RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 984804-10 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 februari 2011 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [datum en plaats] wonende aan de [adres] raadsman mr. Van Doveren, advocaat te Breda 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 januari 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Lemstra, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Ten aanzien van feit 1: strafbare voorbereidingshandelingen heeft verricht ten aanzien van Opiumwetfeiten Ten aanzien van feit 2: niet voldaan heeft aan de inlichtingsverplichting met betrekking tot de Wet Voorkoming misbruik chemicaliën. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, namelijk dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs. Ten aanzien van dit feit baseert zij zich daarbij op het proces-verbaal van bevindingen van gehouden observaties. Op 17 februari 2010 wordt in de productieruimte in de loods in Ulicoten de eerste kookstap van het productieproces van amfetamine verricht. Gedurende de tijd die dit in beslag neemt, bevinden verdachte en zijn medeverdachten [mededader 1] en [mededader 3] zich in de loods. Voorts wijst zij op de tapgesprekken. Hieruit komt naar voren dat medeverdachte [mededader 3] telefoongesprekken voert waaruit blijkt dat hij gaat werken samen met anderen en dat die anderen nieuwe glazen zijn gaan halen. Voorts wijst de officier van justitie op het feit dat verdachte de sleutels heeft van het cilinderslot op de toegangsdeur. Ten slotte wijst zij op het feit dat hij handschoenen draagt op het moment van aanhouding. Tevens acht de officier van justitie feit 2 wettig en overtuigend bewezen. Met betrekking tot dit feit stelt zij zich op het standpunt dat de Wet voorkoming misbruik chemicaliën zich ook richt tegen personen die zich bezig houden met de illegale productie van synthetische drugs. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de tenlastegelegde feiten en wijst daarbij op het ontbreken van voldoende wettig bewijs. Hij verzoekt daarom verdachte van beide feiten vrij te spreken. Er ligt een verklaring van de vader van medeverdachte [mededader 3], waarin wordt gesproken over een grote kale man waarmee verdachte zou worden bedoeld. De raadsman is van mening dat deze verklaring geen betrekking kan hebben op verdachte, gelet op de lengte van verdachte en stelt zich op het standpunt dat deze verklaring derhalve niet kan bijdragen aan het bewijs. Voorts wijst de raadsman er op dat er geen enkel DNA-profiel van verdachte is aangetroffen. Ten slotte wijst de raadsman op het ontbreken van de voor medeplegen benodigde nauwe en bewuste samenwerking. In de telefoongesprekken die medeverdachte [mededader 3] voert, wordt gesproken over het feit dat hij gaat werken samen met anderen. Er zijn meerdere verdachten in dit onderzoek aangehouden. Niet is komen vast te staan dat het gesprek van [mededader 3] duidt op verdachte. Verdachte is aanwezig geweest in de loods en had een sleutel van het cilinderslot in zijn zak. Ook hieruit blijkt niet dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Met betrekking tot feit 2 wijst de raadsman op een uitspraak van het Hof in Den Haag, inhoudende dat artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën zich niet richt op deelnemers aan het handelsverkeer die zich schuldig maken aan (voorbereiden of bevorderen van) de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen met behulp van de in de handel te brengen geregistreerde stoffen. Voorts stelt de raadsman dat sprake is van eendaadse samenloop. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van feit 1: Aantreffen amfetaminelaboratorium Op 17 februari 2010 werd in een loods aan de [adres] een volledig ingerichte en in werking zijnde productielocatie voor amfetamine aangetroffen. Verdachte en medeverdachten [mededader 3] en [mededader 1] werden op diezelfde datum om 14.30 uur in de loods aangehouden. De Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO) heeft gerelateerd dat in de loods de eerste fase van het proces met betrekking tot de synthese van amfetamine volgens de zogeheten Leuckartmethode zeer recentelijk had plaatsgevonden. Ten tijde van de inval en de aanhouding van de verdachten was, gelet op de aangetroffen vloeistof en de temperatuur daarvan , net de eerste kookstap afgerond. De loods in Ulicoten bestond uit verschillende gedeelten. Zo bevond de daadwerkelijke productieruimte zich – gezien vanaf de ingang – in een ruimte rechts achteraan in de loods (ruimte H1 genoemd), maar was er ook een ruimte (ruimte H4 genoemd) waarin onder meer Intermediate Bulk Containers (IBC’s), jerrycans en blauwe kunststofvaten stonden. De jerrycans en vaten waren geheel of deels gevuld met afval (vloeistof) en chemicaliën. In de jerrycans zaten onder meer zoutzuur, mierenzuur en restant van BMK. In ruimte H1 zijn twee volle jerrycans met BMK aangetroffen. De indeling van de loods en de situatie ter plaatse blijkt verder uit de foto’s die als bijlagen zijn gevoegd bij de rapportage van het LFO. De rechtbank stelt vast dat de loods weliswaar uit verschillende ruimtes bestond, maar dat deze ruimtes vrij toegankelijk waren en het dus niet ging om geheel los van elkaar bestaande afgesloten ruimtes. Het LFO heeft beschreven dat zij al bij het betreden van de loods de hen bekende en kenmerkende geur van amfetamineachtige producten roken. Op grond hiervan trekt de rechtbank de conclusie dat het op 17 februari 2010 onmogelijk moet zijn geweest om in de loods aanwezig te zijn, zonder kennis te dragen van de aanwezigheid van de productieplaats op zich en de eerste kookstap die daar op dat moment plaatsvond. Observaties op 17 februari 2010 en aanhouding van verdachten Enkele uren voor het aantreffen van het laboratorium werd middels een (technische) observatie