vonnis RECHTBANK BREDA Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 203018 / HA ZA 09-726 Vonnis van 2 december 2009 in de zaak van [eiseres], wonende te Oisterwijk, eiseres, advocaat mr. H.G.A.M. Spoormans, tegen [gedaagde], wonende te Oisterwijk, gedaagde, advocaat mr. J.H.M. den Otter. Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 2 september 2009 en alle daarin vermelde stukken; - de brief d.d. 6 oktober 2009 van de zijde van de vrouw, met als bijlage een brief van mr. T.M. Subelack d.d. 6 oktober 2009 met producties genummerd 7 tot en met 11; - het proces-verbaal van comparitie van 20 oktober 2009. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. Het geschil 2.1. De vrouw vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1) primair: vaststelling van de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen en de man te bevelen alle daartoe noodzakelijke gegevens in het geding te brengen, waaronder de gegevens als omschreven onder punt 3.2 van de dagvaarding, en te bepalen dat de man binnen 15 dagen na dit vonnis aan de vrouw een nog nader in deze procedure vast te stellen bedrag uit hoofde van overbedeling dient te betalen, alsmede de man te bevelen om de aan de vrouw toegedeelde goederen, voor zover nodig in haar bezit te stellen onder verbeurte van een dwangsom van EUR 1.000,= per dag dat de man weigert daaraan zijn medewerking te verlenen; 2) subsidiair: – voor zover partijen alsnog tot overeenstemming kunnen komen over de verdeling van de gemeenschap van goederen – de wijze van verdeling tussen partijen te gelasten conform de tussen hen alsdan bereikte overeenstemming en de man te veroordelen om zijn medewerking aan die wijze van verdeling te leveren onder verbeurte van een dwangsom van EUR 1.000,= per dag dat de man weigert daaraan zijn medewerking te verlenen; 3) de man te veroordelen om binnen 5 dagen na dit vonnis aan de vrouw de in punt 3 van het petitum van de dagvaarding vermelde persoonlijke goederen onbeschadigd af te geven, onder verbeurte van een dwangsom van EUR 1.000,= per dag dat de man weigert deze goederen aan de vrouw af te geven; 4) te bepalen dat de man aan de vrouw, tot het moment waarop de voormalig echtelijke woning tussen partijen is verdeeld en de woning niet meer mede in eigendom aan de vrouw toebehoort, een gebruiksvergoeding is verschuldigd van EUR 347,84 per maand, voor wat betreft de nog niet verschenen termijnen bij vooruitbetaling aan haar te voldoen, met ingang van 1 februari 2008, althans met ingang van 24 april 2008, althans een zodanige vergoeding met ingang van een zodanige datum die de rechtbank redelijk en billijk acht; 5) de man te veroordelen in de werkelijke kosten die de vrouw voor deze procedure heeft moeten maken. 2.2. De man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 3. De beoordeling 3.1. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten. - Partijen zijn op 12 juni 2007 te Valley of Fire (Overton Nevada, Verenigde Staten van Amerika) met elkaar gehuwd. - Partijen hebben hun huwelijk omgezet in een geregistreerd partnerschap dat op 24 april 2008 is beëindigd. - Partijen hebben de gevolgen van de beëindiging van het geregistreerd partnerschap vastgelegd in een door hen op 24 april 2008 ondertekend convenant. Dit convenant bevat, voor zover rechtens van belang, de volgende passages: “ 3.1 Partijen regelen de verdeling van de gemeenschap van goederen in onderling overleg. 5.2 Partijen verklaren hierbij de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid te hebben verdeeld en zij verklaren tevens, behoudens met betrekking tot de rechten en verplichtingen genoemd in deze overeenkomst, ter zake deze afwikkeling dat zij niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar algehele en finale kwijting verlenen.” - De man verblijft sinds het feitelijke uiteengaan van partijen in de voormalig echtelijke woning. 3.2. De vrouw legt – kort weergegeven – aan haar vordering ten grondslag dat partijen in artikel 3.1 van het convenant zijn overeengekomen dat zij de gemeenschap van goederen in onderling overleg zouden verdelen, doch dat de gemeenschap onverdeeld is gebleven. Vóór de beëindiging van het geregistreerd partnerschap heeft zij een concept verdeling opgesteld, doch de man was niet bereid deze te tekenen, aldus de vrouw. Wat betreft artikel 5.2. stelt de vrouw dat de zinsnede “… behoudens met betrekking tot de rechten en verplichtingen genoemd in deze overeenkomst…” een voorbehoud betreft dat doelt op artikel 3.1. Volgens de vrouw betreft artikel 5.2 een standaard-formulering – terwijl artikel 3.1 specifiek op de situatie van partijen doelt –, temeer nu ook niet duidelijk is waarvoor finale kwijting zou werden verleend, omdat in het convenant niets wordt geregeld. 