RECHTBANK BREDA parketnr. rk-nummer: 11/401 Beslissing op het bezwaarschrift ex artikel 32 van het wetboek van strafvordering d.d. 31 mei 2011 van: [verdachte] geboren op [datum] wonende te [adres]
- De procedure. De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: - het bezwaarschrift; - het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer, waaruit blijkt dat de officier van justitie is gehoord. Tevens zijn verdachte en zijn raadsman gehoord.
- De beoordeling. Namens verdachte is gesteld dat in het tegen hem ingestelde onderzoek door de Officier van Justitie processtukken worden onthouden. Gelet op het door de Officier van Justitie ter zitting ingenomen standpunt, dat thans niet meer aan stukken kan worden verstrekt dan de Processen-verbaal onder nummers AH-001 en AH-022, en de mededeling dat binnen 2 maanden alle stukken verstrekt zullen worden, is de rechtbank met verzoeker van oordeel dat in casu inderdaad sprake is van onthouding van stukken. Dit zonder dat daarvoor de in de wet voorgeschreven schriftelijke mededeling aan verdachte daaromtrent is gedaan. De vraag die vervolgens als eerste moet worden beantwoord, is die of er sprake is van een "criminal charge", hetgeen de maatstaf is voor de beoordeling of verdachte aanspraak kan maken op afgifte van processtukken dan wel of die stukken hem kunnen worden onthouden. Uit het aan de rechtbank ter beschikking staande proces-verbaal, maakt de rechtbank als relevant voor de beoordeling het volgende op. Nadat de AFM op basis van ontvangen signalen van beleggers in [naam BV] een onderzoek had ingesteld naar naleving van de Wet oneerlijke handelspraktijken, doet de AFM op 22 april 2009 aangifte van onder andere oplichting. Op 10 april 2009 had [naam BV] uitstel van betaling verkregen, welke surseance op 20 mei 2009 werd omgezet in een faillissement. In de uitspraken van de Rechtbank Rotterdam van 20 mei 2009 en van het Hof Den Haag van 18 augustus 2009, wordt onder andere overwogen dat niet tijdig en volledig voldaan is aan de informatieplicht. Door de curator in het faillissement van [naam BV] is vervolgens, mede op basis van een door Ernst & Young uitgevoerd onderzoek, op 9 januari 2010 aangifte gedaan van een aantal strafbare feiten tegen verdachte. Het betrof de verdenking van de weigering om inlichtingen aan hem te verstrekken; het niet voeren van een deugdelijke administratie; het onttrekken van gelden aan de boedel en het meewerken aan bedrieglijke bankbreuk door mee te werken aan de verpanding van aandelen. Op 29 maart 2010 heeft de AFM haar bevindingen op basis van een onderzoek omtrent de handhaving van de Wet handhaving consumentenbescherming door [naam BV] in een rapport neergelegd. In het TPO overleg van 2 juni 2010 is op basis van het redelijk vermoeden dat uit de in het proces-verbaal AH-001 genoemde stukken naar voren was gekomen, besloten tot een strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte. Dit heeft geleid tot het proces-verbaal AH-022 van 10 maart 2011, op basis waarvan is verzocht tot doorzoeking op diverse adressen, waaronder het adres van verdachte. Die doorzoekingen hebben op 6 april 2011 plaatsgevonden. Uit het feit dat eerst na deze doorzoeking aan de Officier van Justitie een verzoek werd gedaan (bij brieven van 15 en 20 april 2011) en uit de inhoud van het verzoek, leidt de rechtbank af dat verdachte eerst door die doorzoeking op de hoogte raakte van het strafrechtelijk onderzoek tegen hem. Dat enkele feit is onvoldoende voor verdachte om daaraan de verwachting te ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zal worden ingesteld. De doorzoekingen vormen naar het oordeel van de rechtbank een onderdeel van het ingestelde onderzoek. Waar de verwijten van de curator zich met name richten op handelingen die de administratie betreffen, zal het OM in staat moeten zijn om die administratie te bekijken en te beoordelen, teneinde zich een oordeel te vormen over de vraag of strafrechtelijke vervolging moet volgen. De enkele aangifte door de AFM en de curator en de op instigatie van hen uitgevoerde onderzoeken, vormden daarvoor kennelijk in beginsel onvoldoende basis. De doorzoekingen zijn daarmee een begin van het werkelijke onderzoek in plaats van een sluitstuk daarvan. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat verdachte aan de gang van zaken tot nu toe de gerechtvaardigde verwachting kan ontlenen, dat een strafrechtelijke vervolging tegen hem zal worden ingesteld. De verwachting die de verdachte daaromtrent zelf heeft, is niet bepalend. Uit de processen-verbaal of uit andere feiten of omstandigheden kan ook niet worden afgeleid dat er al is besloten tot vervolging. Aan de vraag of terecht stukken worden onthouden, komt de rechtbank gelet op vorenstaande niet toe. De rechtbank overweegt ten overvloede dat, mocht de Officier van Justitie besluiten om (wederom) stukken te onthouden, meer gemotiveerd dan nu het geval is geweest, zal moeten worden aangegeven waarom onthouding noodzakelijk is en waarop de ernstige vrees dat de waarheidsvinding ernstig zal kunnen worden belemmerd in geval van verstrekking, is gegrond. Hetgeen op zitting in dat verband is aangevoerd, overtuigt niet. Ter vermijding van misverstanden, overweegt de rechtbank voorts ten overvloede dat de vraag of een stuk een processtuk is, wordt bepaald door de vraag of die stukken deel uitmaken van het procesdossier, dan wel daarvan naar redelijke verwachting deel zullen gaan uitmaken. Indien de Officier van Justitie na het verstrijken van de door haar genoemde termijn niet alle stukken ter beschikking stelt waarvan bekend is dat zij in het onderzoek zijn betrokken of die naar aanleiding van het onderzoek zijn opgemaakt, zal de Officier moeten aangeven ofwel dat die stukken uitdrukkelijk geen deel zullen uitmaken van het procesdossier of aangeven waarom die stukken nog steeds worden onthouden. De rechtbank overweegt daarbij tevens dat gelet op de visie van de HR, de stukken met betrekking tot het TPO overleg niet zonder meer tot de stukken van het dossier behoren.
- De beslissing. De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond. Deze beslissing is gegeven op 31 mei 2011 door mr Kooijman, voorzitter, en mrs Zuurmond en Breevoort, rechters, in tegenwoordigheid van J.P.E. Jacet, griffier