RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 811030/09 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 februari 2011 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [datum en plaats] wonende te [adres] thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te Grave raadsvrouw mr. Blonk, advocaat te Rotterrdam 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 en 25 januari 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Smale, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1 heeft geprobeerd [slachtoffer] te vermoorden door met een vuurwapen op [slachtoffer] te schieten. Impliciet subsidiair is dit ten laste gelegd als poging tot doodslag; feit 2 een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad. 3 De voorvragen 3.1 De dagvaarding is geldig. 3.2 De rechtbank is bevoegd. 3.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie 3.3.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen in het dossier en de door de verbalisanten gemaakte samenvattingen van verhoren, een onvolledige/onjuiste dan wel een onzorgvuldige weergave zijn van de audiovisueel opgenomen verhoren. De verdediging is van mening dat het er op lijkt dat daardoor -bewust of onbewust- bij de verbalisanten het beeld leefde dat [slachtoffer] het slachtoffer was en verdachte de dader. Dit is naar de mening van de verdediging in strijd met de artikelen 29, lid 3, en artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering. Deze inbreuk is volgens de verdediging zo fundamenteel dat deze tot niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging dient te leiden. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat gehandeld is in strijd met artikel 220 van het Wetboek van Strafvordering, omdat meerdere verbalisanten voorafgaande aan het verhoor bij de rechter-commissaris al de beschikking hadden over de aantekeningen van de officier van justitie, de pleitnota van de verdediging, het proces-verbaal van de zitting van 4 maart 2010 en de brief van 15 februari 2010 van de verdediging aan de officier van justitie en de voorzitter. De verdediging is van mening dat deze gang van zaken in strijd is met de beginselen van een goede procesorde en dat ook dit moet leiden, al dan niet in samenhang met het eerder genoemde verzuim, tot de niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging. 3.3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat hetgeen er is gebeurd, niet goed was, dat ook zij daar met verbazing naar heeft gekeken en dat naar aanleiding van wat is voorgevallen, de werkwijze bij de politie is aangepast. Zij is echter van mening dat dit niet hoeft te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie omdat alle vormverzuimen zijn hersteld. Voorts heeft zij aangevoerd dat van vooringenomenheid bij de verbalisanten geen sprake is geweest omdat op 6 juni 2009 reeds ‘s avonds voor hen al vast stond dat ook [slachtoffer] met een vuurwapen had geschoten. 3.3.3 Het oordeel van de rechtbank Met betrekking tot hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, stelt de rechtbank allereerst vast dat het eindproces-verbaal processen-verbaal van bevindingen bevat welke een samenvatting inhouden van de verhoren van verdachten en een aantal getuigen. Bij deze processen-verbaal is vermeld dat het verhoor audiovisueel werd geregistreerd. Op verzoek van de raadsvrouw zijn de audiovisuele opnamen en de, als gevolg van het bekijken van die registraties, verbatim uitgewerkte verhoren aan het dossier toegevoegd. Hierdoor is vast komen te staan dat bij het uitwerken en samenvatten van de verhoren van in ieder geval verdachte fouten zijn gemaakt, in die zin dat sommige van de samenvattingen van de verhoren geen volledig juiste weergave zijn van hetgeen is gezegd door verdachte. De verbalisanten hebben dit bij de rechter-commissaris ook toegegeven en zij betreuren ook dat dit op deze manier heeft kunnen gebeuren. De officier van justitie heeft daaromtrent nog aangegeven dat dit alles tot gevolg heeft gehad, dat de werkwijze bij de politie is aangepast, om er voor te zorgen dat dergelijke fouten in de toekomst niet meer kunnen worden gemaakt. Hiermee is derhalve in beginsel in strijd gehandeld met het strafprocesrechtelijke voorschrift van artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering. Vervolgens ligt de vraag voor of en zo ja tot welke consequentie dit verzuim zou moeten leiden. Aangaande deze werkwijze is niet aannemelijk geworden dat met opzet onzorgvuldig is gewerkt danwel dat betreffende wijze van verbaliseren is ingegeven om de rechtbank op enigerlei wijze te beletten een controlerende taak uit te oefenen. In dat verband slaat de rechtbank acht op het feit dat de betreffende processen-verbaal de mededeling bevatten dat de verhoren audiovisueel werden geregistreerd. Dit brengt met zich dat aan alle procesdeelnemers de gelegenheid werd geboden de betreffende in het eindproces-verbaal opgenomen samenvattingen te controleren en op betrouwbaarheid te toetsen. Daarnaast is de verdediging de gelegenheid geboden de betrokken verbalisanten ten overstaan van de rechter-commissaris te doen horen. Hiervan is ook gebruik gemaakt en zodoende heeft ook op deze wijze een toetsing van de gehanteerde werkwijze plaatsgehad. