RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 02/800894-10 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 februari 2011 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [datum en plaats] thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Vught raadsman mr. Bunge, advocaat te Venlo 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 februari 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Van Setten, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: Primair: heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden; Subsidiair: [slachtoffer] ernstig letsel heeft toegebracht; Tweede subsidiair: heeft geprobeerd [slachtoffer] ernstig letsel toe te brengen; Derde subsidiair: [slachtoffer] heeft mishandeld. Feit 2: meermalen medewerkers van de GGZ-instelling Jan Wier heeft bedreigd; Feit 3: [initialen]. [naam verpleger] heeft mishandeld. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie Feit 1: De officier van justitie vordert vrijspraak van het primair tenlastegelegde: poging tot doodslag. Naar haar mening kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan zware mishandeling, zoals subsidiair is tenlastegelegd. Zij baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaringen van diverse getuigen die bij het incident aanwezig zijn geweest en de medische informatie terzake het toegebrachte letsel aan het slachtoffer. Zij is van oordeel dat de bij het slachtoffer geconstateerde achterste glasvocht membraan loslating als zwaar lichamelijk letsel kan worden beschouwd en dat dit letsel, volgens de medische informatie van de oogarts, ook door de mishandeling door verdachte is veroorzaakt en niet door ouderdom is ontstaan. De officier van justitie acht het trappen tegen het hoofd van het slachtoffer niet bewezen. Feit 2: Gelet op de aangiften van de verschillende slachtoffers, in onderlinge samenhang bezien, acht de officier van justitie de tenlastegelegde bedreigingen wettig en overtuigend bewezen. Bovendien heeft zij hiervoor in ogenschouw genomen de opmerking van verdachte ter zitting dat hij inspeelde op de heersende angst jegens hem bij het verplegend personeel van Jan Wier. Hij heeft volgens de officier van justitie dan ook doelbewust medewerkers van Jan Wier bang gemaakt. Feit 3: De officier van justitie acht de tenlastgelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangifte, getuigenverklaringen en de verklaring van verdachte. 4.2 Het standpunt van de verdediging Feit 1: De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de poging tot doodslag. Door het slaan en het duwen van verdachte had de dood bij het slachtoffer niet kunnen intreden. Het letsel bij het slachtoffer wijst evenmin op genoemde kwalificatie. Verdachte moet daarom van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken, aldus de verdediging. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde, de zware mishandeling, heeft de verdediging aangevoerd dat niet vast is komen te staan dat het oogletsel bij het slachtoffer het gevolg is van het slaan door verdachte. Gezien de 60-jarige leeftijd van het slachtoffer, acht zij niet ondenkbaar dat dit letsel reeds vóór het incident aanwezig is geweest. Tevens heeft de verdediging opgemerkt dat zowel het oogletsel als de gebroken neus niet als zwaar lichamelijk letsel is aan te merken. Een dergelijk oogletsel wordt slechts als hinderlijk ervaren. In de neus heeft geen botverplaatsing plaatsgevonden. Evenmin is sprake geweest van een operatieve ingreep. De verdediging pleit dan ook voor vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde. Het onder tweede subsidiair tenlastegelegde feit kan naar haar mening worden bewezen. Feit 2: De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde bedreigingen gericht tegen medewerkers van Jan Wier, nu deze medewerkers geen reële vrees hadden te verwachten van verdachtes uitingen. Deze uitingen zijn telkens gedaan in het bijzijn van diverse andere collega’s en achter de ‘dikke stalen deur’ van de isolatiekamer van Jan Wier. Bovendien wijst de verdediging in dit verband op de omstandigheid dat de medewerkers niet direct aangifte hebben gedaan van bedreiging, maar pas na het incident op 12 augustus 2010 (feit 1). Voorts is de verdediging van mening dat het werken bij een dergelijke psychiatrische zorginstelling enige mate van geweld en intimidatie door patiënten met zich kan brengen, aan welk geweld en welke intimidatie niet veel waarde dient te worden gehecht. Feit 3: De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde mishandeling, gelet op de omstandigheid dat het voorval op 4 augustus 2010 heeft plaatsgevonden en hiervan pas op 23 augustus 2010, na het incident op 12 augustus 2010, aangifte is gedaan. Daarnaast verwijst zij naar de opmerkingen die zij terzake van feit 2 heeft gemaakt. