RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 997502-08 vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 7 oktober 2009 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [datum en plaats] wonende te [adres] raadsman mr. Stassen, advocaat te Tilburg 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 september 2009, waarbij de officier van justitie, mr. Melssen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: samen met anderen een hondenfokkerij heeft gehad terwijl die niet was aangemeld bij de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) danwel dat zij samen met anderen een hondenfokkerij heeft gehad terwijl niet aan de eisen van het Honden- en Kattenbesluit werd voldaan; Feit 3: samen met anderen de diergeneesmiddelen Primodog, Eurican en DA2PV12-LCI voorhanden heeft gehad; Feit 4: samen met anderen dierenpaspoorten heeft vervalst door valselijk in de dierenpaspoorten aan te tekenen dat de dierenarts een klinisch onderzoek had verricht en dat de hond door een dierenarts was gevaccineerd/geënt danwel dat verdachte gebruik heeft gemaakt van deze vervalste dierenpaspoorten. 3 De voorvragen De geldigheid van de dagvaarding. De verdediging heeft betoogd dat de tenlastelegging partieel nietig dient te worden verklaard nu feit 4 onvoldoende feitelijk is omschreven. Volgens de raadsman van verdachte is onduidelijk op welke dierenpaspoorten de tenlastelegging precies doelt. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging moet worden gelezen in samenhang met het procesdossier en dat voldoende duidelijk is dat deze is toegespitst op de paspoorten die bij verdachte en bij de getuigen in beslag zijn genomen en die door de officier van justitie aan het dossier zijn toegevoegd. De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voldoende feitelijk omschreven is en ook overigens aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering voldoet. De dagvaarding is daarom geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie Feit 1 De officier van justitie acht bewezen dat verdachte samen met verdachte [mededader 1] en verdachte [mededader 2] een hondenfokkerij heeft gehad zonder dat deze inrichting was aangemeld bij de Minister van LNV. Zij baseert zich daarbij op het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat er geen registratie van de hondenfokkerij bekend is en de verklaringen van verdachte en haar medeverdachten. De omstandigheid dat een dubbele bedrijfsregistratie op één UBN-nummer (fiscale) problemen zou opleveren voor verdachte doet daar volgens de officier van justitie niet aan af. De verklaring van verdachte [mededader 1] dat hij niet wist dat de hondenfokkerij niet was geregistreerd acht de officier van justitie onaannemelijk. Feit 3 De officier van justitie acht eveneens bewezen dat verdachte samen met haar echtgenoot [mededader 1] entstoffen in voorraad heeft gehad. Zij heeft daarbij verwezen naar de lijst met in beslag genomen goederen, de processen-verbaal met de beschrijvingen van de entstoffen en de registraties van de diergeneesmiddelen in combinatie met de aangetroffen injectienaalden en entstofstickers. De omstandigheid dat de houdbaarheidsdatum van de entstoffen zou zijn overschreden, heeft volgens de officier van justitie geen consequenties voor de status ex artikel 29 van de Diergeneesmiddelenwet. Gelet op de onderlinge verhoudingen binnen het bedrijf is de officier van justitie van mening dat verdachte dit feit samen met verdachte [mededader 1] heeft gepleegd. Feit 4 Tot slot acht de officier van justitie bewezen dat verdachte zich samen met verdachte [mededader 1] schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken van dierenpaspoorten door ten onrechte aan te tekenen dat een dierenarts klinisch onderzoek heeft verricht en heeft geënt. Getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] verklaren over de onjuistheid van de dierenpaspoorten die zij hebben gekregen bij de aankoop van hun hond. Tevens zijn bij de doorzoeking op het bedrijf diverse dierenpaspoorten aangetroffen waaruit blijkt dat deze op eenzelfde manier zijn ingevuld. Verdachten hebben hierover geen opheldering gegeven. Zij verklaren inconsistent, bijvoorbeeld over welke dierenarts de entingen heeft gedaan en de klinische onderzoeken heeft verricht. Gelet op de bijzonderheden omtrent de paspoorten in combinatie met de overige bevindingen tijdens het onderzoek is de officier van justitie van mening dat er in het geheel geen dierenarts aan te pas is gekomen, noch bij de entingen, noch bij het klinisch onderzoek terwijl dit wel op de dierenpaspoorten staat vermeld. 