RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 02/811756-09 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 november 2010 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [datum en plaats] wonende te [adres] raadsman mr. Nillesen, advocaat te ‘s-Hertogenbosch 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 november 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Van Aken, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: samen met anderen een diefstal met geweld en bedreiging met geweld heeft gepleegd; feit 2: samen met anderen een poging tot afpersing heeft gepleegd; 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. De verklaringen van de aangevers bevatten op essentiële onderdelen verschillen. Duidelijk is dat er een zakelijk geschil bestond tussen verdachte en [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]. Verdachte en de medeverdachten [mededader 1] en [mededader 2] ontkennen de tenlastegelegde feiten. Verdachte en de medeverdachten [mededader 1] en [mededader 2] zijn in de woning in Breda geweest waar [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zich op 12 december 2009 bevonden. De sfeer was over en weer bepaald onvriendelijk. Op bepaalde punten worden hun verklaringen wel ondersteund. De getuige [getuige 1] heeft echter zijn verklaring behoorlijk afgezwakt. Onduidelijk is wie wat en hoe heeft gedaan. Dit geldt voor beide feiten. Aan de kwaliteit van de rechtspleging moeten hoge eisen worden gesteld. De verklaringen van de aangevers zijn niet meer controleerbaar, omdat zij onvindbaar zijn. Onder deze omstandigheden is de officier van justitie van mening dat niet tot een bewezenverklaring van de feiten kan worden gekomen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is eveneens van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de feiten kan komen en wijst daarbij onder meer op het volgende: - De verklaringen van de aangevers [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn inconsistent op essentiële punten. - De verklaringen van [getuige 1] zijn wisselend en onbetrouwbaar.Welke verklaring moet de rechtbank uit de door [getuige 1] afgelegde verklaringen kiezen? - De medeverdachte [mededader 1] heeft verklaard op welke wijze [getuige 1] naar Breda is gegaan. Volgens hem was er geen sprake van bedreiging tijdens de autorit naar Breda. - De getuige [getuige 2] heeft gezien dat er personen op het balkon van de woning in Breda rustig stonden te roken. De verklaringen van de aangevers heeft de verdediging niet kunnen toetsen, terwijl daar alle aanleiding toe was, gelet op de verschillen op essentiële punten in hun verklaringen. De verdediging is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken, nu het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Artikel 6 van het EVRM houdt in dat de verdediging in staat moet worden gesteld de getuigen die door de politie zijn gehoord te ondervragen. Nu de rechtbank heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat de aangevers binnen een redelijke termijn zullen kunnen worden gehoord, mogen deze verklaringen niet worden gebruikt voor het bewijs en zal de rechtbank verdachte wegens gebrek aan bewijs moeten vrijspreken. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Na een melding bij de politie hebben [initialen] [slachtoffer 2], [initialen] [slachtoffer 1] en [initialen] [slachtoffer 3] aangifte gedaan. Die aangiften houden onder meer het volgende in: [voornaam] [slachtoffer 1] had een schuld bij zijn oud-werkgever, [verdachte]. [verdachte] had de zus van [slachtoffer 1], [initialen] [slachtoffer 2], gebeld en had tegen haar gezegd dat zij de schuld maar moest betalen en haar huis in Turkije moest verkopen anders zou hij haar familie dood maken. Op 12 december 2009 was [slachtoffer 2] samen met haar broer en diens vrouw [slachtoffer 3] in de woning aan de [adres]. Omstreeks 20.45 uur was zij op de 2e verdieping en hoorde dat haar broer snel de trap op kwam en zei: “De huurbaas komt met [verdachte] en drie anderen naar boven om mij dood te maken.” [verdachte] kwam vervolgens haar kamer binnen en begon haar uit te schelden. Hij pakte haar op borsthoogte bij haar kleding. Hij sloeg haar met de vlakke hand op haar gezicht. Zij voelde pijn aan haar neus en mond. Hij draaide haar rechterpols om, waardoor zij daar een rode verdikking had. [slachtoffer 3] stuurde een SMS bericht naar een vriend van [slachtoffer 2], [naam vriend], met de tekst: “Bel meteen de politie, want wij zijn in levensgevaar”, dan wel woorden van soortgelijke strekking. Hierna heeft [slachtoffer 3] geprobeerd 112 te bellen, maar omdat zij geen Nederlands sprak, heeft zij de verbinding verbroken. [voornaam] [slachtoffer 1] heeft bevestigd dat zijn oud-werkgever, [verdachte], geld van hem tegoed had. Hij heeft verklaard dat [verdachte] op 12 december 2009 bij de woning waar zijn zus verbleef, binnenkwam, samen met drie andere mannen. Onder hen was ook de huisbaas [getuige 1]. [verdachte] rende naar de 2e verdieping achter [slachtoffer 1] aan. Hij sloeg [slachtoffer 2] tegen haar hoofd, haar lippen en tegen haar borststreek. [slachtoffer 1] zag dat haar lippen kapot geslagen waren. [slachtoffer 1] was bang en vreesde voor hun levens. Toen ze beneden waren heeft [verdachte] gezegd dat ze tot woensdag 16 december 2009 de tijd hadden om te betalen. [initialen] [slachtoffer 3] heeft ook bevestigd dat zij op 12 december 2009 in de woning aan de [adres] was toen er tegen 21.00 uur drie mannen de woning binnenkwamen. Eén van hen was [verdachte]. [verdachte] was één van degenen die naar boven renden, waar haar schoonzus en haar man, [slachtoffer 1], op dat moment waren. [slachtoffer 3] hoorde geschreeuw. Het leek op een vechtpartij. Zij hoorde zware dingen op de grond vallen. Zij hoorde haar schoonzus zeggen: “Wat mijn schuld is, zal ik betalen.” Toen op een gegeven moment de mannen met haar man en haar schoonzus naar beneden kwamen, zag [slachtoffer 3] dat de knopen niet meer in de blouse van haar schoonzus zaten. Haar haren waren in de war, met één hand hield zij haar gezicht bedekt en de andere hield zij op haar borst. Ook zag zij dat haar lip was gebarsten. De rechtbank stelt vast dat op 12 december 2009 om 20.22 uur naar de gemeenschappelijke meldkamer van de politie Midden en West Brabant is gebeld door een Bulgaars of Turks sprekende vrouw en kort daarna nog drie keer door een man. Al die keren was geen uitvraag door de politie mogelijk. Vervolgens is om 21.48 uur en 21.53 uur door een man, genaamd [naam beller], gebeld met de melding dat een Turkse vrouw uit Breda hem gebeld had met het verzoek politie te sturen naar de [adres] [naam beller] was bij een kennis op bezoek. Daar was ene [naam vriend] die een SMS van een Bulgaarse vrouw van Turkse komaf ontving met de tekst: “Bel de politie, ze gaan ons dood maken.” [naam beller] las de tekst en belde de politie. [naam vriend] belde intussen de vrouw. De vrouw vertelde dat zij, haar broer en haar schoonzus waren bedreigd en mishandeld door een aantal mannen. Op verzoek van de politie is [naam beller] toen naar de (adres) gekomen om te tolken. Toen [naam beller], samen met de politie, de woning binnenging, zag hij dat het meubilair schots en scheef stond en dat er zaken op de grond lagen. Het kwam hem voor alsof er een worsteling had plaatsgevonden. De verbalisant, bij wie [slachtoffer 2] die avond aangifte deed, constateerde dat [slachtoffer 2] letsel had. Van dat letsel werden foto’s gemaakt. Op die foto’s neemt de rechtbank onder meer waar dat haar handen, polsen en armen rode plekken en verdikkingen vertonen en dat zij een kapotte bovenlip heeft. [mededader 1] heeft verklaard dat hij samen met [verdachte], [en 2 pers[voornaam] naar Breda is gereden. Zij zijn de woning binnengegaan. [mededader 1] zag mensen naar boven rennen. [verdachte] rende achter hen aan. [mededader 1] zag dat [verdachte] in gevecht was met [slachtoffer 1] en met diens zus [slachtoffer 2]. [verdachte] schold hen uit. [mededader 1] heeft [verdachte] vastgepakt om zijn armen en had moeite hem in bedwang te houden. [slachtoffer 2] was volgens [mededader 1] hysterisch. [voornaam] [getuige 1], de huisbaas, heeft verklaard dat hij die avond gedwongen is met drie mannen, waarvan er later één is overgestapt in een andere auto, vanuit Rotterdam naar de woning in Breda te rijden. Eén van die mannen was [verdachte]. [verdachte] zei tegen hem: “Jij brengt ons naar Breda.” [getuige 1] had geen keus. De sfeer in de auto vond [getuige 1] erg agressief. Twee van die mannen gingen in de woning naar boven. [getuige 1] hoorde lawaai en een vrouwenstem die “auw auw” riep. De twee mannen bleven 15 tot 20 minuten boven. Bij de zus van [slachtoffer 1] zag [getuige 1] bloed bij haar mondhoek toen zij weer naar beneden kwamen. Verdachte, [verdachte], heeft uiteindelijk, na herhaaldelijk te hebben ontkend, toegegeven op 12 december 2009 in Breda in de betreffende woning te zijn geweest om zijn geld terug te halen. Verdachte heeft gezegd dat hij zag dat [slachtoffer 1] en zijn zus de trap op vluchtten toen hij de woning binnenkwam. Verdachte heeft gezegd dat hij [slachtoffer 1] toen door elkaar heeft geschud en hen beiden heeft bevolen naar beneden te gaan. [slachtoffer 2] heeft hij angst ingeboezemd. Beneden heeft verdachte tegen hen geschreeuwd. Door de verdediging is aangevoerd dat de verklaringen van de aangevers niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Artikel 6 van het EVRM houdt in dat de verdediging op enig moment in het strafproces in staat moet worden gesteld hen als getuigen te horen. De rechtbank verwerpt dit verweer, nu zij vast stelt dat delen van de verklaringen van de aangevers worden ondersteund door de andere hiervoor genoemde bewijsmiddelen, te weten de meldingen bij de politie, de verklaring van de getuige [naam beller], de foto’s van het letsel van [slachtoffer 2], de verklaring van de medeverdachte [mededader 1], de verklaring van de getuige [getuige 1] en de eigen verklaring van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat het bewijs aldus niet in overwegende mate steunt op de verklaringen van de aangevers en acht deze dan ook voor die delen bruikbaar voor het bewijs. Gelet op de onmogelijkheid voor de verdediging om de aangevers te horen en gelet op de verschillen die er zitten tussen de verklaringen van de aangevers, zal de rechtbank de overige delen van de verklaring niet voor het bewijs gebruiken. De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepoogd [initialen] [slachtoffer 2] en [initialen] [slachtoffer 1] te dwingen tot afgifte van een geldbedrag, zoals onder feit 2 is tenlastegelegd, door het plegen van geweld. De rechtbank acht daarbij bewezen dat geweld is gepleegd ten opzichte van [slachtoffer 2]. Van de overige onderdelen van de tenlastelegging van feit 2 zal de rechtbank verdachte vrijspreken. Van feit 1 zal de rechtbank verdachte eveneens vrijspreken, nu onvoldoende is komen vast te staan dat er goederen, zoals vermeld in de tenlastelegging, zijn weggenomen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.