vonnis RECHTBANK BREDA Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 229450 / KG ZA 11-5 Vonnis in kort geding van 17 januari 2011 in de zaak van 1. [eiser], wonende te Breda, 2. [eiseres], wonende te Breda, eisers, advocaat mr. M.A. Buntsma, tegen [gedaagde] h.o.d.n. NOVIOMEDIA/BURO [gedaagde], wonende te Dongen, gedaagde. Eisers zullen hierna elk afzonderlijk [eiser] en [eiseres] genoemd worden en gezamenlijk [eisers] Gedaagde zal hierna worden aangeduid met [gedaagde]. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 5 januari 2011 met producties genummerd 1 tot en met 11; - de conclusie van antwoord, tevens pleitnota, met producties genummerd 1 tot en met 6; - de mondelinge behandeling van 12 januari 2011; - de pleitnota van [eisers] 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. Het geschil 2.1. [eisers] vorderen dat de voorzieningenrechter bij voorziening uitvoerbaar bij voorraad, op alle dagen en uren en zo nodig op de minuut: I. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 5.000,- als voorschot op smartengeld wegens schending van de eer en goede naam; II. [gedaagde] verbiedt om, op verbeurte van een dwangsom van EUR 10.000,- per dag, tot een maximum van EUR 100.000,-, onmiddellijk na betekening van dit vonnis, [eiser] op welke wijze dan ook verder in zijn eer en goede naam aan te tasten, in het bijzonder door aan [gedaagde] op straffe van die dwangsom een verbod op te leggen om in het openbaar door uitlatingen in woord en geschrift, een door hem of namens hem uit te geven boek daaronder begrepen, in verband te brengen met: a. (vermeende) criminele activiteiten van [eiser]; b. (vermeende) betrokkenheid bi[T]ord op [T]; c. het frustreren van het strafrechtelijk onderzoek naar de moord o[T], door [eiser]; d. in het openbaar in zijn uit te geven boek, middels correspondentie naar derden, waaronder relaties, vrienden, familie en media zijn insinuaties openbaar te maken omtrent de levenswijze van [eiser]; III. Gelast dat [gedaagde], op verbeurte van een dwangsom van EUR10.000,- per dag, tot een maximum van EUR 100.000,-, onmiddellijk na betekening van dit vonnis, aan [eisers] vóór publicatie van het boek “De Oordopjesmoord” het manuscript ter beschikking stelt en dat de delen van dit manuscript welke zien op beschadiging van de eer en goede naam van [eisers], ter beoordeling van [eisers], op het eerste verzoek van [eisers] door [gedaagde], op verbeurte van een dwangsom van EUR10.000,- per dag, tot een maximum van EUR 100.000,-, onmiddellijk na betekening van dit vonnis, zullen worden verwijderd uit dit manuscript alvorens [gedaagde] mag overgaan tot het uitgeven van dat boek; IV. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiseres] ten titel van voorschot te betalen een bedrag van EUR 1.500,-- als wijze van schadevergoeding voor de onrechtmatige publicatie van de foto’s va[T] in de advertentie en op de website; V. [gedaagde] verbiedt om, op verbeurte van een dwangsom van EUR 10.000,- per dag, tot een maximum van EUR 100.000,-, onmiddellijk na betekening van dit vonnis, foto’s va[T], zoals opgenomen in het boek “Vermist en vermoord: [T]” openbaar te maken door deze foto’s te publiceren op of in zijn boek “De Oordopjesmoord” dan wel op enige andere wijze foto’s va[T] openbaar te maken; VI. [gedaagde] verbiedt om, op verbeurte van een dwangsom van EUR 1.000,- per dag, tot een maximum van EUR 10.000,-, onmiddellijk na betekening van dit vonnis, contact op te nemen, direct of indirect, en in welke vorm dan ook, met [eiser], [eiseres] en/of [M]; VII. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag der dagvaarding tot en met de dag der algehele voldoening. 2.2. [gedaagde] voert verweer. 2.