RECHTBANK BREDA Sector civiel recht Team familierecht Enkelvoudige Kamer Zaaknummer: 198336 FA RK 08-5901 Beschikking betreffende echtscheiding, in de zaak van [naam van de man], wonende te [woonplaats van de man], hierna te noemen de man, advocaat mr. A.J.W. Vugs, en [naam van de vrouw], wonende te [woonplaats van de vrouw], hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. W.G. Dictus. 1. Het verloop van het geding Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 31 december 2008 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het op 18 februari 2009 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen; - de op 24 maart 2009 ontvangen reactie op het zelfstandig verzoek met bijlagen; - de op 20 en 25 mei 2009 ontvangen brieven van de advocaat van de vrouw met bijlagen; - de op 20 mei 2009 ontvangen brief van de advocaat van de man met bijlagen; - de beschikking voorlopige voorzieningen van 9 december 2008; - het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 juni 2009. 2. De verzoeken De man verzoekt, naar de rechtbank begrijpt, samengevat, - echtscheiding; - vaststelling van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen. De vrouw verzoekt, naar de rechtbank begrijpt, samengevat, - echtscheiding; - vaststelling van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen; - vaststelling van een door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage van € 600,= per maand; - bepaling dat zij de huurster van de echtelijke woning zal zijn; - bepaling dat de dochter [naam dochter] haar hoofdverblijf zal hebben bij haar; - vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [naam dochter] van € 300,= per maand. 3. De beoordeling 3.1 Tussen partijen staat blijkens de stellingen en overgelegde stukken vast - dat zij op [huwelijksdatum] in de gemeente [plaats huwelijk] met elkaar zijn gehuwd; - dat zij uit dit huwelijk twee kinderen hebben; - dat de vrouw de Marokkaanse nationaliteit en de man de Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit bezit; - dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. 3.2 De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe aangezien ten tijde van de indiening van het verzoekschrift partijen hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland. Echtscheiding 3.3 Partijen hebben weliswaar beiden de Marokkaanse nationaliteit maar de man bezit tevens de Nederlandse nationaliteit. De man heeft wat betreft het toepasselijk recht ten aanzien van de echtscheiding een keuze voor het Marokkaans recht gemaakt. Met de man is ook de vrouw van mening dat het Marokkaans recht toepasselijk is. Nu de man ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij de sterkste band heeft met Marokko, zal de rechtbank terzake Marokkaans recht toepassen. Het verzoek tot echtscheiding ligt voor toewijzing gereed nu is gebleken dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en dat een verzoeningspoging tussen partijen door een bemiddelaar is mislukt. Verdeling gemeenschappelijke goederen 3.4 Voor zover het verzoek van partijen strekt tot verdeling van de huwelijksgoederen-gemeenschap, is daarop toepasselijk het Marokkaans recht aangezien partijen ten tijde van de huwelijkssluiting de Marokkaanse nationaliteit bezaten. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat het Marokkaans recht geen huwelijksgoederengemeenschap kent zodat het verzoek tot verdeling dient te worden afgewezen. Niet valt in te zien dat – zoals de man stelt – op grond van de redelijkheid en billijkheid het bestaan van een gemeenschap van goederen zou kunnen worden aangenomen. Voor zover de man op grond van de redelijkheid en billijkheid een verrekeningsplicht van de vrouw jegens de man aangewezen acht, heeft de man naar het oordeel van de rechtbank daartoe onvoldoende redengevende argumenten aangevoerd. Weliswaar voert de man in dit verband aan dat hij al twintig jaar als kostwinner voor de vrouw en de kinderen heeft gezorgd en dat van dit inkomen alle kosten werden betaald en voorts dat hij kredieten uitsluitend op zijn naam is aangegaan in het kader van gezins¬hereniging. Deze omstandigheden zijn echter niet zodanig uitzonderlijk dat deze een afwijking rechtvaardigen op het uitgangspunt van afwezigheid van elke huwelijks¬gemeenschap. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken dat er schulden op beider naam staan en dat de vrouw onbetwist heeft aangevoerd dat de schulden in 2001 zijn aangegaan zodat van de man had mogen worden verwacht dat hij de sindsdien verstreken tijd had aangewend om de schulden af te lossen. Overigens hebben partijen ten aanzien van de inboedel aangegeven dat er geen verdeling meer nodig is nu de inboedel reeds genoegzaam tussen partijen is verdeeld. Voorts hebben zij aangegeven dat ieder de op zijn/haar naam gestelde bankrekening behoudt. Huurrecht 3.5 Het verzoek tot het verkrijgen van het huurrecht wordt volgens Nederlands internationaal privaatrecht beheerst door Nederlands recht nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen. 3.6 Ter zitting heeft de man aanvullend mondeling verzocht om bepaling dat hij de huurder van de echtelijke woning zal zijn. De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen het in dit stadium indienen van het aanvullend verzoek. De rechtbank passeert in het licht van onderhavige verzoekschriftprocedure, die in beginsel aan minder vormen is gebonden dan de dagvaardingsprocedure, het bezwaar van de vrouw nu zij niet onredelijk is belemmerd in de mogelijkheid tot het voeren van verweer en ook overigens ter zitting feitelijk verweer heeft gevoerd. 