RECHTBANK BREDA Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 09/2547 Uitspraakdatum: 28 september 2009 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [eiseres], gevestigd te Bergen op Zoom, eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst Zuidwest/kantoor Roosendaal, verweerder. Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de inspecteur van 11 mei 2009 op het bezwaar van belanghebbende tegen tegen de door haar over het tijdvak 1 september 2008 tot en met 30 september 2008 op aangifte voldane omzetbelasting. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2009 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende in de persoon van de financieel manager [naam], vergezeld van haar gemachtigde [naam], verbonden aan Deloitte Belastingadviseurs BV te ’s-Gravenhage, alsmede namens de inspecteur, [naam]. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht. 1.Beslissing De rechtbank: -verklaart het beroep gegrond; -vernietigt de uitspraak op bezwaar; -verleent teruggave van € 71.732; -veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 805, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden; -gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 297 aan deze vergoedt. 2.Gronden 2.1.Belanghebbende, een woningcorporatie, heeft aan de [adres] te [plaatsnaam] een onroerende zaak verworven. Het pand dat hierop stond, is gesloopt en belanghebbende heeft een nieuw gebouw met 6 appartementen en 6 parkeerplaatsen (hierna: het complex) gerealiseerd. De appartementen kwalificeren als woningen. Belanghebbende heeft geen voorbelasting in aftrek gebracht ter zake van de bouw van het complex. 2.2.Het complex is verhuurd aan stichting [naam stichting] ([naam stichting]), die de woningen verhuurt aan personen die zelfstandig wonen, maar in beperkte mate ondersteuning behoeven (de huurders). Die ondersteuning wordt verstrekt door personeel van [naam stichting] vanuit een woonvoorziening in de directe omgeving. 2.3.Belanghebbende heeft op 26 juni 2008 overleg gevoerd over het achterwege laten van de integratieheffing (artikel 3, lid 3, onderdeel b, van de Wet op de omzetbelasting 1968, hierna: wet OB) voor de gepleegde nieuwbouw. Afgesproken is dat belanghebbende de integratieheffing zou opnemen in de aangifte en bezwaar zou maken. Belanghebbende heeft op de aangifte over september 2008 € 172.900 omzetbelasting betaald, waarvan € 71.732 betrekking had op de integratieheffing voor het complex. Tegen de voldoening op aangifte is bezwaar ingediend. 2.4. In geschil is het antwoord op de vraag of de regeling van artikel 3, derde lid, onderdeel b, van de Wet OB van toepassing is. Belanghebbende heeft onder meer een beroep gedaan op het Besluit van van de Staatssecretaris van Financiën van 30 november 1994, nr. VB 94/3619 (Mededeling 26). 2.5.Mededeling 26, onder meer gepubliceerd in V-N 1994, blz. 3873 e.v., luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt: “§ 1. Inleiding Woningcorporaties, gemeentelijke woningbedrijven, pensioenfondsen en dergelijke instellingen, die ingevolge artikel 11, lid 1, onderdeel b, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de wet) vrijstelling van die belasting genieten ter zake van de verhuur van woningen, zijn ingevolge artikel 3, lid 1, onderdeel h, van de wet omzetbelasting verschuldigd over het bedrag exclusief omzetbelasting dat voor de in hun opdracht op door hen ter beschikking gestelde grond gebouwde woningen zou moeten worden betaald, indien zij op het tijdstip van de levering zouden worden voortgebracht in de toestand waarin zij zich op dat tijdstip bevinden. (...). § 2. Achterwege laten van integratieheffing Ik keur goed dat woningcorporaties, gemeentelijke woningbedrijven, pensioenfondsen en dergelijke instellingen ten aanzien van de verhuur van de door hen of in hun opdracht gebouwde woningen de toepassing van artikel 3, lid 1, onderdeel h, van de wet achterwege laten, indien wordt afgezien van het recht, de omzetbelasting die betrekking heeft op de aankoop van de grond en de bouw van de woningen in aftrek te brengen. In dit verband dienen onder "dergelijke instellingen" te worden verstaan lichamen die zonder winstoogmerk en met het oog op een sociale doelstelling woningen verhuren.(...). De faciliteit is uitsluitend van toepassing op de verhuurde woningen. Dit brengt onder meer mede, dat artikel 3, lid 1, onderdeel h, van de wet niet buiten toepassing kan blijven voor zover de betreffende zaak wordt gebezigd ten behoeve van eigen huisvesting. § 3. Ziekenhuizen en bejaardentehuizen Het onder de punten 1 en 2 gestelde kan op overeenkomstige wijze worden toegepast door exploitanten van ziekenhuizen en bejaardentehuizen, met dien verstande dat de faciliteit in voorkomende gevallen van toepassing is op het gehele ziekenhuis respectievelijk bejaardentehuis, inclusief het gedeelte daarvan dat voor eigen huisvesting is bestemd. (...).” 2.6.Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van Mededeling 26 toepassing van de integratieheffing achterwege zou zijn gebleven (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.