RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 800006-08 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 juli 2009 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [datum en plaats] wonende te [adres] raadsman mr. Visser, advocaat te Breda 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk op tegenspraak behandeld op de zitting van 30 juni 2009, waarbij de officier van justitie, mr. Smale, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: samen met anderen met vuurwerk ontploffingen teweeg heeft gebracht en brand heeft veroorzaakt in een bijgebouw van basisschool Den Bongerd, dan wel dat hij openlijk geweld heeft gepleegd tegen dat bijgebouw dan wel dat hij dat heeft vernield; Feit 2: een verplaatsbare toiletunit heeft beschadigd. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het teweeg brengen van meerdere ontploffingen aan/in het bijgebouw behorende bij het schoolgebouw De Bongerd (feit 1). Zij baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaring van de heer [getuige1], de videobeelden en de verklaring van verdachte dat hij de ontploffingen van dichtbij heeft gefilmd. Verdachte heeft onderdeel uitgemaakt van de groep en was duidelijk aanwezig. Ook heeft hij zich niet onttrokken aan de groep en door het filmen heeft hij bijgedragen aan een sfeer van ontremming bij de anderen. Daarnaast is er bij de ontploffingen tape gebruikt die van verdachte afkomstig is. De officier van justitie acht de brandstichting niet wettig en overtuigend bewezen, omdat het causale verband tussen het afsteken van het vuurwerk en de brand niet te bewijzen is. Daarom dient verdachte van dit onderdeel vrijgesproken te worden. Ten aanzien van feit 2 verzoekt zij verdachte vrij te spreken, omdat niet uitgesloten is dat een ander dan verdachte de vernieling gepleegd heeft. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van hetgeen onder feit 1 ten laste is gelegd. Het causaal verband tussen het afsteken van het vuurwerk en de ontstane brand kan niet worden vastgesteld. Bovendien heeft verdachte geen vuurwerk bij de school afgestoken. Verdachte heeft weliswaar deel uitgemaakt van een groep en heeft het gebeurde gefilmd, maar deze omstandigheden zijn onvoldoende om tot een bewezenverklaring van ‘medeplegen’ te komen. Evenmin heeft verdachte het opzet gehad om brand te stichten of om ontploffingen teweeg te brengen dan wel om openlijk geweld tegen het bijgebouw te plegen. Verdachte dient daarom van dit feit vrijgesproken te worden. Met betrekking tot feit 2 is de verdediging van mening dat op grond van het dossier niet vast staat dat verdachte verantwoordelijk is voor de vernieling van de toiletunit. Op het moment dat verdachte het vuurwerk afstak, zag hij geen schade. Daarom dient hij ook van feit 2 vrijgesproken te worden. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 1 Op 31 december 2007 is door brand schade ontstaan aan het bijgebouw behorende bij het schoolgebouw gelegen aan het perceel Frankische Driehoek 2a te Goirle. Op houten planken in het bijgebouw lagen boeken en werkschriften en op de vloer lag projecttapijt . Op 3 januari 2008 meldt medeverdachte [naam medeverdachte] zich bij de politie om een verklaring af te leggen. Hij verklaart dat hij op 31 december 2007 vanaf 10.00 uur samen met verdachte op de Beatrixstraat te Goirle is geweest waar vuurwerk werd afgestoken. Ook zijn ze bij de Haspel geweest en heeft verdachte staan filmen. Later is [naam medeverdachte] thuis nog meer vuurwerk gaan halen en na 12.00 uur samen met medeverdachte [mededader2] naar verdachte gegaan. Zowel [mededader2] als [naam medeverdachte] hadden vuurwerk bij zich. Omstreeks 13.15 uur waren [naam medeverdachte], [mededader2] en verdachte aan de zijkant van de school De Bongerd. [naam medeverdachte] hield een vlinder, grondvuurwerk, tegen de school waarna [mededader2] met zwarte tape de vlinder vast plakte. Vervolgens stak [naam medeverdachte] de vlinder aan, waarna een knal volgde. Als gevolg van het vuurwerk was een gat in de muur ontstaan. Verdachte heeft dit voorval gefilmd met zijn camera. Vanuit de groep die een stuk verderop stond, klonk gejuich. Medeverdachte [mededader2] bevestigt deze verklaring van [naam medeverdachte]. Ongeveer een minuut later heeft [naam medeverdachte] een ground salute, eveneens grondvuurwerk, in het ontstane gat gelegd. Hij stak dit vuurwerk aan en hoorde weer een knal en ook nu hoorde hij direct gejuich van de groep. [naam medeverdachte], [mededader2] en verdachte liepen samen terug naar het