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 3. De beoordeling 3.1. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen van partijen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten: a. [eisers] zijn de ouders van wijlen [T], die door moord om het leven is gekomen. Haar ontzielde lichaam werd op 9 juni 2004 ontdekt. Voor de moord op [T] zijn vier personen veroordeeld. b. [eiser] heeft in samenwerking met [J] in mei 2006 een boek uitgebracht met de titel “Vermist en Vermoord: [T], het verhaal van haar vader”. Op de omslag van het boek staat een foto van [T], welke foto is genomen door [eiseres]. In dit boek zijn tal van foto’s van [T] opgenomen die door [eisers] zijn genomen. c. [gedaagde] en [eisers] zijn in 2006 met elkaar in contact gekomen. [gedaagde] heeft [eiser] toen medegedeeld dat hij op relevante informatie was gestuit met betrekking tot de moord op [T]. d. [gedaagde] is voornemens een boek uit te geven met de titel: “De Oordopjesmoord”. Op de website www.deoordopjesmoord.nl valt onder meer te lezen: “Ik zocht en vond de door helemaal niemand vermoedde parallellen en verwevenheid tussen de moord op [R] en die op [T]. En dat maakt ‘De Oordopjesmoord’ dubbel zo interessant. De zoektocht naar de feiten in de moord op [R] [R] leverde – tussen de bedrijven door – op dat de moord op [T] nu werkelijk werd opgelost. Ook al dacht een ieder dat met de veroordeling van [Y] (18 jaar), [Q] (15 jaar), [Z] (12 jaar) en de laatstelijk in 2008 veroordeelde [W] (6 jaar) de moordenaars nu allen vastzaten. Iets wat [T]’s vader [C] – tegen beter weten in – de rest van Nederland wilde doen geloven. Mooi niet dus. De geanonimiseerde onthulling van de echte moordenaars en de ware toedracht rond de moord voegen briljante accenten toe aan een toch al gillende crime story: De Oordopjesmoord. Ik ben er trots op dat in De Oordopjesmoord twee moorden worden opgelost terwijl ik het vooraf als utopisch inschatte om alleen al in de zaak [R] ook maar een spat van bewijs boven tafel te krijgen. Het liep anders. Een onderzoek dat zes jaar duurde en tal van teleurstellingen opleverde vanwege het steeds maar weer nalopen van een gros aan dwaalsporen kwam begin 2009 in een beslissende fase. Toch duurde het nog meer dan een jaar om de harde feiten onweerlegbaar te documenteren en deze notarieel te laten registreren.” e. Op 6 oktober 2010 heeft [gedaagde] per e-mail gereageerd op een e-mailbericht van [M], de andere dochter van [eisers], van eerder die dag. f. Op 7 oktober 2010 is er een interview van [gedaagde] in BN De Stem verschenen waarin [gedaagde] stelt dat de echte moordenaar van [T] nog vrij zou rondlopen en dat de verkeerde man is veroordeeld als hoofddader voor de moord op [T]. g. Op 13 november 2010 is in BN De Stem en in diverse andere wijkbladen een advertentie verschenen ter promotie van het door [gedaagde] uit te geven boek, waarin een foto van [T] is afgebeeld. De foto is dezelfde foto die is gebruikt voor de omslag van het boek van [eiser]. h. Op 25 november 2010 ontvingen [eiser], [M] en [RH], die destijds als rechercheur betrokken was bij de strafzaak met betrekking tot de moord op [T], een brief van [gedaagde] met als bijlage 68 – door [gedaagde] geformuleerde – stellingen. [gedaagde] heeft [eiser] verzocht te reageren op deze stellingen. In de brief heeft [gedaagde] [eiser] medegedeeld: “Let wel: alle hieronder en in de bijlagen gedane beweringen en constateringen, opsomming van feiten en quotes van derden komen in enigerlei vorm dan wel integraal in het boek voor.” i. [eisers] hebben niet gereageerd op de brief van [gedaagde]. j. Bij e-mailbericht van 3 december 2010 heeft [gedaagde] ondermeer aan [eiser] medegedeeld dat is getracht [Y] in PI De IJssel