RECHTBANK BREDA Nevenzittingsplaats 's-Gravenhage Sector familie- en jeugdrecht Meervoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 10-9812 Zaaknummer: 382065 Datum beschikking: 31 januari 2011 Internationale kinderontvoering Beschikking op het op 24 november 2010 ingekomen verzoek van: de Directie Control, Bedrijfsvoering en Juridische Zaken, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Trb. 1987, 139), hierna: het Haagse Verdrag, gevestigd te 's-Gravenhage, verder te noemen de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens: [de vader], de vader, wonende te [woonplaats A], Spanje, advocaat: mr. M.H. Bressers te Barcelona, Spanje. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de moeder], de moeder, wonende te [woonplaats B], advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda. Procedure Op 24 november 2010 heeft de Centrale Autoriteit bij de rechtbank Breda een verzoekschrift strekkende tot teruggeleiding van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] 1996 te [woonplaats A], Spanje, ingediend. Bij beschikking d.d. 1 december 2010 heeft de rechtbank Breda zich bevoegd geacht van de zaak kennis te nemen en op grond van artikel 8 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen en het Aanwijzingsbesluit 's-Gravenhage als nevenzittingsplaats internationale kinderontvoeringen d.d. 4 februari 2009 van de Raad voor de Rechtspraak bepaald dat de behandeling van de zaak plaatsvindt in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - de brief d.d. 5 januari 2011, met bijlagen, van de zijde van de moeder; - de brief d.d. 6 januari 2011, met bijlagen, van de Centrale Autoriteit; - het faxbericht d.d. 7 januari 2011 van de Centrale Autoriteit; - het mailbericht d.d. 7 januari 2011 van de advocaat van de vader. De minderjarige heeft in raadkamer haar mening kenbaar gemaakt. Op 10 januari 2011 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. C.L. Wehrung, de moeder met haar advocaat, vergezeld van mr. R. Bom, advocaat te Breda, de vader met zijn advocaat, vergezeld van mr. Esteban Bastida Martin, advocaat te Spanje, en een tolk in de Spaanse taal, en de raad voor de kinderbescherming in de persoon van J.J. de Kok. Zowel van de zijde van de vader als van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd. Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen: - faxberichten d.d. 11 en 13 januari 2011 van de Centrale Autoriteit; - faxberichten d.d. 11, 13 en 17 januari 2011 van de zijde van de moeder; - een faxbericht d.d. 18 januari 2011 van de zijde van de vader. Feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting wordt van het volgende uitgegaan. De vader heeft de Spaanse nationaliteit en de moeder heeft de Nederlandse nationaliteit. De vader en de moeder zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 1989 te [huwelijksplaats], Spanje. De minderjarige is tijdens dit huwelijk geboren. Bij onherroepelijk geworden beslissing d.d. [datum uitspraak echtscheiding] 2005 van de rechtbank te Ávila, Spanje, is de echtscheiding van de vader en de moeder uitgesproken. De minderjarige verblijft sinds 4 december 2009 in Nederland. Indien een verzoek of verweer gedeeltelijk of geheel is ingetrokken of aangepast, wordt in de beschikking uitsluitend melding gemaakt van het verzoek of verweer zoals dat thans luidt. Daartoe is opgenomen de tekst 'zoals dat thans luidt' of 'thans nog'. Verzoek en verweer De Centrale Autoriteit heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Wet van 2 mei 1990, Stb. 202, de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarige vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Spanje, dan wel, indien zij nalaat de minderjarige terug te brengen, de datum te bepalen waarop de moeder de minderjarige aan de vader dient af te geven, zodat de vader de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Spanje, zulks, indien nodig, met behulp van de sterke arm. Ter terechtzitting heeft de vader (naast het voorliggende mede namens hem ingediende verzoek van de Centrale Autoriteit) de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige verzocht met bepaling dat de moeder binnen vijf dagen na betekening van de beschikking per vliegtuig de minderjarige moet (laten) terugbrengen naar Madrid onder mededeling aan de vader van dag en tijdstip van aankomst en vluchtnummer uiterlijk 48 uur voor aankomst en bovendien de terugkeer van de minderjarige te gelasten op straffe van een dwangsom van € 5.000,00, te verbeuren door de moeder voor iedere dag dat zij geen of geen correcte of volledige uitvoering geeft aan de te wijzen beschikking, met een maximum van € 100.000,00, alsmede de te wijzen beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, en de moeder te veroordelen in de proceskosten. De moeder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, welk verweer hierna -voor zover nodig- zal worden besproken. Beoordeling Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan. Bevoegdheid Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag. Zowel