gat en zagen dat het groter was geworden. [mededader2] verklaart dat hij na deze ontploffing zag dat er twee panelen los waren gekomen. Verdachte filmde ook deze ontploffing en de gevolgen daarvan. Ter zitting zijn deze videobeelden van het gebeurde bij de school vertoond en de rechtbank heeft zelf kunnen zien dat de verklaringen van [naam medeverdachte] en [mededader2] kloppen. Verdachte zelf verklaart dat de tape die werd gebruikt voor het afsteken van het vuurwerk bij basisschool Den Bongerd van hem is. Daarnaast verklaart hij dat hij beide ontploffingen heeft gefilmd en dat hij met zijn hand in het gat dat na de eerste ontploffing is ontstaan, is geweest om het groter te maken. Ook verklaart verdachte dat hij op 31 december 2007 vuurwerk heeft afgestoken. Tenslotte verklaart hij dat zijn stem op de ter zitting getoonde camerabeelden te horen is en dat hij na het ontstaan van het gat in de muur zegt: ‘we zijn binnen’. De rechtbank is, anders dan de verdediging, gelet op het bovenstaande in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat verdachte medeschuldig is aan de ontploffingen. Verdachte heeft daarbij een andere, geringere rol gehad dan [naam medeverdachte] en [mededader2], aangezien hij niet zelf het vuurwerk heeft bevestigd of aangestoken, maar hij was daar wel bij aanwezig en heeft het gefilmd. Daarbij was hij niet de onafhankelijke verslaglegger (zoals hij zichzelf kennelijk ziet), maar was hij zelf deelnemer aan het gebeuren. In dit verband is ook van belang dat verdachte die dag al langer met de mededaders op pad was en samen met hen eerst elders vuurwerk heeft afgestoken en dit ook heeft gefilmd, dan wel door hen is gefilmd toen hij zelf vuurwerk afstak. Vervolgens zijn zij gezamenlijk naar de school gegaan. Het moet voor verdachte duidelijk zijn geweest dat [naam medeverdachte] en [mededader2], toen zij (met het door hem meegenomen tape) vuurwerk aan het schoolgebouw vastplakten, van plan waren daarmee een ontploffing teweeg te brengen. Verdachte heeft niets ondernomen om het afsteken van het vuurwerk te voorkomen of te stoppen, integendeel, hij is door blijven filmen. Hij heeft zich op geen enkel moment gedistantieerd van wat er gebeurde, ook niet toen hij zag dat dit ernstige schade kon opleveren. Hij heeft het risico dat schade aan en gevaar voor de school zou kunnen ontstaan welbewust op de koop toegenomen. Verdachte is zelfs zowel na de eerste als na de tweede ontploffing naar het gebouw gelopen om het ontstane gat te filmen en hij heeft het ontstane gat in de muur met zijn hand groter gemaakt. Bovendien heeft verdachte, door het geheel te blijven filmen en daarbij ook te lachen - zoals op de film is te horen - de sfeer van ontremming die bij zijn vrienden heerste versterkt. In die sfeer van ontremming zijn zij overgegaan tot hetgeen ten laste is gelegd. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte welbewust heeft deelgenomen aan hetgeen er bij de school is gebeurd en dat hij daaraan ook een wezenlijke bijdrage heeft geleverd, zodat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, wat verdachte tot medepleger maakt van het teweeg brengen van ontploffingen door vuurwerk. In het dossier bevindt zich geen bewijs waaruit blijkt dat de ontstane brand het gevolg is van het afsteken van het vuurwerk door de mededaders van verdachte. Gelet op het tijdsverloop tussen het afsteken van het vuurwerk en de eerste waarnemingen van de brand en de vele personen die aanwezig waren op het schoolplein ook na het afsteken van het vuurwerk, valt niet uit te sluiten dat de brand een andere oorzaak had. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken worden. Feit 2 De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte van dit feit vrijgesproken dient te worden, omdat uit het procesdossier onvoldoende blijkt dat verdachte degene is geweest die de verplaatsbare toiletunit heeft vernield. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Feit 1 (primair) op tijdstipen op 31 december 2007 te Goirle tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk ontploffingen teweeg heeft gebracht aan of in een bijgebouw behorende bij het schoolgebouw (Den Bongerd) gelegen aan de Frankische Driehoek 2a, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen aldaar opzettelijk: -vuurwerk (een vlinder) aangebracht en vastgeplakt op een muur van dat bijgebouw en -(vervolgens) dat vuurwerk aangestoken en -(vervolgens) (grond)vuurwerk (ground salute) in (een gat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.