RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 800457-11 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 augustus 2011 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedatum] te [woonplaats] wonende te [woonplaats] thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda raadsman mr. Van Rijsbergen, advocaat te Breda. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 augustus 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Weijers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1 opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd dan wel dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] is gedood terwijl hij beginnend bestuurder was, reed met een veel hogere snelheid dan was toegestaan en terwijl hij alcohol had gedronken; feit 2 als bestuurder van een motorvoertuig betrokken is geweest bij een verkeersongeval en de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat een ander was gedood of letsel had opgelopen. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd (feit 1 primair) en de plaats van het ongeval heeft verlaten (feit 2). Zij baseert zij zich onder meer op bevindingen van verbalisanten, op verklaringen van verdachte en een aantal getuigen, op een verricht alcoholonderzoek en op onderzoeken van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek en het Nederlands Forensisch Instituut. De officier van justitie acht doodslag wettig en overtuigend bewezen omdat, kort gezegd, objectieve omstandigheden zijn aan te wijzen die ertoe leiden dat verdachte het gevolg op de koop toe heeft genomen. Op basis van deze omstandigheden kan worden geoordeeld dat verdachte de kans op het veroorzaken van dodelijk letsel willens en wetens heeft aanvaard. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van de tenlastegelegde doodslag nu verdachte niet opzettelijk heeft gehandeld. Daartoe is aangevoerd dat uitsluitend moet worden gekeken naar de gedragingen van verdachte op het moment van het naderen van het bewuste kruispunt. Het eerder daaraan voorgaande verkeersgedrag kan naar de mening van de verdediging geen enkele rol spelen bij de vraag of verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Op het moment dat het stoplicht voor hem op groen sprong, mocht verdachte op het wettelijk vastgelegde interactiepatroon de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat hij door kon rijden en daarbij geen kruisend verkeer behoefde te verwachten. Alleen dit gegeven maakt al dat de kans op een tegenligger en daarmee een ongeval niet aanmerkelijk is te noemen. Het feit dat verdachte het slachtoffer niet tijdig heeft waargenomen, is hem naar de mening van de verdediging niet (volledig) aan te rekenen. Daarnaast is aangevoerd dat verdachte feitelijk niet behoort tot de groep “beginnend bestuurders” nu hij voor zijn werk minimaal 50.000 kilometer per jaar rijdt. Ten aanzien van de tenlastegelegde dood door schuld is verzocht rekening te houden met de schuld dan wel medeschuld aan de zijde van het slachtoffer. Voor wat betreft feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Op 24 april 2011, even na 5.00 uur in de ochtend, reden de verbalisanten Van der Heiden en Neumann na hun nachtdienst in een onopvallende personenauto in Oosterhout via Teteringen naar Breda. In Oosterhout werden zij met zeer hoge snelheid rechts over het fietspad ingehaald door een zwarte Volkswagen Golf. Vanwege het onverantwoorde verkeersgedrag van de bestuurder van deze Golf hebben zij de meldkamer ingelicht en zijn zij de Golf gevolgd. Daarbij reden zij zelf 110 km/u. Bij deze snelheid liep de Golf op hen uit. Zij zagen de auto de Noordelijke Rondweg in Breda oprijden. Rond hetzelfde tijdstip reed [slachtoffer], samen met een vriendin en twee vrienden, vanuit het centrum van Breda naar huis . Aangekomen op de kruising Crogtdijk/Terheijdenseweg/ Nieuwe Kadijk in Breda reed zij voorop. Op het moment dat zij de kruising opreden, was deze leeg. Vanuit het niets zag getuige [getuige 1] 2 koplampen verschijnen. De auto werd pas gezien toen deze vlakbij het vriendengroepje was en reed volgens [getuige 1] ongelooflijk hard. Ook de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] hebben verklaard dat de auto met zeer hoge snelheid kwam aanrijden. [slachtoffer] was toen de middenberm al gepasseerd en zij stak het tweede gedeelte van de weg over waarna zij vol werd geraakt door die auto. Korte tijd later arriveerden de verbalisanten Neumann en Van der Heiden (voetnoten 2 en 3). Zij zagen dat het slachtoffer in een onnatuurlijke houding lag en buiten bewustzijn was. Een ademhaling werd niet meer waargenomen. Noodhulp kwam ter plaatse. Door een GGD-arts is tijdens een schouw vastgesteld dat [slachtoffer] als gevolg van een schedelbasisfractuur is overleden . Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij de bestuurder is geweest van de Volkswagen Golf en dat hij het slachtoffer heeft aangereden waarna hij is doorgereden. Doodslag of dood door schuld? Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij die middag eerst bij zijn neef is geweest. Daar heeft verdachte 3 glazen alcohol gedronken. Vervolgens is hij naar een loungecafé in Tilburg gegaan. Daar heeft hij 5 glazen Bacardi gedronken. ’s Avonds is hij naar discotheek Highstreet in Hoogstraten gereden. Daar werd door een vriend een fles Bacardi gekocht waarvan verdachte 2 of 3 flinke glazen heeft genomen. Vervolgens is verdachte weer teruggereden naar Nederland. Na zijn vertrek uit de discotheek Highstreet in Hoogstraten en na de aanrijding om 5.12 uur heeft verdachte niets meer gedronken. Door het Nederlands Forensisch Instituut is vastgesteld dat het alcoholgehalte in verdachtes bloed 1.26 milligram per milliliter bloed is geweest. Door de Unit Forensisch Technisch Onderzoek is een verkeersongevalanalyse uitgevoerd . Op grond van dit onderzoek stelt de rechtbank vast dat de kruising Crogtdijk/ Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk een overzichtelijke kruising is met goed zicht. Ten tijde van het ongeval was het donker, droog en helder weer. Verbalisanten van de Noodhulp hebben aangegeven dat de verlichting in werking was. De Nieuwe Kadijk waarover verdachte reed was aangeduid als voorrangsweg met een maximum snelheid van 70 km/u. De banden van de fiets van het slachtoffer waren voorzien van reflectiestroken. De hiervoor genoemde verbalisanten en getuigen hebben aangegeven dat de Volkswagen Golf met zeer hoge snelheid heeft gereden. De bevindingen van de verbalisanten en verklaringen van getuigen vinden steun in het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut . Door het NFI is geconcludeerd dat over de laatste circa 70 meter voorafgaande aan de stopstreep op de ongevalkruising de auto van verdachte een gemiddelde snelheid tussen 112 km/u en 130 km/u had. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een aanzienlijke snelheidvariatie bij de nadering van de ongevalkruising. In het hiervoor aangehaalde rapport van de Unit FTO is, uitgaande van de snelheid zoals berekend door het NFI, geconcludeerd dat de Volkswagen Golf met een snelheid van tussen de 112 km/u en 130 km/u is aangereden op een in zijn richting rood licht uitstralend verkeerslicht. Tussen de 72 meter en 66 meter voor dat verkeerslicht kreeg de Volkswagen Golf groen licht. Bij de berekende snelheid had de Golf alleen voor het rood licht kunnen stoppen bij een uiterst krachtige noodstop waarbij de volledige remkracht van de auto zou moeten worden benut. Aangegeven is dat dit doorgaans voor een gemiddelde autobestuurder niet haalbaar is. Vervolgens vond de botsing plaats zonder noemenswaardige snelheidsvermindering vóór de botsing door de Volkswagen Golf. Door de technici werden geen sporen van een remming voorafgaand, op of voorbij de plaats van het ongeval aangetroffen. In het rapport is verder gesteld dat de botsing plaatsvond op het moment dat de Volkswagen Golf zich in een normale rijpositie bevond. Indien de Golf op dat moment een sterke remming zou hebben uitgevoerd dan zou de voorzijde van de Golf zijn gedoken waardoor de voorzijde zich lager boven het wegdek zou hebben bevonden en de sporen op de voorzijde van de auto zich hoger hebben afgetekend. Door de veel te hoge snelheid van de Volkswagen Golf had het slachtoffer onvoldoende tijd om aan de overzijde van de weg te geraken. