RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE, nevenzittingplaats BREDA Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 09/2195 Uitspraakdatum: 19 oktober 2009 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [eiser], wonende te [plaatsnaam], eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Roosendaal, verweerder. Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de inspecteur van 22 oktober 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2004 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (aanslagnummer: [nummer]H.46). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2009 te Bergen op Zoom. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede namens de inspecteur, [namen]. 1.Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. 2.Gronden 2.1.Belanghebbende heeft de Belgische nationaliteit, is in het onderhavige jaar woonachtig in Nederland en in loondienst werkzaam voor de Vlaamse overheid, die haar zetel in Brussel, België, heeft. Belanghebbende is binnenlands belastingplichtige, waardoor zijn gehele inkomen op grond van de Nederlandse wetgeving aan de heffing is onderworpen. Echter, ingevolge artikel 19, paragraaf 1, onderdeel a, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België 2001 (hierna: het Verdrag) is het heffingsrecht, met betrekking tot het inkomen uit België, toegewezen aan België. Nederland verleent aftrek ter voorkoming van dubbele belasting op grond van artikel 23, paragraaf 2, onderdeel b, van het Verdrag. 2.2.De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag het belastbaar inkomen uit werk en woning in box 1 verhoogd met het door belanghebbende van de Vlaamse overheid ontvangen bedrag van € 18.264 aan expatriatievergoeding (hierna: de vergoeding) . Tegelijkertijd heeft hij voor het gehele belastbaar inkomen uit werk en woning, inclusief de vergoeding, aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend. Door de verhoging van het inkomen is het recht op een teruggaaf op grond van de algemene compensatieregeling, zoals opgenomen in artikel 27, paragraaf 1, van het Verdrag, komen te vervallen. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslag gehandhaafd. Partijen zijn het erover eens dat belanghebbende behoort tot de groep personen waarop artikel 27, paragraaf 1, van het Verdrag van toepassing is. De rechtbank sluit zich hier, gelet op de wettelijke uitbreiding van het toepassingsbereik van deze bepaling in artikel 1a van de Goedkeuringswet van het Verdrag, bij aan. 2.3.In geschil is of de vergoeding in Nederland tot het loon moet worden gerekend, waardoor geen recht bestaat op een teruggaaf op grond van de algemene compensatieregeling (hierna: de algemene compensatie). Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, nu de vergoeding in België ook niet tot het inkomen wordt gerekend. Niet in geschil is dat de vergoeding een vaste maandelijkse vergoeding betreft ter bestrijding van extra kosten die het verblijf in Nederland met zich meebrengt. 2.4.De rechtbank zal allereerst de vraag beantwoorden of de vergoeding tot het belastbaar inkomen uit woning en werk behoort. Op grond van artikel 15d jo artikel 15a van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) en artikel 47 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 behoren vaste vergoedingen slechts dan niet tot het loon, voor zover deze per kostencategorie naar aard en veronderstelde omvang van de kosten zijn gespecificeerd en daaraan voorts - op verzoek van de inspecteur – een steekproefsgewijs onderzoek van de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt. Nu belanghebbende geen specificatie, zoals hiervoor bedoeld, heeft overgelegd, is hij er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat sprake is van een belastingvrije vergoeding. Dit houdt in dat de inspecteur de vergoeding terecht in het belastbaar inkomen uit werk en woning begrepen heeft. Het beroep van belanghebbende, in het kader van het gelijkheidsbeginsel, op de regeling waarbij aan Nederlandse ambtenaren die worden uitgezonden naar het buitenland een belastingvrije vergoeding van 30% wordt toegestaan (artikel 15a, eerste lid, onderdeel j, van de Wet LB jo. artikelen 8 en 9 van het Uitvoeringsbesluit LB 1965) faalt, nu belanghebbende rechtens en feitelijk in een niet vergelijkbare situatie verkeert met de genoemde Nederlandse ambtenaren. 2.5.Vervolgens is de vraag aan de orde of voor de toepassing van het Verdrag en meer in het bijzonder, ter berekening van de algemene compensatie, de vergoeding in het inkomen begrepen dient te worden. De inspecteur vindt van wel. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de vergoeding niet tot het inkomen behoort, nu deze in België ook onbelast is. 2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.