3.3. Het meest verstrekkende verweer van de man is dat tussen partijen geen gemeenschap van goederen bestaat. Subsidiair betwist de man dat de gemeenschap van goederen nog niet verdeeld is. Hij voert hiertoe – onder verwijzing naar artikel 5.2. van het convenant – aan dat partijen uitdrukkelijk hebben verklaard dat zij de gemeenschap van goederen hebben verdeeld en dat zij elkaar ter zake deze afwikkeling finale kwijting hebben verleend. De man stelt dat partijen vóór ondertekening van het convenant mondeling afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de gemeenschap, welke naderhand door de vrouw op papier zijn gesteld. De man heeft de door de vrouw opgestelde concept-overeenkomst niet meer getekend, omdat dat volgens hem door ondertekening van het convenant niet meer nodig was. De man voert voorts aan dat het onbegrijpelijk is dat de vrouw heeft getekend voor artikel 5.2 van het convenant, als zij van mening was dat er nog geen overeenstemming was over de verdeling. 3.4. Huwelijksvermogensregime 3.4.1. Niet gebleken is dat partijen vóór het huwelijk het op hun huwelijks-vermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen. Voorts staat vast dat partijen ten tijde van de huwelijkssluiting beiden de Nederlandse nationaliteit hadden. Krachtens artikel 4, tweede lid, onder 1, van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het Nederlandse recht, als het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten, nu Nederland de in artikel 5 van genoemd verdrag bedoelde verklaring heeft afgelegd en de werking daarvan niet door het tweede lid van dat artikel is uitgesloten. 3.4.2. Nu gesteld noch gebleken is dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet gelet op het bepaalde in artikel 1:93 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) worden aangenomen dat tussen hen algehele gemeenschap van goederen bestaat. 3.5. Convenant 3.5.1. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw de stelling van de man dat partijen mondeling overeenstemming hadden bereikt over de verdeling van de gemeenschappelijke goederen voordat zij het convenant tekenden, voldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat deze vooralsnog niet is komen vast te staan. Bewijslevering van de stelling van de man kan echter achterwege blijven. Uit de “verklaring verdeling inboedel en woning” waarin de mondelinge afspraken volgens de man zijn vastgelegd, blijkt immers dat partijen nog geen volledige overeenstemming hadden. De overwaarde van de woning was nog niet vastgesteld en de inboedel was nog niet daadwerkelijk verdeeld. Dit brengt mee dat het beroep van de man op artikel 5.2 van het convenant niet kan slagen. Overigens merkt de rechtbank op dat de opname van de met elkaar strijdige bepalingen 3.1 en 5.2 naast elkaar in het convenant zeer ongelukkig is te noemen, maar dit kan niet leiden tot het in onverdeeldheid laten van de tussen partijen nog immer bestaande gemeenschap van goederen. Alles in samenhang bezien komt de rechtbank tot de conclusie dat de gemeenschap nog niet volledig is verdeeld. 3.6. Gezien het voorgaande komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de overige onderdelen van de vordering van de vrouw. 3.7. Verdeling van de gemeenschap 3.7.1. Als peildatum voor de bepaling van de omvang van de gemeenschap geldt – nu partijen niet anders zijn overeengekomen – het tijdstip van beëindiging van het geregistreerd partnerschap, zijnde 24 april 2009. Voor de waardering van de gemeenschap geldt als peildatum het tijdstip waarop de verdeling plaatsvindt, behoudens wanneer partijen anders zijn overeengekomen of de redelijkheid en billijkheid anders meebrengen. Bij gebreke van een andersluidende partijafspraak geldt in het onderhavige geval als peildatum de datum van feitelijke verdeling. 3.7.2. Partijen zijn het erover eens dat de gemeenschap bestaat uit de volgende bestanddelen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.