RECHTBANK BREDA Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 09/799 Uitspraakdatum: 17 november 2010 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats] (V.S.), eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Maastricht, verweerder. Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur. De bestreden uitspraken op bezwaar De uitspraken van de inspecteur van 11 februari 2009 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde navorderingsaanslag vermogensbelasting voor het jaar 1998 naar een belastbaar vermogen van f 464.000, de daarbij opgelegde vergrijpboete, alsmede de beschikking heffingsrente van f 324 (aanslagnummer [nummer].K87). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2010 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbendes gemachtigde, mr. [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Maastricht, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigden]. De procedures met procedurenummers 09/791, 09/794 tot en met 09/804 en 09/806 zijn daar tegelijk behandeld. 1.Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. 2.Gronden 2.1.Belanghebbende is in het onderhavige jaar houder van een bankrekening bij de bank Van Lanschot Bankiers (Luxembourg) SA (hierna: Van Lanschot). De inspecteur is hiervan op de hoogte geraakt door een spontane gegevensuitwisseling van België met Nederland op 18 februari 2005. Daarnaast hield belanghebbende in het onderhavige jaar bankrekeningen aan bij Wells Fargo Bank (Verenigde Staten) en BNP Paribas (Frankrijk). 2.2.Belanghebbende is in 2005 vanuit Nederland geëmigreerd naar de Verenigde Staten (V.S.). 2.3.1.Bij brief van 7 maart 2007 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht om gegevens en inlichtingen te verstrekken betreffende het aanhouden van (één of meerdere) bankrekeningen in het buitenland. Bij brief van 3 april 2007 reageert de gemachtigde op dit verzoek en meldt onder andere dat belanghebbende niet in staat is om binnen de door de inspecteur genoemde termijn te reageren, alsmede (onder opgaaf van redenen) dat belanghebbende niet in staat is om de “verklaring in het buitenland aangehouden bankrekeningen” in te vullen. Op 23 april 2007 en 10 september 2007 heeft de inspecteur zijn verzoek herhaald. De gemachtigde reageerde op deze verzoeken bij brieven van 2 mei 2007 en 19 september 2007. Hierin wordt vermeld dat belanghebbende niet in staat is om binnen de gestelde termijn te reageren en wordt gewezen op het verblijf van belanghebbende in het buitenland. Bij brief van 22 oktober 2007 reageert de inspecteur op de brieven van de gemachtigde. De gemachtigde reageert hierop bij brief van 26 oktober 2007. Op 22 november 2007 stuurt de inspecteur een kennisgeving navordering met boete betreffende de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PH) over de jaren 1995 tot en met 2002 en vermogensbelasting (VB) over 1996. Dit in verband met het aanhouden van een bankrekening in het buitenland of het hebben aangehouden van een bankrekening bij Van Lanschot. Bij brief van 27 november 2007 bevestigt de gemachtigde de afspraak voor inzage in het dossier van belanghebbende. 2.3.2.In de brief van 15 februari 2008 betreffende het bezwaar tegen de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen over de jaren 1995 en 1996 ontkent belanghebbende rekeninghouder te zijn. Bij brief van 21 maart 2008 geeft belanghebbende alsnog toe rekeninghouder te zijn bij Van Lanschot. Hij legt kopieën van afschriften van bankrekeningen van Van Lanschot over. Daarnaast geeft hij in die brief aan te beschikken over bankrekeningen bij Wells Fargo Bank en BNP Paribas. In de brief wordt aangegeven dat belanghebbende in mei/juni in Europa is, hij alsdan de ontbrekende bankafschriften bij de betreffende banken zal ophalen en dat deze vervolgens aan de inspecteur zullen worden afgegeven. Bij brief van 29 augustus 2008 herinnert de inspecteur de gemachtigde aan de toezeggingen zoals deze zijn gedaan in de brief van 21 maart 2008, nu hij nog geen gegevens van belanghebbende heeft ontvangen. Op 2 september 2008 heeft de gemachtigde de originele stukken afgegeven aan de inspecteur. 