RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 800237-10 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 november 2010 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] wonende te [adres] raadsman mr. Kalle, advocaat te Middelburg 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 oktober 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Van Setten, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: samen met een ander een diefstal (met geweld) en/of een poging tot afpersing heeft gepleegd dan wel een persoon heeft bedreigd; Feit 2: samen met een ander een auto heeft vernield of beschadigd; Feit 3: samen met een ander middels een brief heeft geprobeerd een persoon af te persen. 3 De voorvragen - De geldigheid van de dagvaarding. De raadsman heeft aangevoerd dat het tenlastegelegde onder feit 1 primair onduidelijk en innerlijk tegenstrijdig is aangezien onder A en B twee strafbare feiten naast elkaar zijn tenlastegelegd met een verschillend oogmerk, terwijl die feiten gelijktijdig zijn gebeurd. Dit kan volgens de raadsman alleen maar middels een alternatieve tenlastelegging. Dit moet volgens de raadsman tot nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 1 primair leiden. De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen. De rechtbank vermag niet in te zien waarom de feiten onder 1 A en 1 B niet naast elkaar tenlastegelegd kunnen worden. Uit deze tenlastelegging zelf blijkt niet dat de feiten gelijktijdig gepleegd zouden zijn. Mocht uit het dossier blijken dat dit wel zo is, dan kan vrijspraak van de variant volgen die niet te bewijzen valt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van een innerlijk tegenstrijdige dagvaarding, zoals de raadsman heeft gesteld, geen sprake is. De dagvaarding is daarom geldig. - De rechtbank is bevoegd. - De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. - Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht van feit 1, gelet op de aangifte van de heer [slachtoffer], de derde verklaring van mevrouw [betrokkene] en de gedeeltelijk bekennende verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een diefstal met geweld (zoals onder A tenlastegelegd) heeft gepleegd. Zij acht de derde verklaring van mevrouw [betrokkene], afgelegd op 1 juni 2010, betrouwbaar. Ook feit 2, de vernieling van de auto van [slachtoffer], acht zij wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte van [slachtoffer] en voornoemde verklaring van mevrouw [betrokkene]. Ten slotte acht de officier van justitie feit 3, de poging tot afpersing van [slachtoffer] middels een brief, gepleegd samen met een ander, wettig en overtuigend bewezen. Verdachte erkent immers dat hij de brief, die in het dossier zit, heeft geschreven en heeft gestuurd naar [slachtoffer]. Mevrouw [betrokkene] heeft verklaard de brief te hebben gezien en de envelop te hebben geschreven. De woorden in de brief dat tot incasso wordt overgegaan als [slachtoffer] niet met het voorstel van verdachte akkoord gaat, zijn, mede gelet op de hele situatie, buitengewoon bedreigend, aldus de officier van justitie. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman is ten aanzien van feit 1 van mening dat de verklaring van mevrouw [betrokkene] van 1 juni 2010 niet geloofwaardig is. Deze verklaring is ingegeven door wrokgevoelens, waardoor zij verdachte een hak heeft willen zetten. Volgens de raadsman moet uitgegaan worden van de tweede verklaring van mevrouw [betrokkene] van 2 april 2010 en van de verklaring van verdachte. Aangever is namelijk, waarschijnlijk uit schaamte voor het feit dat hij seks met een prostituee had gehad, niet volledig in zijn verklaring en deels ongeloofwaardig. Verdachte is achter de auto van verdachte aangereden om met woorden verhaal te halen. Hij wilde dat aangever betaalde voor de bewezen diensten. Duidelijk is dat verdachte goederen heeft meegenomen en onder zich heeft gehouden, maar hij wilde ze terug geven en heeft niet het oogmerk gehad zich deze goederen toe te eigenen. Hij heeft ook geen knuppel uit de auto meegenomen en het is het slachtoffer geweest die de aanrijding heeft veroorzaakt. Hij heeft geen geweld gebruikt voor de diefstal van deze goederen, maar heeft de overige