RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 02/801144-08 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 april 2009 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [datum en plaats] thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda raadsman mr. Frencken, advocaat te ‘s-Hertogenbosch 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 april 2009, waarbij de officier van justitie, mr. De Hollander, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: de 14-jarige [slachtoffer] heeft verkracht door haar te penetreren en zich te laten pijpen danwel ontuchtige handelingen met [slachtoffer] heeft gepleegd. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft verkracht. Zij baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer], de verklaringen van de getuigen die [slachtoffer] overstuur en in apathische toestand de klas hebben zien binnenkomen, de onderzoeksbevindingen van het NFI en de eigen verklaringen van verdachte, die ongeloofwaardig kunnen worden geacht. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vraagtekens geplaatst bij de betrouwbaarheid van de aangifte. Daarbij heeft de verdediging gewezen op verschillen tussen de aangifte en de verklaringen van de getuigen. De verdediging heeft in dat kader aangevoerd dat er mogelijk sprake is geweest van beïnvloeding van slachtoffer [slachtoffer] tijdens gesprekken voorafgaande aan het informatieve gesprek en de daaropvolgende aangifte. Voorts ontbreekt er een verslaglegging in de vorm van een proces-verbaal van deze eerdere gesprekken terwijl daarbij verbalisanten aanwezig zijn geweest. Tenslotte kan de uitslag van het DNA-onderzoek zowel een bevestiging zijn van de verklaring van aangeefster als de lezing van verdachte. Van de bij het slachtoffer geconstateerde zeer geringe hoeveelheid sperma in en buiten de vagina is niet vastgesteld dat dit van verdachte afkomstig is. De sperma kan van een andere man zijn geweest en dus staat daarmee niet vast dat verdachte [slachtoffer] heeft gepenetreerd. 4.3 Het oordeel van de rechtbank [voornaam] [slachtoffer], geboren op [datum], heeft aangifte gedaan van verkrachting door een, volgens haar, ongeveer 19 jaar oude jongen die ze op een maandagmorgen op 16 juni 2008 had ontmoet op het station in ’s-Hertogenbosch. Zij verklaart dat hij haar op de bank in zijn appartement op haar mond begon te zoenen met zijn tong. Zij wilde weglopen, wegvluchten maar werd door hem bij haar haren vastgepakt en meegesleept naar de slaapkamer. Ze moest zichzelf van hem uitkleden. Ze hoorde hem zeggen dat zij hem moest pijpen en hij deed zijn penis in haar mond. Daarna moest ze een paar minuten met haar billen op zijn penis gaan zitten en bewegen. Vervolgens moest ze op haar knieën met haar rug naar hem toe gaan zitten. Hij heeft zijn penis onbeschermd in haar vagina gestopt en een minuut of 4 heen en weer bewogen. Ze heeft daarbij gezegd dat ze dat niet wilde, maar hij luisterde niet en ging sneller bewegen in haar. Vervolgens moest zij hem wederom pijpen. Na ongeveer 2 minuten heeft hij zijn penis uit haar mond gehaald en kwam hij klaar in haar hals en op haar borstbeen. De verdediging heeft een aantal verweren gevoerd die –kortgezegd- de betrouwbaarheid van de aangifte bekritiseren. Volgens de rechtbank komt de in het informatieve gesprek afgelegde verklaring van [slachtoffer] overeen met haar aangifte. Ook komen deze verklaringen in grote mate overeen met hetgeen zij op school tegen haar vriendin en leerkracht heeft verklaard. De rechtbank constateert wel dat [slachtoffer] op onderdelen wisselend heeft verklaard. Bij de rechter-commissaris corrigeert ze immers haar eerdere verklaringen en geeft aan dat ze niet is gedwongen om met verdachte mee te gaan en zij geen anale seks met hem heeft gehad. Die wijzigingen