waargenomen dat medeverdachte [mededader 3] in een huurauto met kenteken [( - - )] wegreed bij zijn woning en dat hij twee mannen ophaalde. Dit drietal reed vervolgens naar België, alwaar zij de huurauto inleverden, om vervolgens in de Citroën C5 met kenteken [( - - )], op naam van [mededader 3], terug te rijden naar Nederland. Ongeveer een uur later, omstreeks 11.00 uur ’s ochtends, arriveren de drie mannen bij de loods in Ulicoten. De loods is vervolgens vanaf dat moment tot aan het moment van aanhouding (om 14.30 uur, dus ruim drie uur later) continu in observatie geweest. De observanten hebben gezien dat twee van de drie inzittenden van de Citroën C5 de loods zijn binnengegaan, en hebben niet gezien dat iemand op enig moment de loods heeft verlaten. Door de observanten is niet gezien dat de derde persoon ook de loods heeft betreden. De rechtbank leidt echter uit de omstandigheden dat er drie mannen in de auto zaten, dat er drie mannen in de loods zijn aangehouden en dat de genoemde Citroën C5 in de loods stond geparkeerd, af dat het hier steeds gaat om hetzelfde drietal, te weten de verdachten [mededader 3], [mededader 1] en [verdachte]. In het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de aanhouding wordt gerelateerd dat de verbalisant die de loods binnenging, zag dat de drie verdachten van rechts, achter de houten muur vandaan kwamen, dus vanuit de richting waar de productieplaats zich bevond. Betrokkenheid verdachten bij voorbereidingshandelingen De rechtbank ziet zich nu voor de vraag gesteld of de drie verdachten – naast het feit dat zij in de loods zijn aangehouden – aan de daar aangetroffen chemicaliën, grondstoffen en hardware gelinkt kunnen worden. Hebben deze verdachten het voornoemde voorhanden gehad en kan gesproken worden van medeplegen? De rechtbank stelt hiertoe het navolgende vast. Allereerst staat voor de rechtbank vast dat medeverdachte [mededader 3] de huurder van de loods is geweest. Getuige [getuige 1] , eigenaar van de loods, heeft dit verklaard, en in het dossier is een huurovereenkomst met betrekking tot de loods op naam van [mededader 3] opgenomen. Als huurder van de loods beschikte [mededader 3] ook over de sleutels van het cilinderslot van de toegangsdeur. Echter ook verdachte bleek sleutels van de toegangsdeur bij zich te dragen. Daarnaast droeg verdachte handschoenen op het moment dat hij werd aangehouden en uit de richting van de productieruimte kwam gelopen. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte handschoenen droeg om zichzelf te beschermen of ter voorkoming van sporen. Dit wijst erop dat hij die dag op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de eerste stap in het productieproces van amfetamine. Van medeverdachte [mededader 1] is DNA-materiaal aangetroffen in de productieruimte, namelijk op twee Spa-flesjes en op een zestal sigarettenpeuken in een asbak die in de desbetreffende ruimte stond. De rechtbank stelt vast dat de verdachten [mededader 3], [mededader 1] en [verdachte] op 17 februari 2010 samen via België naar Ulicoten zijn gereden en vervolgens enkele uren samen zijn geweest in de loods. Deze feiten en omstandigheden vragen om een nadere uitleg of toelichting van verdachte. Nu verdachte geen verklaring heeft gegeven voor voornoemde omstandigheden, leidt de rechtbank uit deze omstandigheden af dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [mededader 3], [mededader 1] en [verdachte] en dat deze samenwerking gericht was op de productie van synthetische drugs. Op het moment dat zij werden aangehouden, hadden zij juist de eerste fase van het productieproces afgerond. Hiertoe hebben zij chemicaliën, grondstoffen en hardware bestemd voor die productie voorhanden gehad en de loods in Ulicoten gehuurd. Weliswaar is deze loods daadwerkelijk gehuurd door medeverdachte [mededader 3], maar gelet op de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten houdt de rechtbank ook [mededader 1] en [verdachte] hiervoor verantwoordelijk. Alles afwegende acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 17 februari 2010 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de overtreding van artikel 10a van de Opiumwet, te weten het verrichten van voorbereidingshandelingen gericht op de productie van amfetamine. Ten aanzien van feit 2: Verdachte wordt - kort gezegd - verweten dat hij als marktdeelnemer opzettelijk BMK, zoutzuur en andere stoffen heeft vervoerd, opgeslagen en voorhanden heeft gehad, zonder daarvan melding te maken aan de bevoegde instanties, terwijl er aanwijzingen waren dat de stoffen misbruikt zouden worden voor de vervaardiging van verdovende middelen. Artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën bepaalt dat het is verboden om te handelen in strijd met voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 8 van Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (PbEU L 47) (hierna te noemen: Verordening nr. 273/2004). Artikel 8 van Verordening nr. 273/2004 schrijft voor dat marktdeelnemers de bevoegde instanties onverwijld in kennis stellen van elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen. In artikel 2, onderdeel d, van Verordening nr. 273/2004 is marktdeelnemer gedefinieerd als elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij het in de handel brengen van geregistreerde stoffen. In onderdeel c van deze bepaling is in de handel brengen omschreven als elke levering, al dan niet tegen betaling, van geregistreerde stoffen in de Gemeenschap, dan wel, met het oog op de levering ervan in de Gemeenschap, de opslag, vervaardiging, productieverwerking, de handel, distributie of handelsbemiddeling in deze stoffen. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte kan worden aangemerkt als marktdeelnemer in de zin van Verordening nr. 273/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.