2.3.3.Op 3 november 2008 stuurt de inspecteur een kennisgeving navordering met boete betreffende de IB/PH en VB over de jaren 1996 tot en met 2001. Op 20 november 2008 heeft er een mondeling overleg plaatsgevonden tussen de inspecteur en de gemachtigde. Daarbij is door de gemachtigde een aantal bankafschriften van BNP Paribas overgelegd. Op 24 november 2008 stuurt de inspecteur de “mededeling navordering” aan de gemachtigde. 2.4.In verband met het aanhouden van de bankrekeningen bij Van Lanschot, Wells Fargo Bank en BNP Paribas zijn met dagtekening 31 december 2008 de onderhavige navorderingsaanslag en boete opgelegd. De navorderingsaanslag is gebaseerd op de gegevens die belanghebbende met betrekking tot voornoemde rekeningen uiteindelijk aan de inspecteur heeft verstrekt. 2.5.Tussen partijen is in geschil of aan belanghebbende terecht een navorderingsaanslag en boete is opgelegd. De hoogte van de navorderingsaanslag als zodanig is niet in geschil. Verlengde navorderingstermijn 2.6.1.Belanghebbende stelt dat artikel 16, vierde lid, van de AWR discriminatoir is, waardoor zowel het EG-recht als het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden. 2.6.2.De Hoge Raad heeft in andere zaken prejudiciële vragen gesteld over de navorderingstermijn zoals bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de AWR. Het Hof van Justitie voor de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) heeft op 11 juni 2009 (HvJ EG C-155/08 en C-157/08, onder andere gepubliceerd in BNB 2009/222 ) arrest gewezen. In rechtsoverwegingen 69, 70 en 76 overweegt het HvJ EG het volgende: “69. Aangaande het argument dat de navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR willekeurig zou zijn vastgesteld op twaalf jaar, dient te worden vastgesteld dat, voor zover deze termijn wordt verlengd bij verzwijging van belastbare bestanddelen voor de fiscus, de keuze van een lidstaat om deze termijn in de tijd te beperken en deze beperking te koppelen aan de termijn voor het instellen van een strafvervolging voor het misdrijf van belastingfraude niet onevenredig lijkt. 70. In deze omstandigheden reikt toepassing van een verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar op voor de fiscus verzwegen belastbare bestanddelen niet verder dan noodzakelijk is om de doeltreffendheid van fiscale controles te waarborgen en om belastingfraude te bestrijden. (…) 76. Uit het een en ander volgt dat de artikelen 49 EG en 56 EG aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat, wanneer voor de belastingautoriteiten van een lidstaat spaartegoeden en inkomsten uit deze tegoeden zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzingen over het bestaan ervan hebben op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen, deze lidstaat een langere navorderingstermijn toepast wanneer deze tegoeden in een andere lidstaat zijn aangehouden dan wanneer zij in eerstgenoemde lidstaat zijn aangehouden. De omstandigheid dat deze andere lidstaat het bankgeheim kent, is in dit opzicht van geen belang.” 2.6.3.In het onderhavige geval is sprake van een situatie zoals bedoeld in de bovenstaande rechtsoverwegingen van het HvJ EG. Voordat de informatie vanuit België werd ontvangen, had de inspecteur geen aanwijzingen over het mogelijk bestaan van de buitenlandse bankrekeningen van belanghebbende. Het toepassen van de verlengde navorderingstermijn is dan niet in strijd met het EG-verdrag (thans: WVEU). 2.6.4.De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43050bis en 43670bis, onder andere gepubliceerd in BNB 2010/199 en BNB 2010/200 en VN 2010/13.7 en VN 2010/13.8, naar aanleiding van het voornoemde arrest van het HvJ EG onder meer de volgende regels geformuleerd die in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van artikel 16, vierde lid, van de AWR: “2.1.1. Uit de verklaring voor recht moet worden afgeleid dat de artikelen 49 en 56 EG zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat.” 2.1.2. Zijn die aanwijzingen er wel, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.