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De feiten en omstandigheden die naar het oordeel van de rechtbank vastgesteld kunnen worden. Feit 1: Vastgesteld kan worden dat op 12 augustus 2010 een geweldsincident heeft plaatsgevonden op het terrein van de GGZ-instelling Jan Wier te Tilburg tussen verdachte en [slachtoffer]. [slachtoffer] is werkzaam als psychiater bij genoemde kliniek. Uit zijn aangifte blijkt dat hij omstreeks 14.00 uur bij de ingang van de kliniek arriveerde, van waaruit verdachte in zijn richting kwam gelopen. [slachtoffer] viel op enig moment op de grond tussen de fietsen en verdachte sloeg hem tegen zijn gezicht en op meerdere plaatsen van zijn bovenlichaam. Toen hij er uiteindelijk in slaagde om op te staan, zag hij dat het bloed van zijn lichaam afdroop. Getuige [getuige 1] , werkzaam bij Jan Wier, zag dat verdachte op een bepaald ogenblik een klap op het linkeroog van [slachtoffer] gaf, waardoor [slachtoffer] tussen de fietsen viel. Daarna werd [slachtoffer] volgens [getuige 1] op zijn kaak, armen, rug en oog geslagen. Een andere medewerker, getuige [getuige2] , zag dat verdachte op een bepaald ogenblik [slachtoffer] bij zijn nek wist vast te pakken en hem hardhandig tegen de grond smeet. [getuige2] zag eveneens dat verdachte, terwijl [slachtoffer] op de grond lag, met geschoeide voet meermalen tegen [slachtoffer]’ buik schopte. Verdachte heeft bevestigd dat hij [slachtoffer] een klap heeft gegeven en hem heeft geduwd. Kort na het ongeval heeft verdachte tegenover de politie gezegd “ik pak de volgende keer weer een psychiater” en “dan moet ik de volgende keer dus harder slaan. De volgende die ik pak is [naam]” . Volgens de medische gegevens van de spoedeisende hulp in het ziekenhuis werden bij [slachtoffer] ontvellingen in de hals, op de elleboog en op de knieën geconstateerd, evenals een kneuzing in de linkerzij, drukpijn bij de neus en letsel aan het linkeroog . Uit latere medische informatie van KNO-arts [naam arts] volgt dat [slachtoffer] een gebroken neus, zonder verplaatsing van botfragmenten, had opgelopen. De geschatte duur van genezing was volgens [naam arts] 6 weken tot 3 maanden. Volgens oogarts [naam oogarts] betreft het oogletsel van [slachtoffer] een achterste glasvocht membraan loslating, ontstaan ten gevolge van het geweldsincident. [naam oogarts] omschrijft dit voorts als een letsel waardoor weliswaar het gezichtsvermogen niet wordt beschadigd, maar wel hinderlijke vlekken kunnen ontstaan. Een dergelijk loslating is volgens [naam oogarts] een natuurlijk fenomeen dat uiteindelijk bij ieder mens optreedt tijdens het ouder worden. Genezing daarvan is niet mogelijk. Gelet op het bovenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] tegen het gezicht/hoofd heeft gestompt, hem bij de nek heeft vastgepakt en tegen de grond heeft gegooid/geduwd, en hem tegen de buik heeft geschopt. Uit de aangehaalde verklaringen en de medische gegevens volgt niet het wettig en overtuigend bewijs dat verdachte [slachtoffer] tegen het hoofd heeft geschopt, zoals ook door de officier van justitie naar voren is gebracht. Is er sprake van poging tot doodslag? De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de handelwijze van verdachte als een poging tot doodslag is te kwalificeren. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Verdachte heeft het slachtoffer meerdere malen gestompt, hem één keer in de buik geschopt en hem ten slotte tegen de grond geduwd. Deze handelingen leveren onder voornoemde omstandigheden niet de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer komt te overlijden. De rechtbank zal daarom verdachte vrijspreken van de poging tot doodslag, zoals primair is tenlastegelegd. Is er sprake van zware mishandeling? Om tot een bewezenverklaring van zware mishandeling te kunnen komen, dient de vraag te worden beantwoord of het letsel dat het slachtoffer is toegebracht is op te vatten als zwaar lichamelijk letsel. Uit de medische gegevens volgt dat geen operatief ingrijpen noodzakelijk is geweest ten behoeve van het letsel aan de neus, van welk letsel volledig herstel was te verwachten. De rechtbank beschouwt daarom de neusbreuk in dit geval niet als een vorm van zwaar lichamelijk letsel. Nu uit de informatie van de voornoemde oogarts naar voren komt dat de loslating van het achterste glasvocht membraan niet een ernstige vorm van invaliditeit, maar een lichte, hinderlijke aandoening oplevert, beschouwt de rechtbank het oogletsel evenmin als zwaar lichamelijk letsel. Zij heeft daarvoor tevens in ogenschouw genomen dat voor deze aandoening kennelijk geen chirurgische ingreep mogelijk is (geweest) en dat mensen op oudere leeftijd, zoals ook [slachtoffer], met deze aandoening worden geconfronteerd. De rechtbank beschouwt het neus- en oogletsel noch afzonderlijk noch tezamen als zwaar lichamelijk letsel. Voor de rechtbank staat overigens niet ter discussie dat de gedragingen van verdachte het oogletsel bij [slachtoffer] hebben veroorzaakt, nu de oogarts in zijn rapport heeft opgenomen dat dit letsel door het geweldsincident is veroorzaakt. Nu het delictsbestanddeel zwaar lichamelijk letsel niet kan worden bewezen, spreek de rechtbank verdachte vrij van zware mishandeling, onder 1 subsidiair tenlastegelegd. Is er sprake van poging tot zware mishandeling? Voor een veroordeling wegens een poging tot zware mishandeling moet het opzet van de verdachte gericht zijn geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte zich, gelet op zijn gedragingen, willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat bij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou optreden. Verdachte heeft die kans welbewust aanvaard en op de koop toe genomen. Het letsel bij [slachtoffer] had vele malen ernstiger kunnen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich dan ook schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling, zoals onder het tweede subsidiair is tenlastegelegd. Feit 2: Uit diverse aangiften en verklaringen is de rechtbank gebleken dat verdachte in 2010 tot het moment van zijn aanhouding, na de gebeurtenis van 12 augustus 2010, medewerkers van Jan Wier te Tilburg heeft bedreigd met de dood. De rechtbank heeft ten aanzien van feit 2 de volgende aangiften en verklaringen in aanmerking genomen: - [getuige2], hoofd behandeling bij Jan Wier, heeft verklaard op 12 augustus 2010 dat verdachte tijdens zijn behandeling binnen de kliniek al maandenlang verschillende personeelsleden bedreigde. Door verdachte werd volgens [getuige2] onder meer gezegd: “Ik steek je aan het mes!” “Ik maak je dood!” “Ik ga mensen dood maken om terug te kunnen naar de Koepel!”. - [naam verpleegkundige], verpleegkundige, heeft in haar aangifte verklaard dat verdachte haar op 28 juli 2010 bij het afsluiten van de separeerruimte, waarin hij zich op dat tijdstip bevond, had bedreigd met de woorden: “[voornaam verpleegkundige], als ik je buiten tegenkom, rijg ik je aan mijn mes, maak ik je af en zal het pijn doen.” [naam verpleegkundige] heeft daarbij aangegeven dat verdachte deze bedreiging geheel onder controle en kalm uitte en dat zijn stem rustig maar dwingend klonk. Omdat hij ook in het bijzonder haar naam noemde, kwam deze uiting zeer intimiderend op haar over. - [naam verpleegkundige 2], verpleegkundige, heeft aangegeven dat verdachte op 4 augustus 2010 vanuit de separeercel zijn collega, arts [naam arts 2], bedreigde met de woorden “als ik buiten kom dan snij ik je strot door”. [naam arts 2] heeft in zijn aangifte aangegeven dat hij vanaf 27 juli 2010 frequent door verdachte is bedreigd. De rechtbank heeft daarnaast in aanmerking genomen de verklaring van verdachte ter zitting , dat hij wel dingen naar de medewerkers heeft geroepen en dat hij daarmee bewust heeft ingespeeld op een bepaalde angstbeleving over hem die onder het personeel heerste. Gezien het bovenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank feit 2 wettig en overtuigend worden bewezen. Ten aanzien van het verweer van de verdediging, dat de uitingen van verdachte niet een zodanige indruk kunnen hebben gemaakt op het verplegend personeel dat er werkelijk vrees is gewekt, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte geuite bedreigingen op ieder normaal denkend mens bedreigend moeten zijn overgekomen en daarmee een reële vrees hebben doen ontstaan. Dit geldt ook voor hulpverleners. Zij stellen zich doorgaans terughoudend op bij het doen van aangifte tegen patiënten. Door het incident tussen verdachte en psychiater [slachtoffer] op 12 augustus 2010, kunnen de eerder gedane bedreigingen jegens het personeel van Jan Wier achteraf meer zijn ingekleurd, waardoor de bedreigingen ook meer gewicht hebben gekregen. De medewerkers hebben daarom mogelijk alsnog aangifte gedaan. [naam verpleegkundige] had overigens reeds op 7 augustus 2010, dus vóór het voorval van 12 augustus 2010, aangifte van bedreiging gedaan. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Feit 3: [naam verpleger] , een verpleger van de Jan Wier kliniek, heeft aangifte gedaan van een voorval met verdachte dat op 4 augustus 2010 te Tilburg heeft plaatsgehad. In de separeercel werd verdachte agressief en begon wild om zich heen te slaan en te schoppen. [naam verpleger] kreeg daarbij een schop tegen zijn linkerheup, hetgeen bij hem enkele dagen pijn veroorzaakte. Collega’s van [naam verpleger], de verpleegkundigen [naam verpleegkundige 2] en [naam verpleegkundige 3] , zagen dat verdachte [naam verpleger] schopte. [naam verpleegkundige 3] heeft in dat verband opgemerkt dat [naam verpleger] aan de linkerzijde van zijn lichaam werd geraakt. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich de gebeurtenis van 4 augustus 2010 kan herinneren, dat medewerkers hem toen probeerden een injectie te geven en dat hij vervolgens een medewerker schopte. De rechtbank acht op grond van het bovenstaande feit 3 wettig en overtuigend bewezen. Het verweer van de raadsman treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel, gezien hetgeen onder feit 2 is overwogen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Feit 1: Tweede subsidiair: hij op of omstreeks 12 augustus 2010 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal - (met kracht en/of gebalde vuist) in/tegen het gezicht/het hoofd, althans het lichaam heeft geslagen en/of gestompt, en/of - bij de nek/hals heeft vastgepakt en/of (vervolgens) tegen/op de grond heeft gegooid/geduwd, en/of - (met kracht en/of met geschoeide voet) in tegen de buik (en/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.