RECHTBANK BREDA Parketnummer: 996007-11 Beslissing op het bezwaarschrift ex artikel 32 van het wetboek van strafvordering van: [verdachte], wonende te [adres]
- De procedure. De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: - het bezwaarschrift; - het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer, waaruit blijkt dat de officier van justitie en de raadsman zijn gehoord. Verdachte is behoorlijk opgeroepen, doch niet bij de behandeling van het bezwaarschrift verschenen.
- De beoordeling. Tegen verdachte, (voormalig) bestuurder van ParTrust Beheer BV, loopt sinds 2 juni 2010 een strafrechtelijk onderzoek op grond van de verdenking - kort gezegd - dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan grootschalige beleggingsfraude. Bij beslissing van 31 mei 2011 heeft de rechtbank het bezwaarschrift van verdachte tegen de beslissing van de officier van justitie om processtukken te onthouden ongegrond verklaard, omdat - kort gezegd - nog geen sprake was van een "criminal charge" zodat verdachte geen aanspraak kon maken op afgifte van processtukken (zie LJN: BQ6453). De officier van justitie heeft bij brief van 27 juli 2011 en 18 augustus 2011 een aantal processtukken aan de raadsman van verdacht toegezonden. Bij brief van 2 augustus 2011 heeft de raadsman aan de officier van justitie verzocht de tijdens de behandeling van eerdergenoemd bezwaarschrift gedane toezegging "dat alle stukken binnen 2 maanden verstrekt zullen worden" na te komen en de in zijn brief genoemde stukken af te geven. De officier van justitie heeft in reactie hierop bij brief van 3 augustus 2011 meegedeeld dat de door de raadsman genoemde stukken vooralsnog in het belang van het strafrechtelijk onderzoek worden onthouden. Ter terechtzitting heeft de raadsman herhaald dat de officier van justitie alle relevante stukken zoals toegezegd moet afgeven waaronder de stukken van de tripartite-overleggen (TPO's) en de rechtshulpverzoeken. De officier van justitie heeft betwist dat door haar tijdens de behandeling van het eerste bezwaarschrift de door de raadsman genoemde toezegging is gedaan en heeft meegedeeld dat uiterlijk 14 september 2011 "de dan voorhanden zijnde processtukken aan de verdediging overgelegd zullen worden, die naar redelijke verwachting deel gaan uitmaken van het nog op te stellen eind-proces-verbaal". Daarbij stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat hieronder niet vallen de stukken van het TPO's, omdat deze niet als processtuk kunnen worden aangemerkt, en de rechtshulpverzoeken omdat het onderzoeksbelang zich hiertegen verzet. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet langer en in geschil - en ook voor de rechtbank staat vast - dat thans sprake is van een "criminal charge", nu verdachte inmiddels aangehouden en in verzekering gesteld is geweest. Op grond van het eerste lid van artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering staat het openbaar ministerie tijdens het voorbereidend onderzoek de verdachte op diens verzoek toe dat hij kennis neemt van de processtukken. Het tweede lid van datzelfde artikel biedt het openbaar ministerie de mogelijkheid de verdachte de kennisneming van bepaalde processtukken te onthouden, indien het belang van het onderzoek dit vordert. In dat geval dient de verdachte schriftelijk medegedeeld te worden dat de hem ter inzage gegeven stukken niet volledig zijn. De rechtbank stelt voorop dat een beslissing tot het onthouden van processtukken slechts met terughoudendheid kan worden genomen vanwege de ingrijpende aantasting van de rechten van de verdediging. Een behoorlijke procesgang brengt immers met zich mee dat een verdachte kennis moet kunnen nemen van de processtukken om zijn verdediging daarop te kunnen baseren. Processtukken zijn die stukken die door de opsporende en vervolgende instanties aan het dossier worden toegevoegd. Daarnaast zijn processtukken alle stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beantwoording van één van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Met betrekking tot de stukken van de TPO's is de rechtbank is van oordeel dat de verzochte stukken in beginsel niet behoren tot de processtukken, tenzij er zwaarwegende redenen zijn op grond waarvan van die algemene regel moet worden afgeweken. Van dergelijke zwaarwegende redenen is vooralsnog onvoldoende gebleken. De rechtbank is met betrekking tot de overige processtukken - waaronder de rechtshulpverzoeken - van oordeel dat het openbaar ministerie geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, waaruit zou kunnen blijken dat ernstig te vrezen valt dat de verdachte, na kennisneming van de inhoud van de onthouden processtukken, de waarheidsvinding ernstig zou kunnen belemmeren. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van het onderzoek onthouding van de kennisneming van processtukken vordert en dat het bezwaarschrift daarom gegrond dient te worden verklaard. Op grond van het vorenstaande kan de vraag of door de officier van justitie tijdens de behandeling van het eerste bezwaarschrift bindende toezeggingen zijn gedaan over het verstrekken van stukken, onbesproken blijven.
- De beslissing. De rechtbank verklaart het bezwaarschrift gegrond. Deze beslissing is gegeven op 8 september 2011 door mr Van Kralingen, voorzitter, en mrs Pick en Dekker, rechters in tegenwoordigheid van Jacet, griffier.