RECHTBANK BREDA Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 09/4689 Uitspraakdatum: 24 september 2010 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen Fiscale Eenheid [belanghebbende 1] BV en [belanghebbende 2] BV, gevestigd te [plaats], eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg/kantoor [Y], verweerder. Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur. De bestreden uitspraken op bezwaar De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 19 september 2009 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het tijdvak 1 juli 2007 tot en met 31 juli 2007 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting (aanslagnummer [nummer].F.01.7501) alsmede de daarbij bij beschikking opgelegde verzuimboete. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2010 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, haar directeur [directeur], vergezeld van de gemachtigde van belanghebbende, mr. [gemachtigde], verbonden aan Killaars Steeghs Groep Adviseurs, tot bijstand vergezeld van zijn kantoorgenoot, mr. [gemachtigde]. Namens de inspecteur zijn verschenen en gehoord, [gemachtigden]. Tijdens de zitting zijn de zaken bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummers 09/4689, 09/4690, 09/4691, 09/4692, 09/4782, 09/4783 en 09/4784, gelijktijdig behandeld. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen is verzonden. 1.Beslissing De rechtbank: -verklaart het beroep ongegrond; -verstaat dat de griffier het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 297 aan deze restitueert. 2.Gronden 2.1.Belanghebbende is een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). Onderdeel van de fiscale eenheid is [belanghebbende 2] BV. De bedrijfsomschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Limburg luidt voor voormelde BV: “Exploitatie relaxbedrijf”. 2.2.[belanghebbende 2] BV exploiteert sinds 1 januari 2006 een onderneming genaamd [saunaclub] (hierna: de saunaclub). Vóór die datum werd de onderneming geëxploiteerd door [belanghebbende 1] BV. [belanghebbende 1] BV, die eveneens onderdeel van de fiscale eenheid is, bezat tot 6 augustus 2007 onmiddellijk alle aandelen van [belanghebbende 2] BV. 2.3.De saunaclub wordt gedreven in het pand aan de [adres] te [plaats]. Door de gemeente [X] is een vergunning afgegeven voor het exploiteren van een seksinrichting in dit pand. Op de begane grond van het pand bevinden zich een ontvangsthal, kleedruimtes, douches, een sauna, twee whirlpools, een bargedeelte, zeven werkkamers (waarvan één met whirlpool) en een keuken. Op de bovenverdieping bevinden zich nog zes werkkamers, een restaurant en een kantoor. In de kelderverdieping bevinden zich een bioscoop en een douche en toilet. Tenslotte beschikt de onderneming over een buitenterras met zwembad. 2.4.De exploitatie van [saunaclub] is gebaseerd op het Duitse Frei Körper Kultur-concept (ontmoetingscentrum). De onderneming presenteert zich in advertenties en op internet als een saunaclub met erotisch entertainment. 2.5.In 2001 zijn er door de inspecteur diverse bezoeken aan de saunaclub gebracht in verband met een deelonderzoek over de jaren 2000 en 2001. De onderneming werd destijds geëxploiteerd door [onderneming X] BV. Dit onderzoek is nimmer afgesloten. 2.6.Op 27 juni 2006 heeft de inspecteur een intakegesprek gevoerd met de bestuurder, bedrijfsleider en de adviseur van [belanghebbende 2] BV. Naar aanleiding hiervan is in juli 2006 een conceptrapport opgesteld. Tijdens het intakegesprek heeft de bestuurder het bedrijf omschreven als: “een ontmoetingsplek voor mensen die op zoek zijn naar erotisch vertier en dames die wat willen verdienen”. 2.7.De saunaclub is geopend van maandag tot en met vrijdag van 11.00 uur tot 01.00 uur en op zaterdag en zondag van 13.00 uur tot 01.00 uur. De mannelijke bezoekers betalen bij binnenkomst een entree van € 50 (bij aankomst vóór 15.00 uur € 35). De entreeprijs geeft recht op het gebruik van alle voorzieningen en faciliteiten van de saunaclub en is inclusief een doorlopend ontbijtbuffet van 11.00 uur tot 17.00 uur, een diner van 17.00 uur tot 23.00 uur, alsmede frisdrank en bier. Mannelijke bezoekers zijn verplicht een badjas en badslippers te dragen. Gedurende de openingstijden zijn er prostituees in het pand aanwezig. De diensten van de prostituees worden door de mannelijke bezoekers rechtstreeks afgesproken met en betaald aan de prostituees. De vrouwen zijn verplicht in het restaurantgedeelte lingerie te dragen. Bezoekers die enkel van de relaxruimten gebruik wensen te maken betalen bij binnenkomst een entree van € 25. Deze bezoekers hebben geen toegang tot de andere faciliteiten. Personen jonger dan 18 jaar wordt de toegang geweigerd. 