3.7 Terzake de woning stelt de man dat hij langer dan de vrouw in de echtelijke woning heeft gewoond. Eerst bij voorlopige voorzieningen heeft de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning toegewezen gekregen en was hij genoodzaakt naar een andere woonruimte uit te zien. De man kan zijn huidige woning echter maar zes maanden bewonen omdat dit een sloopwoning is. Voorts staat de vrouw veel langer ingeschreven voor andere woonruimte, aldus de man. 3.8 De vrouw stelt dat zij sedert december 2008 met de dochters in de echtelijke woning verblijft. De man heeft al een huurcontract voor een andere woning. Voor zover de man een andere woonruimte zal moeten zoeken, zal dat voor hem gemakkelijker zijn dan voor de vrouw en de twee bij haar verblijvende dochters, aldus de vrouw. 3.9 De rechtbank overweegt dat beide partijen een te respecteren belang hebben bij het gebruik van de echtelijke woning. De rechtbank acht echter noch het argument van de vrouw dat de man reeds een huurcontract heeft voor een andere woning, noch het argument van de man dat hij langer in de woning heeft gewoond van voldoende gewicht om de woning aan de vrouw dan wel aan de man toe te wijzen. Ook overigens zijn tussen partijen geen argumenten aangevoerd die toewijzing aan de man dan wel de vrouw kunnen rechtvaardigen zodat de rechtbank in dit specifieke geval rekening zal houden met de belangen van de (jong-) meerderjarige kinderen van partijen. Nu uit de als produktie 10 en 11 bij verweerschrift overgelegde verklaringen van de dochters van partijen blijkt dat zij gezien het moeizame samenwonen van hen met de man een voorkeur hebben voor samenwonen met de vrouw, zal de rechtbank het belang van de vrouw en de kinderen bij het gebruik van de woning laten prevaleren boven dat van de man en bepalen dat zij de huurster van de echtelijke woning zal zijn. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat met de vrouw moet worden aangenomen dat de man eerder erin zal slagen vervangende woonruimte te vinden voor hem alleen dan de vrouw voor haar en de bij haar verblijvende kinderen. Overigens is tussen partijen ter zitting overeengekomen dat de man nog € 141,61 zal voldoen aan de vrouw terzake de verschuldigde huur van december 2008. Hoofdverblijf van [naam dochter] 3.10 Op de voorziening met betrekking tot het hoofdverblijf van [naam dochter] is het Nederlands recht toepasselijk als het recht van de gewone verblijfplaats van het betrokken kind. In haar verzoek tot vaststelling van het hoofdverblijf van de jong-meerderjarige [naam dochter] is de vrouw niet-ontvankelijk. [naam dochter] is immers na indiening van het verzoekschrift meerderjarig geworden, zodat de rechtbank ten aanzien van haar geen voorzieningen meer kan treffen, met uitzondering van het onder rechtsoverweging 3.11 te behandelen verzoek met betrekking tot de onderhoudsbijdrage, nu [naam dochter] haar moeder in deze heeft gemachtigd en de man ter zitting uitdrukkelijk heeft ingestemd met de behandeling van dat verzoek. Onderhoudsbijdrage [naam dochter] en de vrouw 3.11 Op de voorziening met betrekking tot een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [naam dochter] is het Nederlands recht toepasselijk als het recht van de gewone verblijfplaats van het betrokken kind. Op het verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw is in beginsel van toepassing het Marokkaans recht nu dit recht van toepassing is op het echtscheidingsverzoek. De vrouw heeft aangevoerd dat in casu toepassing moet worden gegeven aan artikel 11 lid 1 van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 2 oktober 1973 (Trb. 1974, 86), verder te noemen het verdrag. De vrouw stelt dat toepassing van Marokkaans recht leidt tot strijd met de openbare orde in de zin van artikel 11 lid 1 van het verdrag. Volgens de vrouw is het feit dat zij naar Marokkaans recht geen aanspraak kan maken op alimentatie in strijd met het doel van het verdrag. De vrouw is dan immers aangewezen op bijstand door de Nederlandse staat. Voorts acht zij toepassing van Marokkaans recht in strijd met het humanitaire doel van steun en bijstand tussen de echtgenoten. De man stelt dat aan artikel 8 van het verdrag onverkort toepassing moet worden gegeven. De vrouw is jong, gezond en heeft geen minderjarig(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.