4.2 Het standpunt van de verdediging Allereerst heeft de raadsman betoogd dat alleen verdachte verantwoordelijk is voor de hondenfokkerij en dat de medeverdachten niet als medeplegers kunnen worden aangemerkt. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte medische klachten had op de dag dat ze werd verhoord door de politie maar dat zij desondanks verklaringen heeft afgelegd. Deze verklaringen zijn ook niet door verdachte ondertekend. Gezien haar toestand kan aan de juistheid van deze verklaringen worden getwijfeld zodat deze niet mee kunnen worden genomen voor het bewijs. Feit 1 De raadsman heeft aangevoerd dat er geen sprake is geweest van het opzettelijk niet registreren van de hondenfokkerij. In het uiterste geval is er volgens hem sprake geweest van het nalaten van een louter administratieve verplichting. Feit 3 De raadsman heeft betoogd dat verdachte niet wist dat de flesjes met entstoffen in het kastje in de keuken stonden. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de houdbaarheidsdatum al minimaal twee jaar verstreken was zodat deze vloeistoffen niet meer geschikt zijn voor de functies van een diergeneesmiddel en dus niet meer kan worden gesproken van een diergeneesmiddel in de zin van artikel 1 van de Diergeneesmiddelenwet. Het ging volgens de raadsman om afval nu de Europese Afvalstoffenwetgeving bepaalt dat geneesmiddelen waarvan de houdbaarheidsdatum is overschreden onder afval vallen. De verdediging is van mening dat vrijspraak dient te volgen. Feit 4 De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de valsheid in geschrift nu er geen sprake is van dierenpaspoorten volgens het wettelijke model. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat de entingsbewijzen niet vals waren nu op geen enkele wijze kan worden aangetoond dat de dieren waarvoor entstofstickers zijn afgegeven niet zouden zijn geënt danwel dat deze dieren niet klinisch zouden zijn onderzocht. Dat de entstofstickers wellicht niet op de juiste wijze zijn afgegeven, bijvoorbeeld zonder naam en adres van de dierenarts, maakt de stickers nog niet vals, hooguit onvolledig. Blijkens verklaringen van getuige [getuige 4] kwam er wel degelijk een dierenarts. Verdachte wist niet beter dan dat dit een bevoegde en kundige dierenarts was. Ten aanzien van de nog niet volledig ingevulde dierenpaspoorten stelt de raadsman dat niet kan worden bewezen dat er een oogmerk was om deze te gaan gebruiken. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 1 Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 15 april 2008 aan de [adres] honden heeft gefokt. De pups werden vervolgens verkocht, met name via www.marktplaats.nl. Zij geeft toe dat zij heeft geprobeerd haar bedrijf te registreren bij de Minister van LNV, maar dat dit niet is gelukt. De verbalisanten hebben ook geconstateerd dat de hondenfokkerij aan de [adres] niet stond geregistreerd bij de Minister. Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte een hondenfokkerij heeft gehad welke niet was aangemeld bij de Minister van LNV. De verklaring van verdachte dat zij heeft geprobeerd om zich aan te melden maar dat dit niet is gelukt omdat zij geen gebruik wilde maken van het UBN-nummer van het bedrijf van haar man doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Op het moment dat bleek dat een tweede UBN-nummer op eenzelfde adres niet mogelijk was, is het de welbewuste keuze van verdachte geweest om zonder dat de registratie tot stand was gekomen toch honden te fokken. Verdachte heeft daarmee in strijd met de wet gehandeld. medeplegen De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte dit feit alleen heeft gepleegd of samen met anderen. Daartoe stelt de rechtbank het volgende vast. [mededader 1] heeft verklaard dat hij een stuk of 50 moederhonden verzorgt en dat hij nog wat doet in de handel in honden . In zijn tweede verhoor zegt hij dat hij zijn vrouw helpt met de verzorging van de honden, dat hij de honden voert en dat hij de hokken uitdoet . Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat zij een hondje heeft gekocht bij [mededader 1]. Zij heeft toen gesproken met [voornaam mededader]. Hij liet haar de hondjes zien en wist te vertellen dat de pup 8 weken oud was. De vrouw van [mededader 1] (de rechtbank begrijpt: verdachte) heeft vervolgens de entingspapieren gehaald. Ook getuige Elissen-Schreuders heeft bij [mededader 1] een hondje gekocht. Hij heeft haar de hondjes laten zien in de schuur en verteld wat het hondje moest kosten. Verdachte heeft bij de politie bevestigd dat haar man de verkoop van de honden regelt en dat zij de papierwinkel doet . De getuige [getuige 1] heeft een pup gekocht waarbij zowel de heer [mededader 1] als zijn vrouw betrokken waren . Op een visitekaartje dat bij hem in beslag is genomen , staat “[namen daders]” en “in- en verkoop” met daarbij afbeeldingen van een paard en van een hond Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte het feit samen met haar man heeft gepleegd. Het bedrijf is eigendom van verdachte, maar zij en haar man waren beiden actief binnen het bedrijf en hadden daarin een taakverdeling. Voor het medeplegen door [mededader 2] is onvoldoende bewijs. betrouwbaarheid verklaringen verdachte De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van verdachte zoals zij deze bij de politie heeft afgelegd onbetrouwbaar zijn gezien de omstandigheden waaronder deze zijn afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat voorzichtigheid moet worden betracht bij het gebruik van de verklaringen van verdachte bij de politie voor het bewijs. Verdachte had ten tijde van de verhoren medische klachten en zij heeft de verklaringen niet ondertekend. Echter, de processen-verbaal van de verklaringen zijn wel op ambtseed opgemaakt en de delen van de verklaringen die de rechtbank heeft gebruikt voor het bewijs worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank acht die delen van de verklaringen dan ook niet onbetrouwbaar. opzet Of verdachte het feit al dan niet opzettelijk heeft gepleegd doet niet ter zake aangezien het feit een overtreding betreft (ingevolge artikel 3 van het Honden- en Kattenbesluit juncto artikel 56 van de gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren juncto artikel 1 sub 4 en artikel 2 lid 4 van de Wet op de Economische Delicten). De rechtbank passeert daarom het verweer van de raadsman dat het feit niet opzettelijk is gepleegd. Feit 3 Op 27 maart 2008 zijn in de toenmalige woning van verdachte aan de [adres] 36 flacons met entstoffen aangetroffen in de koelkast in de aanbouw . Het ging om 20 volle flesjes Primodog (registratienummer Nl 8048) en 8 volle flesjes Eurican en 8 volle flesjes DA2PV12-LCI (registratienummer NL 9447) . Deze entstoffen zijn UDD diergeneesmiddelen in de zin van artikel 29 van de Diergeneesmiddelenwet en mogen alleen door dierenartsen worden gebruikt en geleverd . De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze feiten en omstandigheden wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte en haar man deze diergeneesmiddelen voorhanden hebben gehad. De stelling van verdachte ter zitting dat de flesjes in een oud nachtkastje lagen, is onjuist. Uit het beslagnummer, in combinatie met de situatieschets blijkt dat ze in een koelkast stonden. Aangezien verdachte en haar man allebei in het huis woonden moeten -nu uit feiten of omstandigheden niet anders blijkt- zij hebben geweten dat deze volle flesjes met entstoffen in hun koelkast stonden. Gezien de grote hoeveelheid aangetroffen volle flesjes entstof acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat het een slordigheid van de dierenarts betreft, ongeloofwaardig. diergeneesmiddel De raadsman heeft aangevoerd dat de entstoffen de uiterste houdbaarheidsdatum hadden overschreden en dat het daarom geen diergeneesmiddelen meer zouden zijn maar afvalstoffen. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat deze substanties op zich bestemd zijn om te worden gebruikt voor de in artikel 1 van de Diergeneesmiddelenwet genoemde aanwendingen bij dieren en daarom vallen onder de definitie van diergeneesmiddel opgenomen in dat artikel. Het enkele feit dat de houdbaarheidsdatum is verstreken maakt dat niet anders. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de middelen die in de koelkast zijn aangetroffen wel degelijk diergeneesmiddelen zijn in de zin van artikel 1 van de Diergeneesmiddelenwet. Tot slot overweegt de rechtbank dat de middelen misschien in juridische zin ook als “afval” kunnen of moeten worden aangemerkt nu de uiterste houdbaarheidsdatum is overschreden, maar dat dit niet uitsluit dat het ook nog steeds diergeneesmiddelen zijn. Feit 4 De rechtbank stelt voorop dat het blijkens de tenlastelegging niet gaat om het vervalsen van officiële dierenpaspoorten volgens een wettelijk voorgeschreven model, maar om het vervalsen in een geschrift van verklaringen over klinisch onderzoek en inenting door een dierenarts. Die verklaringen zijn in dit geval gegoten in de vorm van een boekje met als opschrift “dierenpaspoort”. Hierna zal de rechtbank ook deze term gebruiken. Bij verdachte aan de [adres] is een dierenpaspoort aangetroffen met nummer 528-31-S108711 . Op dit dierenpaspoort zijn nog geen gegevens van het huisdier ingevuld. Wel staat er al met pen in geschreven dat het een hond betreft en staat er al in geschreven “vader…., moeder…., …… voor de …keer ontwormd met Dolthene. Er is ruimte opengelaten om de naam van de vader en de moeder van de hond in te vullen, de datum van de ontworming en het aantal keren dat de hond is ontwormd. In dit boekje staat genoteerd dat er een klinisch onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de hond is geënt. De sticker van de entstof is ook in het boekje geplakt en voorzien van een handtekening. De datum van het klinisch onderzoek, de entingsdatum en de naam, het adres en de stempel van een dierenarts ontbreken. In het huis van verdachte zijn daarnaast diverse vellen met entstofstickers aangetroffen . Op het bureau in het kantoor/keuken van het woonhuis is een vel met entstofstickers met batchnummer 1BEQ aangetroffen . Deze stickers komen overeen met de entstofsticker die is gebruikt in het dierenpaspoort 528-31-S108711 . Op grond van deze feiten en omstandigheden staat voor de rechtbank vast dat dit dierenpaspoort dat bij verdachte is aangetroffen vooraf is ingevuld terwijl nog niet bekend was bij welke hond dit dierenpaspoort zou gaan behoren. In het dierenpaspoort staat dus in strijd met de waarheid vermeld dat een klinisch onderzoek heeft plaatsgevonden en dat een enting is toegediend. De rechtbank stelt vervolgens vast dat op de dierenpaspoorten die in beslag zijn genomen bij getuigen [getuige 1] , [getuige 2] [getuige 3] dezelfde handtekening is gebruikt als op het dierenpaspoort met nummer 528-31-S108711 . Daarnaast staat op de dierenpaspoorten van [getuige 1], Van de Horst en [getuige 3] ook geen naam, adres of stempel van de dierenarts vermeld. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat de dierenpaspoorten die in beslag zijn genomen bij getuigen [getuige 1] [getuige 2]t inderdaad van haar bedrijf afkomstig zijn omdat er een sticker op de voorkant zit of in ieder geval heeft gezeten. Zij zegt dat de handtekeningen in de boekjes afkomstig zijn van dierenarts [naam arts] uit Poppel, die al vele jaren voor haar de onderzoeken en inentingen deed en voor het laatst in februari 2008 is geweest. Echter, de handtekening waarvan verdachte zegt dat het de handtekening van [naam arts] is, komt niet overeen met de handtekening die onder de verklaring van [naam dierenarts] staat . Opvallend daarbij is dat verdachte spreekt over [naam arts], terwijl deze dierenarts blijkens zijn stempel [naam dierenarts met andere voornaam] heet. Bij verdachte aan de [adres] zijn ook nog diverse andere dierenpaspoorten aangetroffen zoals het Europese dierenpaspoort met nummer 528-31-S107875 . De rechtbank stelt vast dat in dit dierenpaspoort dezelfde handtekening is gebruikt als in de onder de getuigen in beslag genomen dierenpaspoorten. Tevens is geen naam of stempel van de dierenarts in het dierenpaspoort geplaatst terwijl er wel staat vermeld dat een klinisch onderzoek heeft plaatsgevonden en er een entstofsticker in het boekje is geplakt. Op het bureau in het kantoor/keuken van het woonhuis van verdachte is een vel met entstickers Virbagen Puppy 2b Virbac Ch-B nr. 184 N aangetroffen . Deze stickers komen overeen met de entstofsticker die is gebruikt in het dierenpaspoort met nummer 528-31-S107875 . Het dierenpaspoort doc 61 nummer 6 is ook bij verdachte thuis in beslag genomen . De rechtbank stelt vast dat in dit dierenpaspoort dezelfde handtekening is gebruikt als in de onder de getuigen in beslag genomen dierenpaspoorten. Tevens staat in dit paspoort een stempel van dierenarts [naam dierenarts met andere voornaam] d.d. 30-1-2003 welke stempel ook staat vermeld in het dierenpaspoort doc 20 d.d. 25-3-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.