel de geschoten kogels in een min of meer vlakke baan zijn geschoten en er dus een wezenlijke kans was om iemand te raken is volgens de officier van justitie evenmin sprake van een poging tot doodslag. Zij baseert dit op het feit dat er niet is gericht op het midden van het raam. Maar het levert wel een zeer ernstige vorm van bedreiging op, aldus de officier van justitie. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende. Het kan niet bewezen worden dat verdachte de schutter was, nu de getuigenverklaringen in onderling verband gezien tegenstrijdig zijn. Getuige [getuige 1] heeft, hoewel zij verdachte goed kent, hem niet herkend. De verklaring van [getuige 2] is niet bruikbaar voor het bewijs omdat hij door zijn overlijden niet meer door de verdediging kon worden ondervraagd. Bovendien is zijn verklaring onduidelijk en op onderdelen onjuist. Ook kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat de opgefokte van de drie mannen ook de schutter is. De raadsman stelt vervolgens dat de drie mannen voor de woning weliswaar een onenigheid hadden met [slachtoffer] en zijn moeder, maar dit is niet te beschouwen als een bedreiging. Zij zijn vervolgens alle drie weg gegaan en er is één man teruggekomen, niet zijnde verdachte, die heeft geschoten. Er was dus geen nauwe, bewuste samenwerking, zodat niet gesproken kan worden van medeplegen. En tot slot levert het op deze manier schieten door de ruit van een kamer waarin zich op dat moment niemand bevond geen poging tot doodslag, laat staan poging tot moord, op. 4.3 Het oordeel van de rechtbank In de nacht van 29 op 30 april 2005 is met een vuurwapen geschoten op een ruit van een woning [adres]. In die woning waren aanwezig mevrouw [slachtoffer], haar zoon [slachtoffer] en nog 2 kinderen. Er zijn twee kogels door de ruit in de woonkamer gekomen. Daarbij is niemand geraakt, omdat er op het moment van het schieten niemand in de woonkamer was. De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte de schutter is. Daarbij zijn de verklaringen van [slachtoffer], zijn moeder en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] van belang. Voorafgaand aan hetgeen voor de deur van [adres] gebeurde had [slachtoffer] , ruzie met ene [naam ruziezoeker]. Later raakte een negroïde man bij een volgende ruzie met die [naam ruziezoeker] betrokken, welke man [slachtoffer] kent als [bijnaam], die bij hem in de buurt woont en in een Audi rijdt. [slachtoffer] omschrijft deze [bijnaam] als een Surinaams/Antilliaanse man met een fors, breed, stevig postuur en een bril. Weer later die dag ontstond er een gevecht tussen die [bijnaam] en [slachtoffer] en vervolgens later die avond verscheen die [bijnaam] met twee negroïde mannen bij de woning van [slachtoffer]. Zijn moeder voorkwam dat [slachtoffer] het buiten ging uitvechten, en zij gingen de woonkamer in. [slachtoffer] verklaart hierover bij de rechter-commissaris dat [bijnaam] van de drie mannen die ’s avonds voor zijn deur verschenen degene was die zich het meest agressief gedroeg. Nadat zij de woonkamer ingegaan waren hoorde [slachtoffer] enkele knallen. Zijn moeder deed het licht in de kamer uit, maar [slachtoffer] deed het licht weer aan. Kort daarna zijn zij naar boven gegaan en boven hoorde [slachtoffer] weer schoten en hoorde hij glasgerinkel. De moeder van [slachtoffer], [slachtoffer] verklaart in grote lijnen gelijkluidend over hetgeen zich die avond voor en in haar woning heeft afgespeeld. Over de drie mannen verklaart zij dat de middelste zei dat hij [slachtoffer] wilde hebben omdat hij had gehoord dat [slachtoffer] hem wilde steken. Zij zag dat die middelste jongen erg agressief was en dat de andere twee hem tegenhielden toen hij naar haar toe wilde komen. Verder verklaart zij dat haar dochter haar had verteld dat zij boven uit het raam had gekeken en had gezien dat een van de drie jongens een bril droeg. De getuige [getuige 1] , die ook in [adres] woont, zag drie personen voor de woning op nummer 33 staan en zij hoorde een woordenwisseling. Ze zag dat ze op een bepaald moment wegliepen en dat een van de drie terug wilde, waarbij de andere twee hem probeerden tegen te houden. Die jongen rukte zich los, draaide zich om en liep in de richting van de woning. Zij zag dat een van zijn handen de lucht in ging en hoorde harde knallen en zag lichtflitsen, waarna de mannen wegliepen. Even later kwam die jongen weer terug de bocht om lopen. Ter hoogte van nummer 33 strekte hij zijn hand, alsof hij een vuurwapen vast had en richtte op het raam van die woning. Zij hoorde weer knallen en zag flitsen, waarna hij weer wegliep. De getuige [getuige 2] , die de rechtbank overigens, evenals de raadsman, niet beschouwt als een deskundige op het gebied van wapens, zag dat 2 jongens de derde probeerden te kalmeren, maar dat de opgefokte jongen een vuurwapen pakte en schoot. Volgens deze getuige droeg de schutter een bril. De raadsman betoogde dat deze getuige dit helemaal niet kon zien vanuit de voordeur, maar [getuige 2] stond op dat moment op de bovenverdieping van zijn woning en had via het raam zicht op hetgeen zich voor de deur van [slachtoffer] afspeelde. De rechtbank acht, anders dan de verdediging, de verklaring van [getuige 2] wel bruikbaar voor het bewijs. Weliswaar heeft de verdediging niet de gelegenheid gehad hem te ondervragen, maar dat staat er niet aan in de weg om zijn verklaring te gebruiken, nu zijn verklaring op essentiële onderdelen in belangrijke mate ook steun vindt in de andere getuigenverklaringen. Uit gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer blijkt dat verdachte in die periode eigenaar was van een Audi. Verdachte ontkende op de zitting niet dat hij op 30 april 2005 voor de woning van [slachtoffer] aanwezig was maar, anders dan de officier van justitie veronderstelde, gaf dat ook niet toe. Hij gaf wel toe dat hij in die periode een bril droeg . De rechtbank acht op grond van vorenstaande bewijsmiddelen aangetoond dat verdachte de brildragende man was van de groep van 3 die voor de woning van [slachtoffer] was en dat hij de agressieve van de drie was. Ook acht de rechtbank aangetoond dat het verdachte was die door de andere 2 mannen werd tegengehouden, zich losrukte en schoten in de lucht en later op het raam van die woning loste. Dat getuige [getuige 1] verdachte ter plekke niet heeft herkend doet hieraan niet af. Anders dan de raadsman ter zitting suggereerde, was het volgens haar eigen verklaring bij de politie te donker om een signalement te kunnen geven. Zij verklaarde daar ook dat zij verdachte al heel lang niet meer had gezien en dat hij het goed geweest had kunnen zijn. Niet is komen vast te staan dat er sprake was van medeplegen. De andere mannen onttrokken zich immers aan het vuurwapengeweld en wilden beletten dat verdachte ging schieten. Maar wettig en overtuigend staat vast dat verdachte de schoten heeft gelost. Verdachte wist niet of er zich iemand in de woonkamer bevond, alhoewel kort daarvoor het licht uit en aan was gegaan. Achteraf kan echter worden vastgesteld dat, toen verdachte door het raam schoot, [slachtoffer] en zijn moeder reeds naar boven waren gegaan en er zich dus niemand in de woonkamer bevond. Dit leidt ertoe dat, los van de vraag of het op deze wijze door het raam schieten, juridisch gezien (voorwaardelijke) opzet op de dood oplevert, er sowieso sprake was van een ondeugdelijke poging om iemand te doden. Dit betekent dat verdachte zal worden vrijgesproken van poging tot moord of doodslag. Maar verdachte heeft zich wel schuldig gemaakt aan een bedreiging met de dood. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tweede subsidiair: omstreeks 30 april 2005 te Breda, [slachtoffer] en [slachtoffer] en andere aanwezige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.