2.8.Bij het doen van de aangifte omzetbelasting heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat er drie, goed van elkaar te onderscheiden, prestaties worden verricht, te weten het exploiteren van een sauna- annex badinrichting, het exploiteren van een horecabedrijf en het exploiteren van ontspanningsruimten. Op de omzet die ziet op de sauna- annex badprestaties en de horecaprestaties is in de aangifte omzetbelasting het verlaagde tarief toegepast. De inspecteur heeft belanghebbende reeds op 25 januari 2007 en 16 mei 2007 schriftelijk meegedeeld dat hij zich op het standpunt stelt dat sprake is van één ondeelbare dienst waarop het tarief van 19% van toepassing is. Gelet hierop heeft belanghebbende een suppletieaangifte ingediend. De inspecteur heeft vervolgens aan belanghebbende de in geschil zijnde naheffingsaanslag opgelegd van € 13.799. Gelijktijdig met de vaststelling van deze naheffingsaanslag heeft de inspecteur bij beschikking tevens een verzuimboete opgelegd van 5% van het nageheven bedrag, zijnde € 688. 2.9.In geschil is het antwoord op de vraag of onderhavige naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil het antwoord op de vraag of op de door belanghebbende ontvangen entreegelden (deels) het gewone en/of verlaagde omzetbelastingtarief van toepassing is. Nog specifieker is in geschil het antwoord op de vraag of sprake is van één ondeelbare dienst dan wel van twee of meer afzonderlijke diensten. Indien wordt geoordeeld dat sprake is van één ondeelbare dienst, is in geschil het antwoord op de vraag of op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onderdeel a van de Wet OB in verbinding met post b.14, onderdeel g van de bij de Wet OB behorende Tabel I, het verlaagde tarief op die dienst kan worden toegepast. Voorts is in geschil of de verzuimboete terecht is opgelegd en of de aanslag terecht aan de fiscale eenheid is opgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat op de entreegelden betaald voor enkel het gebruik van de relaxruimten het tarief van 19% van toepassing is. 2.10.Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat er in juli 2007 nog geen sprake was van een fiscale eenheid. Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende gemotiveerd is. Meer subsidiair heeft belanghebbende het volgende gesteld: -het gelijkheidsbeginsel is geschonden; -het vertrouwensbeginsel is geschonden; -er is sprake van afzonderlijke diensten; -gelet op het besluit van de Staatssecretaris van Financiën is het verstrekken van spijzen en dranken in ieder geval een afzonderlijke dienst; -als er al sprake is van één dienst dan valt deze onder Tabel I, tabelpost b.14, onderdeel g. Ten aanzien van de boete stelt belanghebbende dat sprake is van een pleitbaar standpunt. Ten aanzien van het primaire punt van beroep 2.11.Bij beschikking van 21 juni 2007 zijn [belanghebbende 1] BV en [belanghebbende 2] BV met ingang van 1 juni 2006 aangemerkt als fiscale eenheid voor de omzetbelasting in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Wet OB. Tegen deze beschikking is bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 15 november 2007 zijn [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] BV met ingang van 1 juli 2007 als fiscale eenheid voor de omzetbelasting aangemerkt. Tegen voormelde uitspraak stond beroep open bij de rechtbank, maar van die mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Hierdoor is de uitspraak onherroepelijk geworden. De juistheid van de uitspraak op bezwaar kan derhalve in deze procedure niet meer aan de orde komen. Daarmee staat vast dat [belanghebbende 1] BV en [belanghebbende 2] BV met ingang van 1 juli 2007 een fiscale eenheid vormen. Ten aanzien van het subsidiaire punt van beroep 2.12.De stelling van belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende gemotiveerd is kan haar niet baten. Volgens vaste jurisprudentie brengt de loop van de procedure in belastingzaken mee dat schending van het motiveringsbeginsel, daargelaten of daarvan in het onderhavige geval al sprake zou zijn, alleen tot gevolg heeft dat de rechtbank, zo deze de uitspraak van de inspecteur bevestigt, verplicht is om zelf de gronden daarvoor in zijn uitspraak op te nemen. Ten aanzien van het eerste mee subsidiaire punt van beroep 2.13.Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel dient te worden verworpen. Van schending van het gelijkheidsbeginsel kan sprake zijn indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.