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de aanvankelijk onzorgvuldige verslaglegging in enkele van de opgemaakte samenvattingen voor het overgrote deel gerepareerd; de rechtbank heeft haar controlerende taak te dien aanzien kunnen uitoefenen. Gelet op bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat aan de wijze waarop is geverbaliseerd niet zodanige gebreken kleven dat kan worden gesteld dat dienaangaande doelbewust in strijd met of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte is gehandeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan de gehanteerde verslaglegging geen gevolgen dienen te worden verbonden voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie in haar vervolging. Het standpunt van de verdediging dat het feit, dat de verbalisanten voorafgaand aan de verhoren bij de rechter-commissaris de beschikking hadden over stukken die betrekking hadden op een onderwerp van verhoor, een verzuim oplevert, deelt de rechtbank evenmin. De rechtbank stelt voorop dat de aan de verbalisanten verstrekte stukken reeds onderdeel uitmaakten van het procesdossier. Deze stukken waren immers tijdens een onderzoek ter terechtzitting besproken en overgelegd. Het onderwerp waar deze stukken betrekking op hebben, betreft de werkwijze en gang van zaken bij de verhoren van verdachte en zagen niet op de inhoud van onderhavige zaak. De bepaling zoals neergelegd in artikel 220 van het Wetboek van Strafvordering strekt ertoe enkel de waarheid en de nauwkeurigheid van de af te leggen verklaring zoveel mogelijk te waarborgen. Vaststaat dat de verbalisanten kennis hebben genomen van de betreffende stukken, te weten de aantekeningen van de officier van justitie, de pleitnota van de verdediging, het proces-verbaal van de zitting van 4 maart 2010 en de brief van de verdediging van 15 februari 2010 gericht aan de officier van justitie en de voorzitter van de strafkamer en daarnaast staat vast dat er gebruik is gemaakt van uittreksels bij een van de verhoren. Echter, dat bovenvermelde doeleinden door kennis genomen te hebben van de betreffende stukken dan wel door het gebruik maken van samenvattingen, op enigerlei wijze in het gedrang zijn gekomen is geenszins aannemelijk geworden. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen sprake van een inbreuk op de beginselen van een goede procesorde. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is. 3.4 Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de poging tot doodslag en het voorhanden hebben van het wapen en munitie wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de verklaring van verdachte, de verklaring van [slachtoffer] en het proces-verbaal met betrekking tot het aangetroffen vuurwapen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat niet bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, omdat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij iemand anders dan [slachtoffer] zou treffen. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet het opzet had om [slachtoffer] te doden. De voorwaardelijke opzet kan in de visie van de verdediging wel bewezen worden. Met betrekking tot het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Op 6 juni 2009 vindt een schietpartij plaats op de Kruisvoort te Breda . Verbalisanten treffen op de parkeerplaats aldaar een persoon aan die was neergeschoten. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 6 juni 2009 bij de deuropening van de Mediamarkt stond en dat hij schoten hoorde. Vervolgens ziet hij een man in een zilverkleurige auto stappen en wegrijden. Het slachtoffer ziet hij in elkaar zakken ter hoogte van de wielkas van een Porsche. Tijdens de zitting heeft verdachte verklaard dat hij op 6 juni 2011 naar de Mediamarkt is gereden om[getuige 2]etuige 2] te praten over een conflict dat hij had met [slachtoffer]. Verdachte heeft verklaard dat hij niet [getuige 2] aantrof, maar [slachtoffer] en dat hij tijdens en na een worsteling meerdere keren op [slachtoffer] heeft geschoten. Uit het sporenonderzoek op het plaats delict is vast komen te staan