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het voor doodslag vereiste opzet, minimaal in de vorm van voorwaardelijk opzet, kan worden aangenomen op grond van de bijzondere (objectieve) omstandigheden van dit geval. In dit kader is van belang dat op grond van hetgeen hiervoor is aangegeven, vastgesteld kan worden dat de verkeerssituatie ter plaatse normaal was; het was droog en helder weer en de verlichting was in werking. Verder stelt de rechtbank op grond van het aanvraagformulier toxicologisch onderzoek vast dat pas 4 uur na de aanrijding bij verdachte bloed is afgenomen. Uit dit gegeven en uit de verklaring van verdachte zoals hiervoor aangegeven, volgt dan ook dat het alcoholgehalte in verdachtes bloed ten tijde van de aanrijding aanmerkelijk hoger is geweest dan 1,26 milligram per milliliter bloed. Voorafgaande aan de aanrijding zijn er 3 momenten geweest waarop verdachte telkens de keuze heeft gemaakt om in zijn auto te stappen. Na 3 glazen alcohol gebruikt te hebben bij zijn neef, na 5 glazen Bacardi gedronken te hebben in Tilburg en na 2 of 3 flinke glazen Bacardi gedronken te hebben in Hoogstraten. Ondanks deze zeer grote hoeveelheid alcohol heeft verdachte telkens besloten in de auto te stappen en aan het verkeer deel te nemen terwijl hij absoluut niet meer in staat moest worden geacht zijn auto behoorlijk te besturen. Verdachte heeft zichzelf in staat van onbekwaamheid gebracht door het gebruiken van zeer grote hoeveelheden alcoholische drank. Verder is gebleken dat verdachte niet alleen ten tijde van de aanrijding maar ook daarvoor met een zeer hoge snelheid heeft gereden. Al in Oosterhout haalde hij op onverantwoorde wijze met zeer hoge snelheid de verbalisanten Neumann en Van der Heiden in. Ook taxichauffeur [getuige 4] heeft verklaard dat (verdachtes) auto gruwelijk op hem uitliep terwijl hijzelf op de Noordelijk rondweg zo’n 80 tot 85 km/u reed. Op grond van de verklaringen van de verbalisanten en getuigen kan niet anders geoordeeld worden dat vanaf Oosterhout tot aan de plaats van de aanrijding sprake is geweest van een dollemansrit. Vastgesteld wordt verder dat het hier gaat om “zwakke” verkeersdeelnemer, te weten het slachtoffer, rijdend op haar fiets, ten opzichte van een “sterke” verkeersdeelnemer, te weten de verdachte, rijdend in zijn personenauto. Verdachte wist wat alcohol met hem deed. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij dan vergeetachtig wordt en niet meer weet wat hij doet. Ondanks die wetenschap heeft verdachte tot drie keer toe besloten achter het stuur te stappen na het gebruik van een grote hoeveelheid drank. Vervolgens heeft verdachte met zeer hoge snelheid aan het verkeer deelgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat verdachte zich in het geheel niet heeft bekommerd om de mogelijke gevolgen daarvan voor andere (zwakke) verkeersdeelnemers. Door zijn wijze van rijden heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijk kans dat zijn handelen de dood van het slachtoffer tot gevolg zou hebben. Zoals de Hoge Raad ook al eerder heeft overwogen, kan bevestiging daarvan ook worden gevonden in de omstandigheid dat verdachte de plaats van de aanrijding heeft verlaten terwijl hij wist dat hij een ongeluk had veroorzaakt en niets heeft ondernomen teneinde te bewerkstelligen dat aan eventuele slachtoffers hulp zou worden geboden. Door de verdediging is nog aangevoerd dat sprake is geweest van een late en gevaarlijke oversteekmanoeuvre en het niet voeren van fietsverlichting waardoor verdachte niet volledig kan worden aangerekend dat het slachtoffer niet tijdig zichtbaar was. De rechtbank is van oordeel dat dit verdachte wel degelijk kan worden aangerekend. Hiervoor is al vastgesteld dat de fiets van het slachtoffer reflecterende banden had. Verdachte zou [slachtoffer] alleen al daardoor zeer ruim van te voren hebben moeten en kunnen zien, zeker indien hij met een normale, passende, snelheid had gereden en indien hij niet fors onder invloed van alcohol had verkeerd. Verder is vastgesteld dat het slachtoffer door de veel te hoge snelheid van verdachte onvoldoende tijd heeft gehad om aan de overkant van de weg te komen. Het is geheel aan het rijgedrag van verdachte te wijten dat hij het slachtoffer niet heeft gezien. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan wettig en overtuigend bewezen verklaard worden dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Verder kan wettig en overtuigend bewezen verklaard worden dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.