← Nederland

ECLI:NL:RBBRE:2011:BR2507

RECHTBANK BREDA Parketnummer: 02/994512-11 Beslissing op het door de officier van justitie bij deze rechtbank ingestelde hoger beroep d.d. 11 juli 2011 tegen de beslissing d.d. 4 juli van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank: [verdachte], geboren op [datum en plaats] wonende te [adres]

  1. De procedure. De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: - de appelakte; - de appelschriftuur; - het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer, waaruit blijkt dat de officier van justitie en de raadsman zijn gehoord. De betrokkende is niet verschenen.
  2. De beoordeling. Bij beschikking van 4 juli 2011 heeft de rechter-commissaris bij deze rechtbank, de inverzekeringstelling van verdachte onrechtmatig geoordeeld en zijn onmiddellijke invrijheidstelling bevolen. Tegen deze beslissing is door het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld bij akte van 11 juli
  3. In de akte is opgenomen dat het beroep wordt ingesteld tegen de afwijzing van de inverzekeringstelling door de rechter-commissaris. Wanneer alleen naar laatstgenoemde zin wordt gekeken, dan is beroep ingesteld tegen een niet door de rechter-commissaris genomen beslissing en zou, zoals de raadsman van verdachte heeft betoogd, niet-ontvankelijkheid in de rede liggen. Op grond van art. 59 c lid 1 Wetboek van Strafvordering kan beroep worden ingesteld tegen de beschikking tot onmiddellijke invrijheidstelling. De wetgever heeft met de invoering van deze mogelijkheid een voorziening willen scheppen omdat er bij de beoordeling door de rechter-commissaris, geen sprake was van een afwijzing van een vordering. Die voorziening moet dan ook als de enig mogelijke worden beschouwd. Een beslissing tot onmiddellijke invrijheidstelling was in dit geval in de beschikking van de rechter-commissaris ook opgenomen. Bij de beoordeling van de vraag of het beroep zich ook tegen die beslissing richt, moet voor ogen worden gehouden dat een onmiddellijke invrijheidstelling inhoudt dat de inverzekeringstelling niet meer kan worden voortgezet, zodat mitsdien de beschikking van de rechter-commissaris tot onmiddellijke invrijheidstelling impliciet ook een afwijzing inhoudt van de wens van het Openbaar Ministerie om de inverzekeringstelling voort te zetten. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep beschouwen als te zijn ingesteld tegen dat deel van de beslissing waartegen de wet beroep toelaat. De vraag of de beschikking van de rechter-commissaris ex-nunc of ex-tunc moet worden getoetst, laat de rechtbank in het midden gelet op het hierna te geven oordeel. Op grond van hetgeen naar voren komt in de verklaringen opgenomen in het proces-verbaal dat is gevoegd bij de appélmemorie van de Officier van Justitie, lijkt vooralsnog de conclusie gerechtvaardigd dat op 5 januari 2011 de brand bij Chemie-pack is ontstaan doordat door een werknemer is geprobeerd een bevroren membraanpomp, die werd gebruikt voor het oppompen van een vloeistof, ter plaatse, in de buurt van brandbare stoffen, met een brander te ontdooien. Dat daaraan voorafgaand, diezelfde dag, een of meer andere werknemers, al dan niet tezamen met voornoemde werknemer, eerder op die wijze hebben ontdooid, lijkt eveneens als conclusie te mogen worden getrokken. Van enige directe betrokkenheid van verdachte bij dat gebeuren blijkt echter niet uit het proces-verbaal. Evenmin dat hij opdracht heeft gegeven tot voornoemde handeling. Weliswaar lijkt uit het proces-verbaal naar voren te komen dat na de brand door verdachte en/of anderen gepoogd zou zijn om te bewerkstelligen dat over de oorzaak zou worden gezwegen, maar dat feit op zich is onvoldoende om aansprakelijkheid van verdachte voor het feit zelf te scheppen. Wil van aansprakelijkheid sprake kunnen zijn, dan zal tenminste moeten komen vast te staan dat verdachte wetenschap ervan had dat deze werkwijze in het bedrijf gebruikelijk was en dat hij daartegen niets heeft ondernomen, dan wel dat hij die handeling uitdrukkelijk heeft aanvaard. Dat daarvan sprake is, staat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast. Weliswaar komt uit het proces-verbaal naar voren dat één of twee werknemers in 2010 blijkbaar op vergelijkbare wijze te werk zijn gegaan, maar onvoldoende staat vast dat verdachte daarvan op de hoogte was of daarvan op de hoogte is gebracht, dan wel of hij rekening moest houden met een dergelijke handelwijze en mitsdien vóór 5 januari 2011 wist dat deze werkwijze werd toegepast. De verklaring van één van de werknemers dat er al langere tijd problemen waren met de membraanpomp wanneer het vroor of koud was, is onvoldoende om dat aan te nemen. Onvoldoende blijkt immers uit die verklaring dat er alleen op de hiervoor beschreven wijze met dat probleem werd omgegaan. Uit een andere verklaring komt immers naar voren dat weliswaar vuur werd gebruikt om een bevroren pomp te ontdooien, maar dat dat gebeurde in de werkplaats en niet, zoals op 5 januari 2011, ter plaatse in de buurt van brandbare stoffen. Mitsdien heeft de rechter-commissaris, ook wanneer bij de beoordeling de feiten en omstandigheden worden betrokken die na zijn beschikking bekend zijn geworden, naar het oordeel van de rechtbank op juiste gronden beslist dat verdachte in redelijkheid niet als verdachte had mogen worden aangemerkt en mitsdien terecht de onmiddellijke in vrijheidstelling van verdachte bevolen.
  4. De beslissing. De rechtbank bevestigt de in de aanhef genoemde beschikking van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken. Deze beslissing is gegeven op 21 juli 2011 door mr Kooijman, voorzitter, en mrs Van Gessel en Van Breugel, rechters in tegenwoordigheid van Jacet, griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.