te vergiftigen, dat [gedaagde] voornemens is aangifte te doen en dat [gedaagde] twee personen, waaronder [eiser], mogelijk verantwoordelijk acht voor de huidige ontwikkelingen. j. Op 23 december 2010 zendt [gedaagde] aan [eisers], [M], [RH] en een anonieme verbalisant van de politie een e-mailbericht waarin hij meldt dat hij door een anoniem persoon wordt bedreigd. Volgens [gedaagde] is de dreigbrief afkomstig van [eisers], hun dochter of iemand waarmee [eiser] een zeer nauwe relatie onderhoudt. Spoedeisend belang 3.2. [gedaagde] betwist dat [eisers] spoedeisend belang hebben bij de vordering. Gelet op de mededeling ter zitting van [gedaagde] dat hij als richtdatum voor publicatie van zijn boek 14 januari 2011 hanteert, doch in ieder geval zo spoedig mogelijk tot publicatie wil overgaan, oordeelt de voorzieningenrechter dat [eisers] voldoende spoedeisend belang hebben bij hun vordering en dientengevolge hierin kunnen worden ontvangen. Partijen hebben in de processtukken en ter zitting ter zake de aanstaande publicatie van het boek duidelijke stellingen geponeerd, op grond waarvan de voorzieningenrechter van oordeel is dit geschil in kort geding te kunnen behandelen en de diverse vorderingen te beoordelen. Vordering I 3.3. [eiser] stelt dat [gedaagde] hem, door de brief van 25 november 2010 en de e-mail van 23 december 2010 integraal naar zijn dochter en de heer [RH] toe te sturen, in zijn eer en goede naam heeft aangetast zodat hij – bij wijze van voorschot – aanspraak maakt op een bedrag van € 5.000,- ter zake van smartengeld. [gedaagde] betwist de vordering en voert aan dat hij in het kader van hoor- en wederhoor zich ook tot de dochter van [eiser] heeft moeten wenden. [RH] is als vertrouwenspersoon van [eiser] geïnformeerd, aldus [gedaagde]. 3.4. Voor toewijzing van een geldvordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn. Ook dient uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist te zijn. Een vergoeding van immateriële schade (smartengeld) kan plaatsvinden wanneer de benadeelde in zijn eer of goede naam is aangetast. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beweringen in voormelde brief en e-mail aantasting van de eer en goede naam van [eiser] meebrengen. Het gaat kort gezegd om vele gedragingen bestaande uit strafbare feiten. Volgens artikel 6:106 BW heeft de benadeelde in geval van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen of indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Uit de zinsnede: ‘een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding’ volgt dat de rechter die op de voet van deze bepaling schadevergoeding toekent, een discretionaire bevoegdheid heeft met betrekking tot het bepalen van de omvang van die schadevergoeding. [eiser] heeft geen concrete toelichting gegeven over de gevolgen van voormelde correspondentie voor hemzelf of over hoe zijn dochter en [RH] als gevolg van die correspondentie tegen de persoon van [eiser] aankijken. Het ontbreekt de voorzieningenrechter in kort geding dan aan voldoende feiten en omstandigheden om een billijke vergoeding bij wijze van voorziening te begroten. De vordering wordt afgewezen. Vordering II 3.5. [eiser] vordert voorts dat het [gedaagde] wordt verboden om hem verder in zijn eer en goede naam aan te tasten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een zodanig algemeen en ruim omschreven verbod voor de toekomst niet voor toewijzing in aanmerking komt. Of een uitlating onrechtmatig is vergt immers een beoordeling van een concrete uitlating, afgezet tegen de verder in de beoordeling te betrekken wegingsfactoren c.q. de omstandigheden van het geval. Ditzelfde geldt voor onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.