geven aan dat zij er niet op uit is verdachte van meer te beschuldigen dan volgens haar is gebeurd. Uiteindelijk blijft er volgens de rechtbank, wat de hoofdlijnen betreft, een verklaring over die consistent en in overeenstemming is met de andere verklaringen. Om die reden verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging en ziet in het licht daarvan geen aanleiding om consequenties te verbinden aan het feit dat van het eerste contact van de verbalisanten met het slachtoffer [slachtoffer] geen proces-verbaal is opgemaakt. Bovendien wordt zowel door de leerkracht als de vriendin van [slachtoffer] gezien dat zij emotioneel is als zij ’s ochtends de klas binnen komt. [naam docent] is een docente van [voornaam]. Zij zag blijkens haar verklaring [voornaam] [slachtoffer] op 16 juni 2008 in de loop van het tweede lesuur de klas inkomen. Haar gezicht was op dat moment helemaal rood en vlekkerig, zij had waterige ogen en een betraand gezicht. [naam docent] zag dat er iets aan de hand was met [voornaam]. Daarnaast verklaarde [naam docent] dat [voornaam] daarvoor nog nooit ongeoorloofd had verzuimd. Ook [naam] een vriendin van [voornaam] [slachtoffer], verklaarde dat [voornaam] op maandag 16 juni 2008 huilend het klaslokaal binnen kwam en vreselijk begon te huilen. In het toilet vroeg zij aan [voornaam] wat er gebeurd was en zag dat [voornaam] weer begon te huilen. Deze emotionaliteit past bij de verklaring van [voornaam]. Het NFI heeft onderzoek verricht naar de aanwezigheid van sperma in de van [voornaam] [slachtoffer] afgenomen bemonsteringen van haar gezicht, borst en de binnen- en buitenkant van haar vagina. In de bemonsteringen van de buitenkant van de vagina en de vagina inwendig is een aanwijzing verkregen op de aanwezigheid van een zeer geringe hoeveelheid sperma. Bij de bemonsteringen van het gezicht en de borst is sperma aangetroffen dat overeen komt met het DNA-profiel van verdachte. De verdediging heeft over de uitslag van het DNA-onderzoek aangevoerd dat dit de lezing van verdachte dat hij [slachtoffer] niet heeft gepenetreerd ondersteunt. Volgens de rechtbank past de uitslag van de bemonsterde sporen bij de verklaring van [slachtoffer]. Juist de omstandigheid dat er een geringe hoeveelheid sperma is aangetroffen sluit aan bij de lezing van [slachtoffer] dat zij weliswaar is gepenetreerd door verdachte maar dat hij vervolgens op haar hals en borst is klaargekomen. Deze verklaring van aangeefster acht de rechtbank geloofwaardig. Tegenover deze betrouwbare verklaringen van [slachtoffer] staan wisselende verklaringen van verdachte die door de rechtbank onbetrouwbaar worden geacht. Verdachte heeft aanvankelijk verklaard, nadat hem daaromtrent meerdere malen een vraag was gesteld, dat hij [slachtoffer] alleen heeft gekust maar verder geen seksuele handelingen met haar heeft verricht. Pas nadat hij geconfronteerd is met de bevinding van het NFI dat op het lichaam van [slachtoffer] sperma was gevonden dat van hem afkomstig is, heeft hij zijn verklaring veranderd en heeft hij verklaard dat [slachtoffer] hem slechts heeft afgetrokken, waarna hij is klaargekomen op haar gezicht en borst. De rechtbank acht deze verklaring gelet op de wijze waarop deze tot stand is gekomen en afgezet tegen de verklaring van [slachtoffer] zoals hiervoor beschreven, niet geloofwaardig. Of deze verklaring van verdachte ook kennelijk leugenachtig is, laat de rechtbank in het midden. De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft verkracht. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte primair op 16 juni 2008 te Waalwijk door geweld of een andere feitelijkheid [initialen] [slachtoffer] (geb. 24 okt. 1993) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestond(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.