handelingen zoals die in de tenlastelegging staan vermeld, verricht om verhaal te halen en niet om de goederen te stelen. Er bestaat dan ook geen causaal verband tussen de diefstal van de goederen en de tenlaste gelegde geweldshandelingen, aldus de raadsman. Voor zover het onder B tenlaste gelegde, de poging tot afpersing dan wel poging tot diefstal met geweld van 50 euro, aan de orde mocht komen, is de raadsman van mening dat er sprake was van een overeenkomst en dat verdachte wellicht de grenzen van hetgeen maatschappelijk betamelijk is, heeft overschreden, maar dat dit ook het geval was bij [slachtoffer] die immers niet wilde stoppen, waardoor het handelen van verdachte niet wederrechtelijk was. Ten aanzien van feit 2 is de verdediging van mening dat vrijspraak dient te volgen omdat verdachte de aanrijding niet heeft veroorzaakt. Bovendien is geen sprake van vernieling, zoals de officier van justitie heeft gesteld, maar slechts van beschadiging, nu alleen een fikse kras op de auto is ontstaan door de aanrijding. Ook feit 3, de poging tot afpersing middels het versturen van een brief, acht de raadsman niet bewezen. Verdachte heeft bedoeld te zeggen dat hij een incassobureau zou inschakelen als [slachtoffer] niet 50 euro en de schade aan zijn auto zou betalen. Hij heeft de grenzen van hetgeen maatschappelijk nog betamelijk is, niet overschreden, aldus de raadsman. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Op de avond van 11 februari 2010 heeft zich op de snelweg A59 een incident voorgedaan. Aan[slachtoffer]achtoffer], wonende in Made, heeft hierover verklaard dat hij die avond, nadat hij op de parkeerplaats ’t Vaerland was geweest, met zijn personenauto op de rechterrijstrook van de snelweg A59 reed, toen hij ongeveer een kilometer voor de stoplichten bij knooppunt Hooipolder een auto links naast hem zag komen rijden. Hij zag dat de bestuurder hem van de weg probeerde te drukken. Hij herkende de vrouw die op de passagiersstoel zat als degene die eerder op de parkeerplaats contact met hem had gehad. Hij zag dat de bestuurder van die auto met handgebaren hem probeerde duidelijk te maken dat hij moest stoppen. Vlak voor de stoplichten, die op rood stonden, zag die bestuurder kans zijn auto vlak voor hem tot stilstand te brengen, waardoor [slachtoffer] ineens hard moest remmen. Toen hij zag dat de bestuurder uitstapte, is [slachtoffer] van schrik achteruit gereden naar de vluchtstrook. Hij zag dat die bestuurder weer in zijn auto stapte en ook achteruit reed via de vluchtstrook. [slachtoffer] heeft vervolgens zijn auto weer in de 1e versnelling gezet om vooruit weg te komen, heeft gas gegeven en is onder een hoek van 45 graden de snelweg opgereden. Hij kon een botsing met de andere auto niet meer voorkomen. Hij zag vervolgens dat die andere bestuurder opnieuw uit zijn auto kwam. Hij zag dat die man een knuppel in zijn hand hield. [slachtoffer] is uitgestapt en is weggelopen bij zijn auto. Hij zag dat die man naar het opengelaten portier van zijn, [slachtoffer]’, auto liep, in de auto stapte en naar het dashboardkastje reikte. De man stapte toen uit en riep dat hij [slachtoffer] wist te wonen. Die man is toen weggereden in zijn eigen auto. Toen [slachtoffer] bij zijn auto terugkwam zag hij dat het dashboardkastje open stond en dat zijn Tom-Tom weg was. Later ontdekte hij dat zijn kentekenbewijs, zijn rijbewijs, een foedraal met daarin een alarmpistool en een doosje met bijbehorende kogeltjes was weggenomen. Verdachte heeft toegegeven dat hij degene is geweest die die avond achter [slachtoffer] is aangereden. Volgens verdachte had zijn vriendi[betrok[betrokkene]] die als prostituee haar diensten aanbiedt, even tevoren op de parkeerplaats ’t Vaerland langs de A-59 met iemand gesproken over het hebben van seks. Volgens verdachte zou een bedrag van 50 euro afgesproken zijn die de man zou betalen voor het hebben van seks met [betrokkene] en zou de man daarna daadwerkelijk seks met [betrokkene] hebben gehad. Die persoon hebben ze even later achtervolgd op de snelweg. Hij is achter de man aangereden, omdat [betrokkene] had verteld dat die man nog niet betaald had voor de seks. Hij is op de snelweg links naast de man gaan rijden. Hij