Nederland als Spanje zijn partij bij het Haagse Verdrag. Op grond van artikel 11 lid 1 sub a van de Uitvoeringswet is de rechtbank te Breda bevoegd van het verzoek kennis te nemen, nu de minderjarige haar werkelijke verblijfplaats heeft in het arrondissement Breda. De behandeling vindt plaats in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage. Ontvankelijkheid De vader heeft gesteld dat de moeder door medeneming van de minderjarige naar Nederland in strijd met het geldende gezagsrecht heeft gehandeld. De rechtbank ontvangt de vader in zijn verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige. Inhoudelijke beoordeling Het Haagse Verdrag heeft -voor zover hier van belang- tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Haagse Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken. Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofd niet doen terugkeren in de zin van het Haagse Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Haagse Verdrag). Staat van gewone verblijfplaats Tussen partijen staat vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige, onmiddellijk voor haar vertrek naar Nederland, Spanje was. Gezag Het is de rechtbank bekend dat naar Spaans gezagsrecht met de begrippen "patria potestad" en "guarda y custodia" respectievelijk "ouderlijk gezag" en "toezicht, verzorging en opvoeding" wordt bedoeld. De rechtbank verwijst daarbij naar artikel 156 van het Spaans Burgerlijk Wetboek. De vader heeft gesteld dat na de echtscheiding zowel de moeder als hij belast bleven met het ouderlijk gezag over de minderjarige, hetgeen door de moeder wordt betwist. Zij stelt dat naar Spaans recht uitsluitend de moeder na echtscheiding het gezag behoudt. De moeder betwist tevens dat de vader bij het vertrek van de minderjarige naar Nederland, gezag over de minderjarige had. De rechtbank overweegt als volgt. In de echtscheidingsbeschikking is de tussen partijen gesloten overeenkomst d.d. 23 mei 2005 opgenomen. Hieruit volgt dat de minderjarige -na de echtscheiding- de gewone verblijfplaats had bij de moeder en dat tussen de vader en de minderjarige een bezoekregeling gold. Daarnaast kon de moeder -zoals blijkt uit de overeenkomst- de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet zonder toestemming van de vader buiten Spanje bepalen. Met de overeenkomst tussen de vader en de moeder werd een situatie die feitelijk al jaren duurde (aangezien de vader en de moeder voordat de echtscheiding werd uitgesproken al jaren niet meer bij elkaar woonden) geformaliseerd. Uit de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen blijkt dat aan de overeengekomen bezoekregeling een aantal malen uitvoering is gegeven. In 2008 is de bezoekregeling door de moeder stopgezet en is door haar aangifte gedaan van -volgens haar- door de vader gepleegd seksueel misbruik van de minderjarige. Op de aangifte van de moeder is op 16 maart 2010 door de Spaanse rechter beslist tot voorlopig sepot, aangezien in onvoldoende mate vast stond dat het misdrijf waarvan aangifte was gedaan, gepleegd is. Alvorens tot dit sepot te komen heeft de onderzoeksrechter op 5 februari 2009 aan twee psychologen (Blanca Vázquez Mezquita en Concepción de la Peña) opdracht gegeven om de minderjarige te onderzoeken teneinde de waarheidsgetrouwheid van de in de aangifte gestelde feiten vast te stellen (rapportage d.d. 21 april 2009, bijlage 15 bij het verzoekschrift). Op grond van door de vader gedane aangiften tegen de moeder terzake van het niet nakomen van de omgangsregeling door de moeder heeft de rechtbank te Madrid, Spanje, op 29 april 2009 de moeder verboden om de minderjarige zonder toestemming van die rechtbank buiten Spanje te brengen. Bij beschikking d.d. 9 oktober 2009 heeft de rechtbank te Ávila, Spanje, in het kader van door de vader verzochte voorlopige voorzieningen in een procedure op tegenspraak (waarbij de moeder werd vertegenwoordigd door María Jesús Sastre Legido, procureur) besloten dat de voogdij over de minderjarige diende te worden overgedragen aan de Autonome Deelstaat Madrid. Hierdoor werd de minderjarige onder toezicht gesteld van een voogdijinstelling en kon zij uit huis kon worden geplaatst. Blijkens verklaring d.d. 11 januari 2011 van Carmen Burdiel Alvaro, gerechtssecretaris bij de rechtbank te Ávila, is deze beschikking betekend op 14 oktober 2009, en derhalve thans onherroepelijk. De uithuisplaatsing zou voortduren totdat de relatie tussen de minderjarige en de ouders naar mening van de benodigde specialisten en artsen was genormaliseerd. Het ouderlijk gezag werd opgeschort en de ouders mochten de minderjarige bezoeken. De ouders is voorts verboden om de minderjarige mee te nemen naar het buitenland, tenzij daartoe een rechterlijke machtiging is afgegeven. De minderjarige mocht niet in het bezit van een paspoort worden gesteld. Bij beschikking d.d. 5 mei 2010 van de rechtbank te Ávila, Spanje, is vervolgens in een door de vader ingeleide, op tegenspraak gevoerde procedure (waarbij de moeder werd