dat zowel met het vuurwapen van verdachte, als met het vuurwapen van [slachtoffer] vier keer werd geschoten. Over de manier waarop verdachte op [slachtoffer] heeft geschoten, heeft hij verklaard dat hij schoot toen [slachtoffer] het vuurwapen van verdachte vasthield. Vervolgens heeft hij nog meerdere keren geschoten, op het moment dat [slachtoffer] het vuurwapen van verdachte losliet en achteruit liep. Tot slot heeft verdachte verklaard dat hij nog één keer heeft geschoten op [slachtoffer], toen laatstgenoemde vanachter de Volkswagen Golf kwam lopen. Uit het sporenonderzoek, genoemd onder voetnoot 4, is vast komen te staan dat [slachtoffer] drie keer door verdachte werd geraakt en schotverwondingen opliep aan de linker pols, in de linker oksel en in de buik. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande de ten laste gelegde poging tot doodslag op [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen. Door met een vuurwapen op vrij korte afstand meerdere keren te schieten in de richting van [slachtoffer], heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de koop toegenomen dat [slachtoffer] daardoor zou komen te overlijden. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat er voor of tijdens het conflict tussen verdachte en [slachtoffer], bij verdachte een moment is geweest van kalm beraad en rustig overleg. Derhalve kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] met voorbedachten rade van het leven te beroven. Op 22 juli 2009 werd door duikers gezocht op de plaats waar verdachte zei dat hij een vuurwapen in het water had gegooid. In De Mark te Breda werd een vuurwapen aangetroffen en overgedragen aan de Unit Forensische Technisch Onderzoek. Uit onderzoek is vast komen te staan dat het in De Mark aangetroffen wapen een vuurwapen betreft van het merk HS, Hrvatski Samokres, model 95, voorzien van het “valse” opschrift S&W model 645L. Het wapen was geladen met 1 patroon, kaliber 9 mm. In het wapen was een patroonhouder aanwezig met daarin 5 patronen, kaliber 9 mm. Tijdens de zitting heeft verdachte verklaard dat het vuurwapen dat in De Mark werd aangetroffen, zijn wapen was en dat hij met dat wapen op [slachtoffer] heeft geschoten. Voorts is uit onderzoek aan het pistool en de munitie vast komen te staan dat het wapen, dat vermoedelijk in Servië werd vervaardigd, een vuurwapen is in de zin van artikel 1, onder 3e, gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie. De munitie is geschikt voor vuurwapens van de categorie III en derhalve munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet Wapens en Munitie. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank ook het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1. op 06 juni 2009 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meerdere kogels in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. op 06 juni 2009 te Breda een wapens van categorie III, en munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad; De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid 5.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat verdachte ten aanzien van feit 1 moet worden ontslagen van rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld uit noodweer dan wel dat sprake was van noodweerexces. Verdachte zou op 6 juni 2009 naar de parkeerplaats voor de Mediamarkt zijn gereden om daar met [getuige 2] te praten over een probleem dat er zou bestaan tussen verdachte en [slachtoffer]. Pas als verdachte uit zijn auto stapt, ziet hij dat niet [getuige 2] maar [slachtoffer] uit de Porsche Cayenne stapt en dat [slachtoffer] een vuurwapen trekt en doorlaadt. Verdachte heeft ook zijn wapen gepakt en er zou een worsteling zijn ontstaan. Tijdens die worsteling zou verdachte een schot hebben gehoord. De verdediging is van mening dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was en verdachte kon zich redelijkerwijs niet onttrekken aan het dreigende geweld. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte straffeloos dient te blijven wegens noodweerexces, indien geoordeeld zou worden dat verdachte te ver zou zijn gegaan in zijn verdediging. 5.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat verdachte bij feit 1 inderdaad een beroep op noodweer toekomt omdat er in het dossier onvoldoende is om de verklaring van verdachte op dit punt te weerleggen. 5.3 Het oordeel van de rechtbank Voor de beoordeling van het door de verdediging gevoerde verweer omtrent de strafbaarheid van verdachte zal de rechtbank eerst bespreken hetgeen aan de confrontatie op 6 juni 2009 vooraf is gegaan. De rechtbank splitst dit in
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.