← Nederland

ECLI:NL:RBBRE:2009:BK5751

RECHTBANK BREDA Parketnummer: 02/801209-09 Beslissing op het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep in de zaak tegen: [verdachte], geboren op [datum en plaats], wonende te Z.V.W.O.V.H.T.L.,

  1. De procedure. De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: - de appelakte d.d. 23 november 2009; - de appelschriftuur d.d. 23 november 2009; - het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer, waaruit blijkt dat de officier van justitie en de raadsman zijn gehoord. De betrokkene is niet verschenen.
  2. De beoordeling. 2.1.Bij beslissing van 20 november 2009 heeft de RC de inverzekeringstelling van verdachte onrechtmatig geoordeeld en de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte bevolen. Daartoe heeft de RC overwogen dat op basis van het proces-verbaal niet kan worden vastgesteld dat de aanhouding van verdachte rechtmatig is verlopen; niet kan worden vastgesteld dat verdachte voorafgaande aan het wapengebruik op enigerlei wijze is gewaarschuwd, terwijl ook uit niets blijkt dat sprake was van een zodanige dreiging dat het afgeven van een waarschuwing in de gegeven omstandigheden niet tot de mogelijkheden behoorde. 2.2.De officier van justitie heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de raadkamer van de rechtbank. De officier van justitie heeft - kort gezegd- aangevoerd dat disproportioneel geweld bij de aanhouding in het algemeen geen rechtstreeks verband houdt met de inverzekeringstelling en derhalve niet aan de rechter-commissaris kan worden voorgelegd in het kader van de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling. Tijdens de behandeling in raadkamer heeft de officier van justitie daar - onder overlegging van een aanvullend proces-verbaal- aan toegevoegd dat er bovendien wel een waarschuwingsschot is gegeven en dat zeker nog niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van disproportioneel geweld. In de loop van de procedure moet dit verder worden uitgezocht, maar niet kan worden gezegd dat er sprake is van een onrechtmatige aanhouding. 2.3.De raadsman heeft tijdens de behandeling betoogd dat de beslissing van de RC een juiste beslissing is geweest en dat ook al zou uit dit aanvullend proces-verbaal blijken dat een waarschuwingsschot is gelost er niettemin sprake is van disproportioneel geweld en dat gehandeld is in strijd met de ambtsinstructie van de politie en de politiewet. 2.4.Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een onrechtmatige inverzekeringstelling dient de RC te beoordelen: - of degene die in verzekering is gesteld iemand is te wiens aanzien uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van een schuld aan een stafbaar feit voortvloeit; - of er sprake is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten; - of de inverzekeringstelling in het belang van het onderzoek is; - of de met betrekking tot de inverzekeringstelling in de wet neergelegde vormvoorschriften in acht zijn genomen; - of de inverzekeringstelling niet op andere gronden, bij voorbeeld wegens strijd met de goede procesorde, onrechtmatig is. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat -gelet op onder meer de uitspraak van de HR van 30 maart 2004, NJ 2004, 376- het bij uitstek aan de RC is rechtsgevolgen te verbinden ten aanzien van de voortzetting van de vrijheidsbeneming indien er sprake is van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek die betrekking hebben op de toepassing van dwangmiddelen. Kern van de zaak is of de RC onderzoekt of er sprake is geweest van een behoorlijk optreden van de autoriteiten die met de opsporing van het strafbare feit zijn belast. 2.5.Ter toetsing van de rechtbank staat of de RC, gelet op de gegevens die haar ten dienste stonde, en gelet op bovengenoemde criteria, heeft kunnen oordelen dat er sprake is geweest van een onrechtmatige aanhouding en derhalve van een onrechtmatige inverzekeringstelling. 2.6.De rechtbank stelt voorop dat bij een schietincident als dit door de politie alle prioriteit moet worden gegeven aan het verduidelijken van de omstandigheden waaronder is geschoten. Uiteraard vergt dit een zorgvuldig onderzoek en er mogen niet te voorbarig conclusies worden getrokken. De rechtbank stelt evenwel vast dat op het moment dat de RC zich een oordeel moest vormen over de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling er zich slechts een kort proces-verbaal in het dossier bevond waarin stond vermeld dat een verdachte met een geweldsmiddel was aangehouden. Het dossier bevatte geen verdere informatie over de vraag onder welke omstandigheden er was geschoten en waarom. Inmiddels waren er ruim twee dagen verstreken. Genoeg tijd om een proces-verbaal te maken, waarin door de betreffende politieagenten was geverbaliseerd wat er tijdens de aanhouding was gebeurd. Tijdens het verhoor door de RC bevond verdachte zich in het ziekenhuis. Hij was ten gevolge van een politiekogel gewond geraakt. Uit de overige processen-verbaal maakt de rechtbank op dat er een ramkraak had plaatsgevonden aan de Noordhaven te Zevenbergen. De auto waarin verdachte zich bevond is door de politie aangehouden omdat bij de politie het vermoeden bestond dat die auto bij deze ramkraak betrokken was. Deze auto is vervolgens klemgereden. In de auto zaten drie mannen, allen droegen een bivakmuts. Uit het door de officier van justitie in hoger beroep overgelegde proces-verbaal zit een wat gedetailleerder proces-verbaal. Hieruit maakt de rechtbank op dat twee van de drie mannen vervolgens probeerden aan de aanhouding te ontkomen door weg te vluchten. Hierbij is door de politie -na een waarschuwingsschot- geschoten; verdachte is hierdoor gewond geraakt. 2.7.Gelet op het hiervoorgenoemde criteria is de rechtbank van oordeel dat de RC heeft kunnen oordelen dat op basis van de naar voorliggende stukken niet kon worden vastgesteld dat de aanhouding rechtmatig was en er dus sprake is geweest van een onrechtmatige aanhouding en dus van een onrechtmatige inverzekeringstelling. Immers uit de haar ten dienste staande gegevens kon zij niet afleiden onder welke omstandigheden verdachte gewond was geraakt. Wel werd ze geconfronteerd met een door een politiekogel verwonde verdachte. 2.8.Daarbij merkt de rechtbank op of er sprake is van disproportioneel geweld dan wel of er sprake is van een handeling door de politie die tegen de ambtsinstructie en de politiewet indruist op dit ogenblik niet definitief is vast te stellen. Daarvoor is de informatie te gering en is nader onderzoek nodig. Ook met het nadere proces-verbaal dat door de officier van justitie is overgelegd kan dit niet worden vastgesteld. 2.9.Het hoger beroep dient mitsdien te worden verworpen.
  3. De beslissing. De rechtbank verwerpt het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep. Deze beslissing is gegeven op 4 december 2009 door mr Janssen, voorzitter, en mrs Rijken en van Breugel, rechters in tegenwoordigheid van Jacet, griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.