heeft hem even later net voor de stoplichten door zijn rijgedrag naar rechts gedwongen en heeft zijn auto voor de auto van aangever gezet. Hij zag dat de man achteruit de vluchtstrook opreed, waarna verdachte hetzelfde deed en zijn auto dwars op de vluchtstrook voor de auto van die man zette. De man reed zijn auto toen weer vooruit, waarna diens auto de auto van verdachte raakte. Verdachte is uitgestapt en zag dat de andere man uit zijn auto was gegaan en een eind verderop stond. Verdachte heeft naar de man geroepen dat hij dan wel spullen uit zijn auto zou pakken en dan wel wist waar hij woonde. Hij heeft toen uit de auto van de man de goederen gehaald, die aangever heeft genoemd, en deze goederen meegenomen naar huis. Ongeveer een week later heeft hij die man een brief gestuurd om hem alsnog de kans te geven te betalen voor de diensten van [betrokkene] en de schade aan zijn auto te vergoeden. [betrokkene] heeft over dit incident verklaard dat zij die betreffende avond op parkeerplaats ’t Vaerland heeft gesproken met een man en dat is afgesproken dat die man voor haar seksdiensten 50 euro zou betalen. Zij had met [verdachte], zijnde verdachte, de afspraak dat het geld dat zij verdiende met het hebben van seks, zou delen met hem. Toen zij achter elkaar naar de plek reden waar de seks zou plaatsvinden is de man in plaats van hen achterna te rijden de snelweg opgereden. [verdachte], zijnde verdachte, zou dat hebben gezien en is direct achter de auto van die man aangegaan. [verdachte] gaf aan dat die man gewoon ging betalen. Het lukte [verdachte] de andere auto in te halen en naast die auto te gaan rijden. [verdachte] heeft toen de auto ingehaald en ervoor geparkeerd. [verdachte] is toen uitgestapt en in de richting van de andere auto gelopen. Vervolgens is de man achteruit gaan rijden en is ook [verdachte] nadat hij terug kwam in zijn auto achteruit gaan rijden. Die man wilde toen waarschijnlijk vooruit rijden, waarna een aanrijding tussen de twee auto’s is ontstaan. [verdachte] is toen weer uitgestapt en heeft toen een houten knuppel uit de auto meegenomen. Korte tijd later kwam [verdachte] terug en had toen goederen bij zich, onder andere een kentekenbewijs van die betreffende auto. Op enig moment heeft [verdachte] haar een brief getoond die hij had opgesteld waarin stond dat die man de kans kreeg om het afgesproken bedrag van 50 euro te betalen en tevens de schade aan de auto van [verdachte] te vergoeden. Zij heeft de envelop voor die brief geschreven en [verdachte] heeft die brief gepost. De rechtbank stelt vast dat de verhalen van aangever, verdachte en [betr[betrokkene] voor wat betreft hetgeen op de parkeerplaats precies is gebeurd en of er al dan niet seks is geweest met aangever, uiteen lopen. Uit de verklaringen leidt de rechtbank wel af dat er in elk geval een afspraak is gemaakt over het hebben van seks. Of er daadwerkelijk seks heeft plaatsgevonden tussen aangever en [betr[betrokkene] is niet duidelijk geworden, maar is ook niet relevant. Dat aangever, mogelijk uit schaamte, heeft gelogen over het hebben van een seksafspraak, maakt nog niet dat zijn verklaring voor het overige ongeloofwaardig is. Zijn verklaring vindt ook steun in voornoemde verklaring van [betr[betrokkene]. De raadsman heeft die verklaring van [betr[betrokkene] weliswaar betwist als zijnde afgelegd uit wrokgevoelens tegen verdachte, maar de rechtbank acht die verklaring wel betrouwbaar en aannemelijk. Ze verklaart immers genuanceerd over hetgeen die avond heeft plaatsgevonden en volgt aangever ook niet op alle punten om verdachte in een kwader daglicht te stellen. Zij heeft bijvoorbeeld maar één keer gezien dat verdachte een knuppel in zijn hand had, zulks in tegenstelling tot aangever die in zijn aangifte spreekt over twee momenten dat verdachte een knuppel in zijn hand had. Het moge zo zijn dat [betr[betrokkene] kwaad was op verdachte, dat wil nog niet zeggen dat haar verklaring ongeloofwaardig is. Bovendien acht de rechtbank geloofwaardig dat verdachte een knuppel in zijn handen heeft gehad. Verdachte heeft weliswaar ontkend dat hij een knuppel heeft gebruikt, maar hij heeft wel toegegeven dat hij een honkbalknuppel bij zijn bestuurdersstoel in