vertegenwoordigd door procureur Inmaculada Porras Pombo en bijgestaan door de advocaat José Luis Fuertes Suárez) -kort weergegeven- beslist dat: 1) de minderjarige Spanje, zonder een uitdrukkelijke machtiging van die rechtbank, niet mag verlaten; 2) het paspoort en nationaal identiteitsbewijs van de minderjarige dient te worden ingeleverd; 3) het de daartoe geautoriseerde instellingen verboden is om aan de minderjarige een paspoort of identiteitsbewijs af te geven; 4) de minderjarige in verband met het uitreisverbod dient te worden vermeld in het Schengen Informatiesysteem; 5) met onmiddellijke ingang de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader zal zijn en dat de moeder de minderjarige op het adres van de rechtbank dient over te dragen; 6) de hulp van de sterke arm niet zal worden gemeden wanneer de moeder niet aan de overdracht van de minderjarige meewerkt; 7) de moeder een bedrag van € 305,00 per maand ter zake van kinderalimentatie aan de vader dient te betalen; 8) de moeder volledig uit het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt ontzet, en dat de uitoefening van het gezag volledig toekomt aan de vader, dan wel dat de bevoegdheden die inherent zijn aan het ouderlijk gezag volledig aan hem toekomen; 9) de moeder wordt veroordeeld in de proceskosten. Blijkens verklaring d.d. 11 januari 2011 van Carmen Burdiel Alvaro, gerechtssecretaris bij de rechtbank te Ávila, is deze beschikking betekend op 7 mei 2010 en derhalve thans onherroepelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Centrale Autoriteit in voldoende mate aangetoond dat de moeder in beide voornoemde procedures in rechte werd vertegenwoordigd danwel bijgestaan door een advocaat, en dat de beschikkingen van respectievelijk 9 oktober 2009 en 5 mei 2010 op de juiste wijze aan de moeder zijn betekend. De rechtbank passeert derhalve de betwisting door de moeder van de betekening en haar kennisneming van de inhoud van beide uitspraken. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank vervolgens tot het oordeel dat op het moment dat de moeder op 4 december 2009 met de minderjarige naar Nederland vertrok, zowel de moeder als de vader waren geschorst in de uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarige. Op dat moment de Autonome Deelstaat Madrid met de voogdij over de minderjarige belast, en had die instantie -indien zij daarom zou hebben verzocht- machtiging aan de moeder had kunnen verlenen om met de minderjarige naar Nederland te vertrekken. De vader heeft gesteld dat de moeder voor het vertrek van de minderjarige naar Nederland geen toestemming van de Autonome Deelstaat Madrid heeft gevraagd of verkregen, welke stelling door de moeder niet is weersproken. De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat de moeder de minderjarige op 4 december 2009 ongeoorloofd, als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag, naar Nederland heeft overgebracht. Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de minderjarige naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, dient ingevolge artikel 12 van het Haagse Verdrag in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Haagse Verdrag. Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Haagse Verdrag Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Haagse Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Haagse Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd. De aangezochte rechter mag de door deze bepaling gestelde voorwaarden niet reeds vervuld achten, louter op grond van zijn oordeel dat het belang van het kind in het land van herkomst van het kind minder goed is gediend dan in het land van de aangezochte rechter. De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de hierboven genoemde weigeringsgrond. Allereerst heeft zij daartoe gesteld dat de terugkeer van de minderjarige leidt tot lichamelijke en geestelijke gevaren, hetgeen volgens de moeder kan worden afgeleid uit de bij brief d.d. 5 januari 2011 (aangevuld bij faxbericht d.d. 11 januari 2011) in het geding gebrachte medische informatie, waaruit blijkt dat de minderjarige thans onder behandeling is van deskundigen in verband met gesteld seksueel misbruik van de minderjarige door de vader in het verleden en de gevoelens van angst welke de minderjarige dientengevolge jegens de vader koestert. De moeder stelt dat terugkeer van de minderjarige naar Spanje zal leiden tot de lichamelijke en geestelijke ondergang van de minderjarige. Vervolgens stelt de moeder dat de minderjarige -indien zij dient terug te keren naar Spanje- in een ondraaglijke toestand komt te verkeren nu de moeder mogelijk bij terugkeer naar Spanje zal worden aangehouden en opgepakt, terwijl de vader niet voor de minderjarige kan zorgen en de minderjarige mogelijk in Spanje in een tehuis terecht zal komen. De vader betwist de stellingen van de moeder en verwijst daarbij naar de inhoud van voormelde beschikkingen van de Spaanse rechter d.d. 9 oktober 2009 en 5 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.