RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 02/629169-07 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 februari 2009 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [datum en plaats] wonende te [adres] raadsvrouwe mr. E. Leijser, advocaat te Tilburg 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 februari 2009, waarbij de officier van justitie, mr. Tax, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer] en zijn twee kinderen om het leven te brengen of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met zijn auto [slachtoffer] en die kinderen in te rijden dan wel dat verdachte door zo te handelen [slachtoffer] en die kinderen heeft bedreigd dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt; feit 2: [slachtoffer] heeft mishandeld. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] en zijn twee meegevoerde kinderen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (feit 1 primair). Zij baseert zich daarbij op de verklaring van de aangever [slachtoffer] en de verklaringen van de getuigen ter plaatse. Zij is van mening dat uit die verklaringen blijkt dat verdachte gas heeft bijgegeven en met aanzienlijke snelheid [slachtoffer] en zijn twee kinderen is ingereden, waardoor hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] en zijn twee kinderen zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Feit 2, de mishandeling van [slachtoffer] door verdachte, acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen, gelet op de verklaring van aangever [slachtoffer] en van verdachte. Op basis van die verklaringen acht zij bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft geschopt. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouwe is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1 in al zijn varianten. Zij acht de verklaring van aangever [slachtoffer] niet betrouwbaar voor wat betreft zijn stelling dat verdachte op hem zou zijn ingereden. Voorts is zij van mening dat verdachte niet te hard heeft gereden. De getuigen spreken elkaar op dit punt tegen en uit de omstandigheid dat verdachte al 10 meter na de oversteekplaats zijn auto heeft stilgezet, blijkt volgens de raadsvrouwe dat verdachte ongeveer 30 kilometer per uur heeft gereden, zoals verdachte ook bij de politie heeft verklaard. Dat verdachte zijn snelheid zou hebben verhoogd, is al evenmin bewezen. De getuigen hebben dat niet gezien, maar hebben dat geconcludeerd omdat de motor een harder geluid maakte. De raadsvrouwe merkt op dat dit hardere geluid van de motor veroorzaakt kan zijn doordat verdachte zijn voet van het gaspedaal haalde en terugschakelde, waarmee hij juist remde op de motor. Zij stelt vast dat verdachte aangever [slachtoffer] heeft gewaarschuwd door te claxonneren toen aangever aanstalten maakte om over te steken. Toen aangever en zijn kinderen toch overstaken, heeft verdachte vaart geminderd en geremd. Hij wilde een botsing voorkomen. Aangever heeft toen nog kans gezien om met een geheven voet tegen de spiegel van de auto van verdachte te trappen. Daaruit zou eveneens blijken dat de timing tussen het oversteken en de passerende auto minder kritisch was dan door [slachtoffer] is gesteld. Zij acht dan ook de poging doodslag en de poging zware mishandeling - al dan niet in de voorwaardelijk-opzet-variant niet bewezen. Evenmin acht zij op grond van het bovenstaande bewezen dat verdachte door zijn rijgedrag aangever [slachtoffer] heeft bedreigd dan wel gevaarlijk weggedrag heeft vertoond. Feit 2 kan volgens de raadsvrouwe wettig en overtuigend bewezen worden, in die zin dat verdachte aangever een trap heeft gegeven. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 1 De rechtbank stelt vast dat op 30 juli 2007 op de Schouwburgring in Tilburg een verkeersincident heeft plaatsgevonden, waarbij aangever [slachtoffer] met zijn twee kinderen en verdachte waren betrokken. Over dit incident zijn door verdachte, aangever [slachtoffer] en een aantal getuigen verklaringen afgelegd. Met betrekking tot de verklaringen van de getuigen merkt de rechtbank op dat uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie blijkt dat een groot aantal getuigen in elkaars nabijheid over het incident is gehoord. In het dossier zijn de verklaringen van deze getuigen opgenomen, waarbij is volstaan met het opnemen van steeds een woordelijk exact dezelfde verklaring van elke getuige als de verklaring van de andere getuigen. Bij de rechter-commissaris zijn deze getuigen wederom gehoord. Opvallend is dat de rechter-commissaris bij de meeste getuigen telkens aan het begin van het verhoor de door die getuige bij de politie afgelegde verklaring aan hem/haar heeft voorgehouden. De rechtbank is op grond van de gang van zaken rond het horen van de getuigen van oordeel dat de verklaringen van de getuigen niet kunnen meewerken aan het bewijs van hetgeen verdachte is tenlastegelegd. Immers, die verklaringen zijn besmet doordat zij zijn afgelegd in elkaars bijzijn. Hierdoor is het niet mogelijk vast te stellen wat de getuigen nu zelf hebben waargenomen. Dit wordt versterkt door de wijze waarop de verbalisant de verklaringen eenduidig heeft samengevat. Daarbij heeft onvermijdelijk een eigen interpretatie van de verbalisant plaatsgevonden, waardoor de rechtbank niet in staat is de betrouwbaarheid van de verklaringen te toetsen. Voorts zijn de verklaringen van die getuigen, afgelegd bij de rechter-commissaris, niet bruikbaar, omdat de herinnering aan het incident op 30 juli 2007 - niet alleen door het horen in elkaars nabijheid, maar ook doordat de rechter-commissaris hun eerdere verklaring aan hen heeft voorgehouden - zijn ingekleurd, waardoor niet valt vast te stellen in hoeverre de verklaring van de getuigen berust op eigen waarneming dan wel op hetgeen zij in eerdere instantie in elkaars nabijheid van elkaar hebben gehoord. Wat resteert als mogelijk bewijsmateriaal zijn de verklaringen van aangever en van verdachte. Deze verklaringen staan in essentie lijnrecht tegenover elkaar. Zo heeft aangever [slachtoffer] bij de politie verklaard dat hij zag dat verdachte gas bijgaf en met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur op hem en zijn kinderen inreed, waarbij hij door de auto van verdachte werd geraakt. Verdachte daarentegen heeft verklaard dat hij ongeveer 30 kilometer per uur reed, heeft geclaxonneerd en geen gas heeft bijgegeven, maar juist heeft afgeremd, waarna aangever tegen de spiegel van zijn auto heeft getrapt. Uit deze verklaringen valt derhalve geen eenduidige conclusie met betrekking tot de ware toedracht van het incident te trekken. Voor de verklaring van verdachte pleit dat een veeg te zien is op een zich in het dossier bevindende foto van de auto van verdachte, die erop zou kunnen duiden dat aangever tegen de auto van verdachte heeft getrapt, maar dit enkele feit is onvoldoende om verdachte volledig te volgen in zijn verklaring. De rechtbank kan zich na lezing van het dossier en gelet op hetgeen op zitting is verklaard, niet aan de indruk onttrekken dat zowel aangever als verdachte ten tijde van het incident inschattingsfouten hebben gemaakt, waarvan beiden zijn geschrokken. Nu de rechtbank geen conclusies kan trekken omtrent de ware toedracht van het incident, kan zij evenmin met zekerheid vaststellen dat verdachte is ingereden op aangever [slachtoffer] en zijn kinderen, dan wel dat hij met aanzienlijke snelheid in de richting van de zich op de voetgangersoversteekplaats bevindende [slachtoffer] en zijn kinderen is gereden, dan wel dat hij die voetgangersplaats met aanzienlijke snelheid is genaderd of opgereden, zoals onder de varianten van feit 1 is tenlastegelegd, zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken. Feit 2 De rechtbank acht dit feit, de mishandeling van [slachtoffer] door hem een schop te geven, wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 12 februari 2009 ; - de verklaring van [slachtoffer] , afgelegd bij de rechter-commissaris. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.