zijn auto had staan ten tijde van dit incident. Dat aangever die knuppel heeft zien staan toen hij langs de voorkant van de auto van verdachte liep en daarom over die knuppel kon verklaren, zoals door de verdediging is beweerd, acht de rechtbank niet aannemelijk. Uit voormelde verklaringen leidt de rechtbank af dat verdachte op de avond van 11 februari 2010 heeft geprobeerd [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van 50 euro en dat hij daarbij heeft gedreigd met geweld middels de handelingen die hieronder bij de bewezenverklaring zijn vermeld. Derhalve is de onder 1B vermelde poging tot afpersing wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank volgt het verweer van de raadsman niet dat het handelen van verdachte niet wederrechtelijk was. Duidelijk is dat verdachte door zijn handelen eigenrichting pleegde en daarmee de in het maatschappelijk verkeer als betamelijk geldende grenzen heeft overschreden. Dat aangever niet wilde stoppen, zoals door de raadsman naar voren is gebracht, doet hier niet aan af. De rechtbank vermag niet in te zien dat aangever door niet te stoppen, terwijl hij dreigend achterna werd gezeten door verdachte, de grenzen van het maatschappelijk betamelijke zou hebben overschreden. Zelfs als dat wel zo zou zijn, is dat geen rechtvaardiging voor een overschrijding door verdachte en blijft zijn handelen wederrechtelijk. Voorts leidt de rechtbank uit de verklaring van verdachte af dat op het moment dat hij merkte dat aangever weg liep, zijn oogmerk om verdachte te dwingen tot afgifte van het bedrag van 50 euro, wijzigde in het oogmerk om goederen van verdachte weg te nemen. Het wegnemen van die goederen was wederrechtelijk. Verdachte wist dat die goederen van [slachtoffer] waren en dat hij geen toestemming had om die goederen weg te nemen. Bovendien is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat verdachte zich deze goederen heeft toegeëigend. Hij heeft ze immers een periode onder zich gehouden en er als heer en meester over beschikt door ze deels aan [betrok[betr[betrokkene] en deels ter bewaring aan een vriend af te geven. De rechtbank acht hiermee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de goederen die onder feit 1A worden genoemd met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen. Feit 1onder A - als zijnde diefstal zonder geweld of bedreiging met geweld – is derhalve ook wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank stelt, gelet op vorenstaande verklaringen, vast dat op 11 februari 2010 een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen de personenauto van aangever en de auto van verdachte. De personenauto van aangever betreft een Opel Astra met kenteken [nummer]. Deze auto heeft daarbij schade opgelopen, te weten een deuk aan de rechterzijde. Deze schade is ook zichtbaar op de foto’s in het dossier op pagina 075. Verdachte heeft, zoals hierboven is weergegeven, over het ontstaan van deze schade verklaard dat hij zijn auto dwars op de vluchtstrook voor de auto van aangever heeft gezet en dat aangever zijn auto toen weer vooruit reed, waarna diens auto de auto van verdachte raakte. De rechtbank stelt vast dat uit de verklaring van aangever blijkt dat hij aan verdachte wilde ontkomen en dat aan verdachte uit de manoeuvres van aangever duidelijk moet zijn geweest dat deze weg wilde komen. Door zijn auto onder die omstandigheden dwars voor de auto van aangever te zetten, heeft hij welbewust de aanmerkelijke kans op de koop toegenomen dat zijn auto in aanrijding zou komen met de auto van aangever en dat de auto van aangever daardoor beschadigd zou raken. Het opzet van verdachte was daarmee - in voorwaardelijke zin - gericht op het veroorzaken van schade aan de auto van aangever. De rechtbank acht derhalve feit 2 wettig en overtuigend bewezen. Hoewel uit het zich in het dossier bevindende expertiserapport met betrekking tot de schade aan de auto van aangever zou kunnen blijken dat de auto van aangever als gevolg van de aanrijding total-loss is geraakt, omdat de gecalculeerde reparatiekosten hoger zijn dan de dagwaarde van deze auto, wil dit niet zeggen dat de auto van aangever vernield is. Immers niet is gebleken dat de auto van aangever niet meer te gebruiken of te repareren was. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het bewezenverklaarde onder 1B en onder 2, gelet op het verband tussen beide feiten, sprake is van een voortgezette handeling. Ten aanzien van feit 3 stelt de rechtbank op basis van voormelde verklaringen vast dat door verdachte een brief aan aangever, wonende in Made, is verstuurd, Het proces-verbaal relaas van de politie vermeldt dat aangever [slachtoffer] op 20 februari 2010 de brief, die refereert naar het incident op 11 februari 2010, op zijn thuisadres heeft ontvangen. In de brief staat vermeld dat hij, [slachtoffer], de door verdachte meegenomen spullen retour krijgt als hij het overeengekomen bedrag van 50 euro alsnog betaalt en de door [slachtoffer] ontstane schade aan de auto van verdachte, welke schade nog niet exact bekend zou zijn, vergoedt. Voorts staat vermeld: ”Als je niet genegen bent om met dit voorstel akkoord te gaan zullen wij overgaan tot incasso.” In de context van hetgeen op 11 februari 2010 is voorgevallen, kan deze brief bezwaarlijk anders worden gezien dan een poging om aangever [slachtoffer] te dwingen tot betaling van genoemde bedragen door te dreigen anders met geweld de bedragen te incasseren. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte door zo te handelen de in het maatschappelijk verkeer als betamelijk geldende grenzen heeft overschreden en daardoor wederrechtelijk heeft gehandeld. Daarnaast concludeert de rechtbank dat verdachte deze poging tot afpersing tezamen en in vereniging met [betr[betrokkene] heeft gepleegd. De brief is immers door [betr[betrokkene] gelezen en ze heeft tevens de envelop voor deze brief geschreven. Derhalve is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [betrokkene] om aangever te dwingen tot betaling. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1. A) op 11 februari 2010 in Nederland, op de openbare weg, de snelweg A59 met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kentekenbewijs en een rijbewijs en een Tom Tom navigatiesysteem en een tasje met daarin een alampistool en daarbijhorende kogeltjes toebehorende aan [slachtoffer] EN B) op 11 februari 2010 in Nederland, op de openbare weg, de snelweg A59, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [sla[slachtoffer], te dwingen tot de afgifte van 50 euro, toebehorende aan die [slachtoffer], daartoe * op die snelweg achter die [slachtoffer] is aangereden en naast die [slachtoffer] is gaan rijden en die [slachtoffer] heeft gedwongen naar rechts te gaan rijden en getracht heeft die [slachtoffer] van de weg te drukken en vlak voor de stoplichten voor die [slachtoffer] is gestopt (waardoor die [slachtoffer] (abrupt/krachtig) moest remmen) en * op die snelweg op de vluchtsstrook in zijn achteruit achter die [slachtoffer] is aangereden en zijn, verdachte's auto dwars op de vluchtstrook voor de auto van die [slachtoffer] heeft gezet en * op die snelweg de vrije doorgang voor die [slachtoffer] heeft geblokkeerd (tengevolge waarvan een botsing tussen de auto van verdachte en de auto van [slachtoffer] ontstond) en * (vervolgens) op de snelweg die [slachtoffer] met een honkbalknuppel heeft benaderd en * die [slachtoffer] opzettelijk dreigend de woorden heeft toegevoegd - zakelijk weergegeven - dat hij, verdachte nu wist waar die [slachtoffer] woonde en dat die [slachtoffer] (nog) (50 euro) moest betalen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. op 11 februari 2010 in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een auto (Opel Astra met kenteken [nummer]), toebehorende aan [sla[slachtoffer] heeft beschadigd; 3. op 20 februari 2010 te Made, gemeente Drimmelen , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en (een) ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [sla[slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van 50 euro en een (op dat moment) nog niet bekend zijnd (ander) geldbedrag (ter hoogte van de schade aan zijn, verdachte's auto), toebehorende aan [sla[slachtoffer], daartoe een brief heeft gestuurd naar die [slachtoffer] waarin verdachte en zijn mededader die [slachtoffer] opdragen/verzoeken om genoemde geldbedrag (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.